Naar de content

‘Wetenschap maakt het verhaal geloofwaardig’

Feit in fictie: Stefan Brijs

Stefan Brijs
Stefan Brijs
Diego Franssens

In fantasierijke verhalen kunnen wetenschappelijke feiten houvast bieden, vindt de Vlaamse schrijver Stefan Brijs. Zowel aan de lezer als de auteur.

9 mei 2024

Als dokter Victor Hoppe na twee decennia terugkeert naar zijn geboorteplaats Wolfheim, een ouderwets, katholiek dorp nabij het Drielandenpunt, zien de bewoners hem argwanend aan. Victor met zijn knalrode haar én zijn drie ‘altijd al moederloze’ zuigelingen Michaël, Gabriël en Rafaël, die de strenggelovige wetenschapper angstvallig achter gesloten deuren van zijn ouderlijk huis verstopt.

In De Engelenmaker (2005) waant Brijs zich met vruchtbaarheidsarts en embryoloog Victor Hoppe langs de grenzen van de wetenschap. Wanneer gaat (medische) wetenschap ethische grenzen voorbij? Spelen we dan voor God? Voor de Vlaamse auteur vormt feitelijke informatie een stevig frame waarin hij zijn fantasie de vrije loop kan laten. Hij gaat soms best ver om het zo kloppend mogelijk te maken. En hoewel hij het zichzelf daarmee niet makkelijk maakt, lukt het hem zo wel de lezer in het verhaal te zuigen en ook nog eens het gevoel te geven dat het allemaal weleens echt gebeurd zou kunnen zijn.

Hoe kwam u op het idee om De Engelenmaker te schrijven?

“De kiem zat in het verhaal van ’s werelds eerst gekloonde schaap Dolly. Toen de geboorte van Dolly in 1997 bekendgemaakt werd, stond de wereld even stil. Iedereen dacht natuurlijk, ‘als dit kan, zal er dan weldra ook een menselijke kloon zijn?’ Dat zette mijn fantasie aan het werk.”

Zelfs de meest gruwelijke dingen haalde ik uit de wetenschap

“Toen ik meer over Dolly ging lezen, kwam ik erachter dat ze reuma kreeg en voortijdig stierf. Dat zou veroorzaakt zijn doordat er voor het klonen cellen gebruikt werden die al een aantal keer gedeeld waren. Hierdoor was Dolly bij de geboorte op een bepaalde manier al oud. Toen ik wist dat ik een verhaal wilde maken over klonen, en het klonen van mensen, ben ik er heel veel over gaan lezen.”

Kapstokken

Niet vreemd dus dat wetenschap een belangrijke rol in het verhaal speelt. Bent u voor alle wetenschap in De Engelenmaker in de studieboeken gedoken?

“Ja, ik heb veel echte wetenschap gebruikt voor De Engelenmaker. Ik was dus ook voortdurend aan het zoeken en studeren. Zo zijn de experimenten die de hoofdpersoon Victor Hoppe doet, geïnspireerd op die van onder andere professor Karl Illmensee en Peter Hoppe (die voor het eerst een succesvol kloonexperiment deden bij muizen, red.). Er zijn allerlei paralellen tussen Ilmensee en Victor, dat waren voor mij kapstokken om het verhaal aan op te hangen.”

Klopt het dan ook allemaal?

“Ik denk dat 95 procent van de wetenschappelijke informatie in het verhaal wel correct is. Ik ging daar, in die ‘kloppendheid’, ook vrij ver. Zo is er een scene waar de teelballen van een karakter afgeknipt worden om cellen uit te halen. Dat is natuurlijk vreselijk, je kunt je afvragen hoe een schrijver bij zoiets komt. Toen ik aan de scene werkte, ontdekte ik al studerende dat het de cellen uit de teelballen moesten zijn. Die blijven namelijk iets langer goed na overlijden, omdat ze langer warm blijven. Zelfs de meest gruwelijke dingen haalde ik uit de wetenschap.”

