Je leest:

Vrouwen in de fout

Vrouwen in de fout

Auteur: | 12 september 2010

Piekt het criminele gedrag van meisjes tijdens de adolescentie, net zoals dat bij jongens gebeurt? Voorspelt bij vrouwen een vroege start een lange criminele carrière, zoals dat bij mannen het geval is? Zijn vrouwen meer of minder gewelddadig? Op basis van de criminele carrières van meer dan 4000 personen die in 1977 werden veroordeeld, zochten onderzoekers van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) het uit.

Mannen komen vaker in aanraking met politie en justitie dan vrouwen. Toch worden elk jaar ruim 36.000 meisjes en vrouwen gehoord als verdachte. Er is nog weinig bekend over hoe de criminele loopbaan van meisjes en vrouwen zich ontwikkelt, en op welke punten deze ontwikkeling verschilt van die van jongens en mannen.

Hebben meisjes een andere criminele loopbaan dan jongens?

Criminaliteit is vooral een mannenzaak

Criminaliteit is vooral een mannenzaak: 80% van de door de politie aangehouden verdachten is een man. Criminologen hebben daarom vooral de criminele carrières van jongens en mannen bestudeerd. Op dit moment is er nog weinig feitelijke kennis over de ontwikkeling van het criminele gedrag van meisjes en vrouwen. Daarnaast gaan ook de meeste theorieën die criminologen hebben bedacht om crimineel gedrag te verklaren eigenlijk alleen over mannen. In hoeverre die theorieën ook in staat zijn om het criminele gedrag van meisjes en vrouwen te verklaren is nog verre van duidelijk. Meer feitelijke en theoretische kennis over het criminele gedrag van meisjes en vrouwen is belangrijk, omdat dit gebruikt kan worden om te voorkomen dat meisjes het verkeerde pad op gaan.

David Farrington is hoogleraar criminologie aan Cambridge University.

De stellingen van Farrington

Toen de Britse criminoloog David Farrington in 2002 een belangrijke criminologische prijs in ontvangst nam, vatte hij de stand van zaken op het gebied van onderzoek naar criminele carrières samen in een aantal stellingen. Elk van die stellingen zou volgens hem kunnen worden beschouwd als algemeen geaccepteerde kennis over criminele carrières. Ook Farrington realiseerde zich dat het dan vooral gaat om de criminele carrières van mannen en hield daarom een slag om de arm wat betreft de geldigheid van zijn stellingen voor de criminele carrières van meisjes en vrouwen. Om meer te weten te komen over het criminele gedrag van meisjes en vrouwen vergeleken onderzoekers van het NSCR de criminele loopbanen van 432 vrouwen en 4180 mannen die in 1977 voor de rechter kwamen.

Stelling 1: de meeste jongeren starten hun criminele carrière tussen 8 en 14

Eerder onderzoek naar criminele loopbanen concludeerde dat de meeste daders zeggen dat ze voor het eerst een delict pleegden toen ze tussen de 8 en 14 jaar oud waren. De gemiddelde leeftijd waarop daders voor het eerst met politie of justitie in aanraking komen ligt meestal iets hoger; voor jonge daders leidt een delict vaak nog niet tot een geregistreerd politiecontact. De startleeftijd van personen die in 1977 veroordeeld zijn ligt zelfs veel hoger dan het 14e jaar. Vrouwen die in 1977 veroordeeld werden waren gemiddeld 29 jaar bij hun eerste veroordeling. Mannen werden gemiddeld op hun 22ste voor het eerst veroordeeld. Dat betekent dat mannen hun criminele carrière eerder beginnen dan vrouwen.

Een deel van de daders wordt zelfs pas voor het eerst veroordeeld als ze al een half leven achter de rug hebben. Van alle personen die in hun leven maar 1 keer werden veroordeeld was 19% van de vrouwen en 12% van de mannen 45 jaar of ouder toen ze veroordeeld werden. Van de vrouwen die twee keer veroordeeld werden was nog 6% boven de 45; en dat is uitzonderlijk laat. De stelling dat de meeste daders hun criminele carrière vroeg starten gaat dus niet op voor vrouwen in de CCLS-steekproef (en net zo min voor mannen).

