Naar de content

Plastic: van wondermateriaal naar ellendige rotzooi

Voortschrijdend inzicht over de ontdekkingen van toen

Sanne Boekel voor NEMO Kennislink

Destijds werd plastic onthaald als wondermateriaal: goedkoop te produceren en overal inzetbaar. Nu stapelt het zich op in de natuur en willen veel mensen er zo snel mogelijk vanaf. Maar volgens chemicus Bert Meijer zijn we de talloze voordelen van plastic uit het oog verloren.

26 juli 2023
Afspelen icoon
Podcast
Podcast

Plastic fantastic?

0:00
28:12

Plastic tasje erbij? Ben je gek! Bij het woord plastic denken we al gauw aan milieuvervuiling. Flesjes die her en der rondslingeren in het bos. Eilanden van plasticafval in de oceaan. En dan ook nog talloze onzichtbare micro- en nanoplastics die ongemerkt schade toebrengen aan plant, dier en mens. Kortom: plastic heeft een bijzonder slecht imago.

Dat was ten tijde van de ontdekking wel anders. Begin twintigste eeuw maakte de Belgisch-Amerikaanse scheikundige Leo Baekeland de naar hemzelf vernoemde stof bakeliet – vooral bekend van de bakelieten telefoon. Het was het eerste materiaal dat was opgebouwd uit zogeheten polymeren: grote moleculen waarvan de onderdelen met scheikundige technieken aan elkaar worden gekoppeld. Dergelijke gesynthetiseerde materialen noemen we ook wel kunststoffen.

Al gauw werden met polymeren allerlei soorten kunststoffen gemaakt. Sommige ervan bleken net als bakeliet bijzonder stevig, andere waren na verhitting juist hartstikke flexibel. Die laatste groep werd aangeduid met het Engelse woord voor ‘kneedbaar’: plastic.

Van hype naar probleem

Vanaf de jaren dertig verschenen in korte tijd allerlei lichte en buigzame soorten plastic. Zo ontwikkelde scheikundige Wallace Carothers in de Amerikaanse DuPont-fabriek de stof nylon. Het bleek de perfecte vervanger van zijde, dat vooral in Japan werd geproduceerd en daarom in de Tweede Wereldoorlog schaars was. Al snel was het nieuwe materiaal overal te vinden: van nylonkousen tot nylon tandenborstels. En omdat nylon in plaats van zijde kon dienen als parachutemateriaal, bedachten de Amerikanen er zelfs een oorlogszuchtig acroniem voor: Now You Lose, Old Nippon. “Dat was de doorbraak van polymeren”, vertelt Bert Meijer, chemicus aan de TU Eindhoven.

Een berg van plastic petflesjes die zijn gemaakt voor eenmalig gebruik.

Mail Maeder, Pexels

Enkele jaren later werd polyethyleentereftalaat uitgevonden, oftewel het ‘pet’ van de petfles. En polyvinylchloride, het pvc van de pvc-buis. En zo wemelde het ineens van de poly’s. ‘Die materialen waren heel goedkoop te maken en zeer makkelijk te verwerken’, zegt Meijer. ‘Dat ze niet natuurlijk waren, werd in die tijd alleen maar als voordeel gezien. Waar je voor de massaproductie van bijvoorbeeld wol grote hoeveelheden schapen nodig had, was dat hierbij niet zo.’

Dankzij de lage prijs en de hoge prestaties ging het multifunctionele plastic steeds meer stoffen vervangen. In auto’s werden bijvoorbeeld onderdelen van metaal ingewisseld voor plastic. Daardoor werden de wagens goedkoper en minder zwaar, zodat fabrikanten ze groter konden maken. Er heerste dus een ware plastichype, en niemand dacht dat dit ooit zou veranderen in een plasticprobleem. ‘Men wist toen niet dat mensen hun plastic afval later overal zouden weggooien’, zegt Meijer.

Beperkte blik

Want in dat weggooien schuilt het huidige probleem. In de loop der jaren werd plastic steeds steviger. Ook bleef het gebruik almaar toenemen. Doordat mensen overal plastic gingen achterlaten en het tientallen jaren intact blijft, begon het zich steeds meer op te hopen in de natuur.