Heeft u ook actief wetenschappers benaderd?

“Mijn grootste bron was het internet, maar ik heb zeker ook met experts gesproken. Een mooi voorbeeld: op een bepaald moment schrijf ik over een draagmoeder die zwanger is van vier kinderen. Ik wist dat één ervan voor de geboorte moest sterven, maar wist niet hoe dat er uitzag. Wordt zo’n gestorven embryo verstoten door het lichaam, of blijft het zitten tot de geboorte van zijn broers en zussen?”

“Ik belde hiervoor een gynaecoloog, die aangaf dat het tweede het geval was. Dat kwam goed uit voor het verhaal, maar als het antwoord anders geweest was, had ik het in het verhaal wel aangepast. Ik wilde niet op fouten betrapt worden.”

En heeft u het nog laten proeflezen door experts?

“Nee, dat niet. Ik ben weleens door een universiteit uitgenodigd om voor een aantal professoren, waaronder genetici, een lezing over mijn boek te geven. Toen kon ik het natuurlijk niet laten om te vragen of het klopte. Het antwoord was: ‘Alsof we daarop gelet hebben. Wij lezen dit ook voor de literatuur!’”

Met fictie bereik je veel meer mensen dan met non-fictie

Waarom is het zo belangrijk dat de wetenschap in De Engelenmaker klopt? Het is immers fictie.

Ik wilde dat alles klopte, de wetenschap dus ook. De Engelenmaker is op een bepaalde manier natuurlijk een compleet ongeloofwaardig verhaal. Om het geloofwaardig te maken, had ik de echte wetenschap nodig. Dan ga je als lezer mee, dan kun je aan het eind het gevoel hebben dat het zomaar eens echt gebeurd zou kunnen zijn - misschien kunnen we het nu nog niet, maar het zou zo kunnen.”

Logisch gevolg

Het klonen van mensen zou zomaar kunnen?

“Als je je realiseert hoeveel wetenschappers hier in de jaren tachtig en negentig mee bezig waren en nog steeds zijn, dan moeten er haast wel al menselijke klonen geboren zijn. Waarschijnlijk zijn ze ook al gestorven. Hoe dan ook zal het me niet verbazen als er op een dag in de niet al te verre toekomst iemand opstaat die zegt een kloon te zijn.”

Staat er ook iets in de Engelenmaker waarvan u weet dat het níet klopt?

“Ja, het weer dat ik beschrijf in een scene in de zomer van 1948. Bloedheet, noem ik het. Als ik er historische data bij had gepakt, had ik gezien dat het die zomer rond het Drielandenpunt juist heerlijk koel was. Omdat de hittegolf een belangrijk deel van het verhaal was, heb ik het niet veranderd, het moest zo zijn. Ik heb als schrijver toch de touwtjes in handen. Maar ik heb er wel mails van lezers over gekregen.”


DNA

Gert Altman via Pixabay

Naast wetenschap is ook religie een belangrijk thema in deze roman. Religie en wetenschap worden vaak lijnrecht tegenover elkaar geplaatst. Heeft u actief gekozen voor deze ‘tegenpolen’?

“Ik maak nooit écht keuzes als ik schrijf: ik heb verhaallijnen die ik verder ontwikkel. Daarmee is wat er gebeurt niet zozeer een keuze maar meer het logische gevolg. Soms sla ik een bepaalde weg in, die later blijkt dood te lopen. Dan begin ik overnieuw.”

Dus religie moest logischerwijs een plek krijgen in het verhaal? Het past natuurlijk: toen het bestaan van Dolly bekendgemaakt werd, waren er ook mensen die zeiden dat ‘we nu echt voor God aan het spelen waren’.

