Naar de content

Help, ik word oud

Op leeftijd: Verschillen tussen generaties

Anna Bay voor NEMO Kennislink

Ouder worden is niet altijd fijn. Maar waar je dan precies tegen opziet, hangt ook af van je eigen leeftijd. Een ontwikkelingspsycholoog geeft inzicht aan de hand van vier ervaringsverhalen.

Veel mensen willen oud worden, maar het verouderen zelf vindt lang niet iedereen even prettig. Want hoe je het ook wendt of keert, met de jaren verander je. Sommige veranderingen zijn fijn, op andere zitten we minder te wachten.

NEMO Kennislink vroeg vier mensen uit verschillende generaties wat zij vinden van hun leeftijd en hoe ze zich voelen bij het verstrijken van de jaren. Gerrit Breeuwsma, ontwikkelingspsycholoog aan de Rijksuniversiteit Groningen, ziet daarin terugkomende patronen en biedt (historisch) perspectief. De weerstand die we soms voelen bij het oplopen van onze leeftijd komt volgens hem voort uit een continue vergelijking van onze levens met een gedateerde, vooroorlogse standaard.

Ania (vrouw, 35): “Ik ben niet echt oud, maar ook net niet meer jong”

“35 jaar is natuurlijk niet écht oud. Écht oud vind ik iemand van 80, ver na de pensioensleeftijd, wanneer de meeste mensen ook gezondheidsklachten krijgen. Maar voor mezelf en de dingen die ik wil doen, vind ik 35 wél oud. Ik vind mezelf te oud voor het studentenleven, om veel te reizen of om van carrière te switchen. Ik ben niet écht oud, maar ook net niet meer jong.”

“Eigenlijk voel ik me oud en jong tegelijk. Waar aan de ene kant bepaalde stadia gepasseerd lijken, heb ik aan de andere kant het gevoel dat ik achterloop. Alsof ik niet evenredig meebeweeg met mijn biologische veroudering. Dingen die mijn ouders wel op mijn leeftijd hadden, heb ik bijvoorbeeld niet, zoals een huis en een gezin. Ook dat; als ik kinderen wil, is het medisch gezien wel handig als ik daar niet meer te lang mee wacht.”

“Het is gek, het lijkt me namelijk tegelijkertijd ook vreselijk om ‘vast te zitten’ in het huisje-boompje-beestje-scenario dat bij mijn leeftijd zou horen. Eigenlijk ben ik heel tevreden alleen: ik kan doen wat ik wil en de wereld zien. En toch wil ik het ook wel? Het is een complex gevoel.”

Van standaard naar keuze

“Ania, Reni, Jelle en Hans hebben bepaalde opvattingen over wat veroudering en ouderdom zijn”, ziet Breeuwsma na het lezen van de vier getuigenissen. “Er is een duidelijk verschil tussen oud zijn en oud voelen. Oud voelen lijkt eigenlijk niet te mogen. Zeggen: ‘ik voel me oud’, lijkt synoniem aan ‘ik heb het opgegeven’. Het viertal presenteert zich dan ook – en daarin zijn ze in geen enkel opzicht uitzonderingen – jonger dan hun leeftijd. Zowel aan zichzelf als naar buiten.”

De geïnstitutionaliseerde opvattingen over de ‘standaardlevensloop’, de mal voor hoe ons leven eruit hoort te zien, met precies wat je moet doen tijdens je leven en wanneer, vormen volgens Breeuwsma de rode draad door de interviews. “Denk bijvoorbeeld aan op welke leeftijd je helemaal zelfstandig zou moeten zijn, je kinderen krijgt of je stopt met werken. Die standaardlevensloop dateert echter van voor de Tweede Wereldoorlog. Toen moest er wel iets mis zijn met jongemannen die op hun 26e nog thuis woonden, of vrouwen die op hun 30e niet het moederschap volledig omarmd hadden.”

Sinds de Tweede Wereldoorlog is de welvaart, gezondheid en levensverwachting toegenomen. Deze ontwikkelingen, die in de jaren 60 dominanter werden, hebben de opvattingen over de invulling van de levensloop en ouderdom als eindstation veranderd. Er heeft een verschuiving plaatsgevonden, legt Breeuwsma uit. “Van die standaardlevensloop naar een keuzebiografie, waarin je met tot op zekere hoogte vrije keuzes je eigen levenstraject bepaalt en er meer nadruk ligt op zelfontplooiing.” Oftewel, het is aan jou uit te zoeken wat voor levensloop het beste bij je past binnen de middelen die je hebt.

Zwart-wit foto van een familie aan het begin van de 20e eeuw met in totaal 12 mensen.

Ons beeld van de standaardlevensloop dateert nog van voor de Tweede Wereldoorlog.

