Naar de content

'Neehee, die tentstok moet dáár!'

Taaltalent Marlou Rasenberg onderzoekt hoe mensen in sociale interactie op één lijn komen

Een groen-grijze tent op een grasveld.
Een groen-grijze tent op een grasveld.
Pxhere via CC0

Samen een tent opzetten is voor veel stellen de ultieme relatietest. Hoe maak je je geliefde duidelijk waar die ene stok moet? Promovendus Marlou Rasenberg onderzoekt hoe mensen er met woord en gebaar voor zorgen dat ze op één lijn zitten.

13 juli 2020

Dit artikel maakt deel uit van de reeks Taaltalent. In Taaltalent volgt NEMO Kennislink enkele jonge onderzoekers uit het Language in Interaction-project gedurende hun promotieonderzoek.

Nu luxe all-inclusives in verre landen komende zomer misschien niet zo verstandig zijn, kiezen veel mensen voor een kampeervakantie dichterbij huis. Dat betekent dat de tent weer van zolder gehaald kan worden. Maar hoe zet je dat ding ook alweer op? Bij heel wat stellen zorgt het opzetten voor behoorlijk wat gekibbel en relatiestress.

“Dat is een typisch voorbeeld van zogeheten joint action”, aldus Marlou Rasenberg, die aan de Radboud Universiteit promotieonderzoek doet. “Je moet samenwerken om deze taak te volbrengen. Daarbij kunnen communicatieproblemen ontstaan, bijvoorbeeld als de één een ander beeld heeft van hoe de tent eruit moet komen te zien dan de ander. Die moet je vervolgens oplossen, zodat je weer tot wederzijds begrip komt.” Rasenberg onderzoekt hoe mensen dat aanpakken.

Woord en gebaar gaan hand in hand

Dat doet ze niet door op de camping net gearriveerde gasten te observeren, maar met een experiment in het lab waarbij ze alle variabelen controleert. “In ons lab in het Max Planck Instituut voeren steeds twee proefpersonen samen een interactieve taak uit. Ze staan tegenover elkaar, elk met een eigen computerscherm. Daarop staan fribbels, gekke figuurtjes die lastig te omschrijven zijn. De ene proefpersoon moet dan zo’n fribbel beschrijven, zodat de ander hem kan vinden op zijn scherm.” Om te analyseren hoe mensen dit aanpakken, neemt Rasenberg de interactie op met camera’s, headsets met microfoons en bewegingstrackers.

Fribbels zijn moeilijk te omschrijven figuurtjes – en dat is ook precies de bedoeling in dit experiment. Hier zie je zes van de zestien verschillende typen fribbels die Rasenberg in haar onderzoek gebruikt.

Gebaseerd op Barry et al, 2014

“In 2018 heb ik zo twintig duo’s in het lab ontvangen”, vertelt de onderzoeker. “Dat leverde acht uur aan opnames op. Toen begon het grote werk eigenlijk pas: alle spraak moest worden uitgeschreven. Ook moest met codes worden aangegeven wanneer iemand welk gebaar maakte. Dat kost erg veel tijd en daarna begint pas de echte analyse.”

In de eerste analyse heeft ze gekeken of mensen dezelfde woorden en gebaren gebruiken om de communicatie te bevorderen. “Uit eerder onderzoek weten we dat mensen elkaars woorden overnemen en dat dat nuttig is voor de interactie, zeker bij zo’n lastige taak. Dat zien we ook bij gebaren, maar we wisten nog niet hoe de samenhang daartussen was. Nemen mensen die elkaars woorden overnemen ook elkaars gebaren over? Gaat dat hand in hand?”

De eerste voorzichtige resultaten laten zien dat mensen inderdaad vaak zowel woorden als gebaren op elkaar afstemmen. “Maar dat gebeurt niet altijd. Sommige mensen namen wel elkaars woorden over, maar niet elkaars gebaren om de figuurtjes te beschrijven. En soms juist andersom: dan gebruikten ze het hele experiment andere woorden dan hun partner, maar wel dezelfde gebaren.”

Misverstanden repareren

Dat mensen gedurende de interactie zorgen dat ze samen op een lijn komen te zitten, ziet Rasenberg ook terug in een opdracht die de proefpersonen voor en na het experiment uitvoerden. “We vroegen ze los van elkaar de fribbels een naam te geven waaruit een ander kon afleiden over welke het gaat. Vóór de interactie kwamen mensen met concrete beschrijvingen als ‘stok en driehoek’ of ‘driehoek en rondje’. Na de interactie, waarin ze in verschillende rondes over de figuren spraken, noemden ze de figuurtjes ‘olifant’ of ‘robot’. Daar komt meer fantasie bij kijken. Ook leken de namen na het experiment bij de duo’s meer op elkaar dan ervoor.”

In een volgende analyse zal de onderzoeker kijken wat mensen doen als ze elkaar niet goed hebben verstaan of verkeerd hebben begrepen. Rasenberg: “Ik ben benieuwd hoe mensen dat dan oplossen. Wat is daarbij de rol van gebaren? In de opnames zie ik dat mensen als ze elkaar niet meer volgen soms een vraag stellen en daarbij een gebaar maken: ‘Oh, je bedoelt zó, naar beneden?’ En dan kopieert de ander dat gebaar: ‘Ja, precies’. Die reparatie vind ik interessant.”