“Ja, inderdaad. Een van de belangrijkste vragen was, hoe je ermee omgaat als je een mens kloont. Eigenlijk dacht ik dat je dat alleen kunt als je niet in God gelooft. Want als je gelooft, dan voel je toch alsof je voor God aan het spelen bent? Uiteindelijk paste het dat Victor, die gelovig is, een aversie tegen God heeft. Niet onverklaarbaar: in het Oude Testament doet God de meest verschrikkelijke dingen. Dus het klonen is niet zozeer om het klonen, maar als een uitdaging God te verslaan, de kwade God te overtreffen.”

Grensverleggend

Zowel wetenschap als religie komen er niet heel goed vanaf. Is dit een kritiek van u op beide?

“Dat klopt, en nee niet zozeer. Als schrijver ga je vaak op zoek gaat naar extremen, naar het drama. Als alles goed zou gaan, kon ik er geen verhaal van maken. Tegelijkertijd heb ik wel geprobeerd het evenwicht te bewaren in het personages. Er zijn slechte personages en goede: een slechte zuster, een goede, een slechte wetenschapper, een goede, enzovoort.”

“En die onethische wetenschappelijke praktijken: niet om ze goed te praten, maar je kunt het ook grensverleggend noemen. We staan immers zo ver in de wetenschap omdat er altijd personen zijn geweest die grenzen hebben verlegd, vaak tegen de normen van die tijd in. Zij hebben dingen gedurfd die anderen niet durfden. Neem de CRISPR-Cas-techniek, waarmee er in genen geknipt wordt. Kijk nu eens wat voor mogelijkheden het heeft gebracht om mensen te genezen.”

“Tegelijkertijd is het natuurlijk angstwekkend. In het vervolg op De Engelenmaker, De engel van Wolfheim, dat ik nu schrijf, komen bijvoorbeeld vragen aan bod als: Hoe ver we moeten gaan om mensen heel oud te laten worden? Of om veroudering om te draaien? Misschien kunnen we ooit wel mensen uit de dood opwekken, maar willen we daar wel naartoe?”

Een diagram die CRISPR-Cas weergeeft. Dit is een moderne techniek waarmee wetenschappers DNA van levende wezens nauwkeurig kunnen aanpassen.

Met CRISPR-Cas-techniek kunnen wetenschappers het DNA veranderen

Panuwach/Shutterstock.com

De rol van fictie

In het vervolg op De Engelenmaker speelt wetenschap dus ook weer een belangrijke rol?

“Jazeker. Leuk is dat de wetenschap in het boek met de tijd is meegegaan. Daarom kwam ik ook pas drie jaar geleden op het idee een vervolg te schrijven. De hoofdpersoon in deze nieuwe roman wordt geboren aan het eind van De Engelenmaker, in het jaar 1990. Nu dertig jaar later, is de wetenschap geëvolueerd, daar kon ik wel wat mee.”

Is wetenschap in uw andere boeken ook een belangrijk thema?

“Nee, dat valt mee. Hetgeen altijd een grote rol speelt, is de relatie tussen ouder en kind. Dat zit, als opvoeder en onderwijzer, in me. Zo heb ik lang op de middelbare school leerlingen begeleid die sociale problemen hadden. Dat was vaak gerelateerd aan de thuissituatie.”

Ziet u een rol binnen de literatuur voor het overbrengen van wetenschap?

“Absoluut! Voor alle wetenschap, dus bijvoorbeeld ook voor geschiedenis. Met fictie bereik je veel meer mensen dan met non-fictie. Zo vermoed ik dat veel van de tienduizenden lezers van mijn boek 'Post voor mevrouw Bromley' normaal nooit iets over de Eerste Wereldoorlog zouden lezen. Na De Engelenmaker weet je veel meer over klonen, de effecten ervan, wat er kan misgaan. De Engelenmaker heeft honderdduizenden lezers gehad, ik denk dat nog geen kwart daarvan buiten fictie ooit iets over klonen zou lezen. Ik wil dat mijn boeken de lezer iets bijbrengen, dat lezers aan het eind niet alleen emotioneel iets hebben ervaren, maar er ook intellectueel rijker uitkomen. Dan moet het een mooi, aangrijpend én logisch verhaal zijn.”