Mike McBey

Botsen met het ijkpunt

De geïnterviewden nemen afstand van die gedateerde standaardlevensloop, maar blijven zich er tegelijkertijd mee verhouden, ziet Breeuwsma. Waarom? “We zoeken in de keuzebiografie altijd naar referenties om onze plek tussen anderen te bepalen en ons eigen gedrag te kunnen sturen. Daarvoor grijpen we toch terug naar die standaard. Deze mal is zo lang de standaard geweest, en daarmee zo lang dominant in onze cultuur dat het, ondanks het vaak niet meer past, zich geworteld heeft in ons hoofd en nog steeds een soort ijkpunt is.”

Dat botst soms. Helemaal als je je bedenkt dat de standaardlevensloop ook geënt is op ons biologische verloop. “Je kunt als vrouw in de dertig bijvoorbeeld wel nog helemaal niet klaar zijn voor kinderen, maar biologisch gezien is twintig jaar wel de optimale leeftijd. Ook de menopauze is natuurlijk een heel dominante fase in levensloop van vrouwen. Dat wrikt met de afstand die genomen wordt van de standaardlevensloop.” Mannen kunnen wat meer hun gang gaan, aldus de psycholoog. “Zij kunnen de volwassenheid en kinderen krijgen meer voor zich uit schuiven. Dat gebeurt ook.”

Reni (vrouw, 54): “Met 46 dacht ik, oké, het ouder worden begint nu dus”

“Ik voel me niet oud, maar ik vind mezelf dat op papier wel. In veel situaties, zoals tijdens het sporten, ben ik de oudste, maar ik vind niet dat ik me ouder gedraag of dat ik minder kan. Of dat ik dingen zeg die oude mensen zeggen. In gedrag vind ik mezelf niet anders dan jongere mensen om me heen.”

“De allereerste keer dat ik besefte dat mijn leeftijd al aardig begon op te lopen, was toen mijn menstruatie stopte. Dat was bij mij al vrij vroeg, op mijn 46e. Toen dacht ik, ‘oké, het ouder worden begint nu dus’. Het stoppen van de menstruatie is voor mij echt een van de mindere dingen aan ouder worden; ik heb er aardig klachten van. Het was en is wel even accepteren dat dingen niet meer zijn als vroeger. De menopauze had van mij wel tien jaar later gemogen.”

“Ik ben de laatste jaren veel bezig om beter voor mezelf te zorgen, qua sporten en eten bijvoorbeeld. Dat helpt mij erg om zowel mentaal als fysiek fit te blijven. Ook maak ik vaker keuzes die misschien wat egoïstisch zijn, misschien een beetje ter compensatie voor de ongemakken die met mijn leeftijd gepaard gaan? Ik heb wat meer ‘schijt’ aan dingen, als ik iets graag wil, dat doe ik dat.”

Volwassen- versus jeugdigheid

Een ander thema in de interviews is de nadruk op jong zijn. Breeuwsma: “Jeugdigheid en niet-volwassenheid is het ideaal. Vroeger wilde je zo snel mogelijk volwassen worden, nu is je oud voelen sociaal amper acceptabel. Mensen proberen dan ook zo lang mogelijk actief, of eigenlijk jeugdig te blijven en er ook zo uit te zien. Als een soort dwingend korset is niet volwassenheid, maar jeugdigheid de dominante fase waarin we ons zouden moeten bevinden.”

Vroeger gingen jongeren met hun ouders naar een serieus concert, nu nemen ze hen mee naar Harry Styles

— Gerrit Breeuwsma

Ook dat was in het vooroorlogse scenario anders, legt Breeuwsma uit. Volwassenheid was het domein waarin je je kon ontplooien. Seks had je bijvoorbeeld pas na het huwelijk, maar ook voor zelfstandigheid moest je werk hebben en een eigen huis. “Voor de Tweede Wereldoorlog was het belangrijk om zo snel mogelijk volwassen te worden en er dus ook zo uit te zien.” Na de Tweede Wereldoorlog werden veel van die ‘regels’ losgelaten. In 15 à 20 jaar werd het normaal dat je seks had voor het huwelijk, vaak meerdere partners had gehad, en dat ook ongetrouwde stellen samenwoonden. “Vroeger zouden ouders zich doodgeschaamd hebben”, aldus Breeuwsma. “Nu is dat heel anders. Het is de nieuwe norm. Die volwassenheid heeft eigenlijk niks meer te bieden.”

Ook de vrijetijdscultuur werd dankzij de toegenomen welvaart steeds dominanter in het leven van mensen. “Dat was een gevolg van de jaren 60, met de opkomst van de popcultuur. Ook hier staat jeugdigheid voorop. Waar jongeren vroeger met hun ouders naar een serieus concert gingen, nemen jongeren hun ouders nu mee naar Harry Styles.”

Jelle (man, 67): “Er komt een moment dat je kinderen je inhalen”

“Als je kijkt naar de gemiddelde leeftijd van mensen in Nederland, dan is 67 nog niet oud. Maar het schiet wel op. Ik begin het ook te voelen; niet alles gaat meer zo soepel als vroeger. Dat is soms lastig. Ik rende met mijn zoon vroeger vaak de straat uit. Dat hardloopwedstrijdje won ik altijd, tot ik het opeens níet meer won. Híj werd groter, maar mijn conditie ging ook achteruit. Er komt een moment dat je kinderen je inhalen. Dat wil je natuurlijk ook, maar het doet je wel realiseren dat je ouder wordt.”