Lange dagen in het lab

Twintig duo’s aan proefpersonen is niet veel, beseft ook Rasenberg. “Het is bij kleine aantallen proefpersonen altijd de vraag in hoeverre je bevindingen generaliseerbaar zijn. Binnen die groep zie ik ook wel veel variatie: sommigen gebaren veel, anders nauwelijks of niet”, vertelt ze. “Maar in totaal gebaarden ze in ieder geval veel – dat is fijn voor de analyse.”

Aan een tweede studie, die Rasenberg vorig jaar uitvoerde, deden tachtig duo’s mee. “Dat experiment heb ik samen met collega-onderzoekers van mijn team binnen Language in Interaction uitgevoerd.” Dit grote onderzoeksproject zoekt naar antwoorden op grote taalvragen – Rasenbergs team is geïnteresseerd in hoe mensen in sociale interactie zorgen dat ze elkaar begrijpen. “Ik kijk naar gedrag, mijn collega’s onder meer naar taalgebruik of de hersenactiviteit.”

Een MRI-scanner ziet welke hersengebieden meer zuurstofrijk bloed aangevoerd krijgen. Die hersengebieden zijn waarschijnlijk betrokken bij de taak die de proefpersoon in de scanner op dat moment uitvoert.

Barbara Braams

De extra bezoekjes aan de hersenscanner die daarvoor nodig waren, betekenden een lange dag voor de deelnemende proefpersonen. “In totaal waren ze zeven uur bezig met de hele testsessie”, vertelt Rasenberg. “Na elk testonderdeel uit het vorige experiment gingen de proefpersonen in de hersenscanner. Eigenlijk hoefden ze daarbij alleen naar de figuurtjes te kijken, maar dat is te saai, dan vallen mensen in slaap. Dus vroegen we ze steeds om aan te geven of een fribbel dezelfde was als de vorige of een andere.” Met die data zal collega-onderzoeker Sara Bögels analyseren hoe de mentale representatie van de fribbels door de sociale interactie verandert. Is het beeld van de figuurtjes in je hoofd na de taak met je medeproefpersoon anders dan ervoor?

“We testten steeds twee duo’s per dag. Alles moest steeds om en om, dat was een heel geplan”, herinnert Rasenberg zich. “Er mag dan niks misgaan, maar dat gebeurt natuurlijk toch. Dan bewogen mensen te veel in de scanner of stopte de scanner er plots mee. Of dan werkte de microfoon tijdens de interactie niet goed of lachten mensen te veel. Uiteindelijk hebben we van zo’n vijftig paren bruikbare data van alle taken. Gelukkig hadden we alle experimenten uitgevoerd voor de coronacrisis uitbrak, anders was het voor ons onderzoek echt een ramp geweest.”

Beter online zoomen

Wat hebben we straks aan deze kennis? “Dit is behoorlijk fundamenteel onderzoek”, geeft Rasenberg toe. “Maar er zijn zeker toepassingen te bedenken, al weet je van tevoren nog niet altijd welke. Mijn collega Mark Blokpoel werkt aan computationele modellen van interactie. Die kennis is relevant voor de ontwikkeling van chatbots. Vaak werken die nog niet zo prettig; het zou handig zijn als ze bijvoorbeeld misverstanden konden herstellen.”

Als je elkaar tijdens online meetings alleen vanaf de schouders ziet, mis je de gebaren die iemand maakt om zijn spraak te ondersteunen.

jagritparajuli99 voor Pixabay

Ook in deze tijden van online vergaderen ziet Rasenberg mogelijkheden voor toepassingen. “We zitten nu vaak met z’n allen te zoomen. Het lijkt erop dat gebaren een belangrijkere rol spelen bij de communicatie dan we dachten, maar die gebaren zie je vaak niet via de webcam – meestal zie je de ander vanaf de schouders. Misschien kan je dus beter wat verder van je laptop af gaan zitten als je online vergadert of lesgeeft.”

Van die tip maakt Rasenberg zelf ook gebruik. “Ik werk vier dagen per week als onderzoeker en geef een dag onderwijs. Nu is dat het vak onderwijsmethodologie, na de zomer interculturele communicatie en enkele scriptieprojecten. Alles gebeurt nu digitaal, in een virtual classroom. Gelukkig gaat dat nog best goed.”

“Ik heb nog tot januari 2022 om mijn promotieonderzoek af te ronden. Misschien iets langer, als ik meer onderwijs ga geven. Dat vind ik fijn om te doen. Soms komt er met het schrijven voor mijn onderzoek niks uit mijn vingers, dan is de directe voldoening die onderwijs geeft prettig.”

Zelf zet Rasenberg komende zomer haar tentje op in Oostenrijk. “Dat doe ik meestal gewoon zelf, maar als je gekibbel wil voorkomen, kun je ook de taken verdelen: de een zet de tent op, de ander gaat vast koken, scheelt een hoop gedoe”, adviseert ze. Ook raadt ze aan om op de camping goed op te letten hoe anderen de klus klaren. “Let maar eens op hoe vaak je dingen hoort en ziet als ‘oh en die stok komt dan daar’, ‘oh zo schuin zeg maar?’ en ‘nee hij komt denk ik zo te staan’, waarbij mensen wijzen naar stokken en met hun handen uitbeelden wat de positie van de stokken zal zijn. Dat is heel interessant, want als je enkel de spraak zou horen, zonder de gebaren en visuele context erbij te hebben, hoe weet je dan welke stok ‘die stok’ is, en wat ‘zo’ betekent?”

ReactiesReageer