Daardoor zijn mensen de afgelopen decennia met andere ogen naar plastic gaan kijken. Als niet-natuurlijke stof die de natuur beschadigt, wordt het wondermateriaal van weleer steeds meer gezien als ellendige rotzooi. Sommigen beschouwen het zelfs als een uitvinding waarmee de mensheid zichzelf alleen maar kwaad heeft gedaan, en die we zo snel mogelijk zouden moeten verbieden.

Dat is volgens Meijer echter een volstrekt verkeerde houding tegenover plastic, die het gevolg is van een te beperkte blik. “Mensen denken bij plastic alleen aan tasjes en flesjes, maar het is een veel breder begrip”, zegt hij. “Overal zit plastic in: je telefoon, je computer, isolatiemateriaal, voertuigen, medische hulpmiddelen, ga zo maar door. Voor de meeste toepassingen is er geen alternatief en een energietransitie zonder plastic is onmogelijk. Je kunt plastic helemaal niet verbieden; het is onmisbaar.”

Menselijk gedrag

We zijn dus vergeten dat het overgrote deel van plastic nuttig of zelfs noodzakelijk is. Waar we een halve eeuw geleden verblind door alle voordelen geen oog hadden voor de impact op de natuur, hebben we nu vanwege die impact op de natuur geen oog meer voor de vele voordelen.

Volgens Meijer schuilt het plasticprobleem dan ook niet in het plastic zelf, maar in het gedrag van mensen. “Als je een flesje in het bos weggooit, blijft het er dertig jaar liggen. Ook moet je niet een heel stadion volhangen met plastic vlaggetjes die je meteen daarna weer weggooit.”

Daarnaast vindt Meijer dat de politiek een belangrijke rol speelt in het terugdringen van plasticafval. “Nu maakt bijvoorbeeld elke fabrikant nog een eigen petfles, met net wat andere stoffen erin. Dat maakt recycleren lastig. De EU zou moeten vastleggen dat elke petfles precies dezelfde samenstelling moet hebben. Ook zouden apparaten bijvoorbeeld hooguit twee soorten plastic mogen bevatten.”

Alternatieve materialen

Verder vindt Meijer dat als ergens een alternatief voor plastic beschikbaar is, je dat ook moet gebruiken. Zelf ontwikkelde hij zogeheten supramoleculaire polymeren. Die breken makkelijker af dan de standaardpolymeren. Achteraf gezien denkt Meijer dat hij enkele decennia geleden de industrie meer had moeten attenderen op ‘zijn’ polymeren. “Ik heb toen een kans gemist. Ik had moeten inzien dat commercieel plastic gebaat was bij afbreekbaarheid.”

Het lastige aan alternatieve materialen is echter dat ze niet altijd zo milieuvriendelijk zijn als ze lijken. Meijer: “Voor het milieu kan het beter zijn om plastic wegwerpbekertjes te gebruiken dan om een stenen of glazen beker te hergebruiken. Zo’n beker moet je telkens weer met warm water afwassen, op een gegeven moment breekt ie; dat moet je allemaal meenemen. Ook schijnt het dat je een katoenen tasje minstens 75 keer moet gebruiken voordat het voor het milieu beter is dan een plastic tasje.”

In perspectief plaatsen

Al met al erkent Meijer het plasticprobleem, maar mist hij dergelijke nuances in de huidige berichtgeving. “Het probleem schreeuwt om een discussie waarbij we alles in kaart brengen: waar is plastic goed? Waar is het slecht? Wat kan de politiek doen? En de chemische industrie? En de consument?”

In die discussie moeten wetenschappers zich volgens Meijer niet langer afzijdig houden. “Nu heb je te vaak een gevecht tussen de industrie, die zo veel mogelijk plastic wil produceren, en milieubewegingen, die het zo veel mogelijk willen afschaffen. Wetenschappers zijn van oudsher twijfelaars, maar het is aan ons om alles in het juiste perspectief te plaatsen.”