“Sommige mensen van 67 zijn stokoud, andere jong. Dat heeft ook met gedrag te maken. Ik wil me niet omringen met mensen die het continu hebben over waar ze last van hebben of dat het vroeger beter was. Ik denk dat er een grote groep ouderen is die buiten de maatschappij staat. Dat vind ik jammer, want het hoeft niet. Woonvormen waarbij jong en oud samenwonen, zouden bijvoorbeeld veel goeds kunnen doen.”

“Recent ben ik met pensioen gegaan. Dat luidt weer een nieuwe levensfase in, misschien ook wel de laatste? Ik heb kinderen, kleinkinderen, een vrouw - die zou ik slecht los kunnen laten. Er komt natuurlijk een keer een eind aan, maar het liefst stel ik het zo lang mogelijk uit. Dat is ook weer het mooie van het pensioen: ik kan de dingen doen die ik echt graag wil doen, nu ik ze nog kan.”

Pensioen als nieuwe levensfase

Met de toegenomen welvaart en levensverwachting is ook het pensioen veranderd. Breeuwsma: “Pensionering was in het verleden een opmaat naar het einde, waarin mensen nog een paar jaar mochten genieten. Veel ouder werden mensen immers niet.” Vanuit de gerontologie, de tak van de wetenschap die ouder worden bestudeert, worden er twee theorieën geschetst voor het leven na het pensioen: de disengagement-theorie en de activiteitentheorie. “De eerste beschrijft hoe ouderen met het afnemen van hun energie, zich ‘onthechten’ en afstand nemen van het sociale en maatschappelijke verkeer”, aldus Breeuwsma.

Maar met de gigantisch toegenomen levensverwachting in Nederland luidt het pensioen een nieuwe levensfase in, die een actieve invulling behoeft. “De activiteitentheorie heeft de overhand genomen. Deze theorie beschrijft hoe mensen pensionering gebruiken om te doen wat ze altijd al wilden, en allerlei andere - nieuwe - activiteiten te ontplooien. Daarin is gezondheid de bottleneck. Kan ik ook lichamelijk de dingen doen die ik wil doen?”

Een grote groep ouderen fietst op een zomerse dag over de hei
iStock
Hans (man, 84): “Ik heb geen tijd om achter de geraniums te zitten”

“Ik weet wel dat 84 jaar rekenkundig gezien oud is, maar op het moment voel ik me niet oud. Ik ben redelijk gezond en heb heel veel te doen. Ik kan weleens jaloers zijn op de manier van handelen van jonge mensen en de vrijheid die ze hebben. De vrijheid waarmee ze zichzelf laten zien bijvoorbeeld en hun eigenwijsheid. Als je jong bent heb je nog het gevoel dat je het kunt gaan maken en veranderingen teweeg kunt brengen. Dat heb ik nu niet echt meer.”

“Ik doe wel dingen om ‘jong’ te blijven. Zo rook al 40 jaar niet meer. Daar ben ik cold turkey mee gestopt toen mijn jongste zoon geboren werd. En ik ben vanaf mijn 18e al vegetariër. Inmiddels ben ik onderweg om veganist te worden. Alcohol drink ik maar heel af en toe.”

“Het beste ‘medicijn tegen oud worden’ is bezig te blijven met leuke dingen en de moed erin te houden. Ik heb geen tijd om achter de geraniums te zitten, daar doe ik te veel voor. Leef het leven, en heb lief; een bepaalde openheid en respect voor anderen en andere dingen beïnvloedt ook jezelf.”

Verzoening

Is er iets dat we kunnen doen tegen de benauwdheid die veel mensen voelen bij het voor de zoveelste keer uitblazen van de verjaardagskaarsjes? “Alles wat we ondernemen om een beetje fit en gezond te blijven, draagt bij een aan prettiger ouderdom. Dat realiseren mensen zich tegenwoordig maar al te goed.” Misschien soms iets té goed. Breeuwsma bepleit dat het gezonde leven geen obsessief 'anti-verouderingsidee' moet worden. Een zestigjarige ís geen twintigjarige, stelt de psycholoog. “Het lijkt me goed om ze niet dezelfde eisen te stellen.”

Breeuwsma vindt dat we ons wel wat mogen verzoenen met het verouderen. “Ik zie meer wijsheid in de oude filosofische noties dat ook het einde van het leven onderdeel van het leven is. Een mooie uitspraak vind ik die van de zoon van de laat-19e-eeuwse, Duitse schrijver Theodore Fontane, op het sterfbed van zijn vader: ‘Wie er am Ende war, war er eigentlich.’ We zijn in essentie niet wat we geweest zijn; ook zoals je je einde vindt, ben je.”