Stelling 2: de meeste jongeren stoppen met crimineel gedrag tussen 20 en 29 jaar

Net zoals de meeste jongeren zich crimineel gaan gedragen rond de puberteit, zo stoppen de meeste jongeren hier weer mee als ze volwassen worden. Veel criminologen denken dat crimineel gedrag tijdens de volwassenheid afneemt omdat jongeren meer binding krijgen met de samenleving. Naarmate ze ouder worden krijgen steeds meer jongeren een vaste baan, een vaste relatie of een kind. Stuk voor stuk zaken die ze niet op het spel willen zetten door in de criminaliteit te blijven hangen, zo is de redenering.

De gemiddelde leeftijd van de laatst bekende veroordeling in de CCLS steekproef ligt echter veel hoger dan werd aangenomen voor zowel vrouwen als mannen. Voor vrouwen is de gemiddelde leeftijd van de laatst bekende veroordeling 41 en voor mannen 39. De gemiddelde lengte van de criminele carrière voor vrouwen die tenminste twee keer veroordeeld werden is 15 jaar. Voor mannen zelfs 19 jaar. In tegenspraak met de tweede stelling van Farrington gaan zowel vrouwen als mannen in de CCLS veel langer door met het plegen van delicten.

Stelling 3: een klein deel van de daders is verantwoordelijk voor een relatief groot deel van de totale criminaliteit

Het is een bekend gegeven binnen de criminologie dat een klein deel zeer actieve daders, of ‘veelplegers’, verantwoordelijk is voor een disproportioneel groot deel van de totale criminaliteit. In totaal werden de 432 vrouwen in de CCLS-steekproef veroordeeld voor 1674 feiten: een gemiddelde van 9,7 delict per dader. De 4180 mannen in de CCLS werden in totaal voor 52.318 feiten veroordeeld. Dat is een gemiddelde van 12,5 per dader.

Als we een ‘veelpleger’ definiëren als iemand die voor meer dan 5 feiten veroordeeld is, dan kunnen we 21% van de vrouwen en 58% van de mannen aanmerken als veelpleger. Kijken we naar de 10% actiefste vrouwen (vrouwen veroordeeld voor meer dan 9 feiten) dan zien we dat die 10% verantwoordelijk is voor 43% van het totaal aantal geregistreerde feiten. Voor mannen is de oververtegenwoordiging nog sterker: de 10% actiefste mannen (mannen veroordeeld voor 31 feiten of meer) is verantwoordelijk voor meer dan de helft (57%) van de in de CCLS geregistreerde criminaliteit. De stelling dat een klein deel van de daders verantwoordelijk is voor een disproportioneel deel van het totale aantal delicten geldt dus zowel voor vrouwen als voor mannen, al is de oververtegenwoordiging bij mannen wel sterker.

Stelling 4: een vroege start voorspelt een actieve criminele carrière

De vierde stelling van Farrington gaat over het verband tussen startleeftijd en de frequentie van crimineel gedrag. Eerder onderzoek liet zien dat daders die al op jonge leeftijd problematisch gedrag vertonen, een grotere kans hebben om een patroon van frequent en langdurig crimineel gedrag te ontwikkelen. Deze daders hebben zo’n problematische ontwikkeling achter de rug dat zij, eenmaal volwassen, nauwelijks nog te veranderen zijn – hun criminele carrière kenmerkt zich dus door vroeg starten, veel plegen en lang doorgaan. Dit in tegenstelling tot de (veel grotere) groep daders die zich alleen tijdens de tienerjaren schuldig maakt aan delicten, maar er als volwassenen ook weer mee stoppen – dus later starten, weinig delicten plegen en eerder stoppen (zie stelling 1 en 2).

Ook in de criminele carrières van vrouwen veroordeeld in 1977 blijken een vroege start en een hoge delictsfrequentie met elkaar verband te houden: vrouwen die meer dan 5 veroordelingen in hun criminele carrière hebben, beginnen die criminele carrière gemiddeld op 23-jarige leeftijd. Vrouwen die minder dan 5 veroordelingen hebben, beginnen gemiddeld op 32-jarige leeftijd. Mannelijke veelplegers beginnen hun criminele carrière gemiddeld zelfs al met 18 jaar. Farringtons stelling wordt dus bevestigd.

Stelling 5: veelplegers zijn gewelddadig

De laatste stelling heeft betrekking op de aard van het criminele gedrag – het type criminaliteit waar daders zich schuldig aan maken. De meeste criminologische theorieën voorspellen dat daders erg divers zijn in hun criminele gedrag: daders plegen verschillende typen delicten en specialiseren zich niet of nauwelijks. Theorieën die onderscheid maken in verschillende typen daders (stelling 4) voorspellen wel een verschil in de aard van het criminele gedrag van deze typen. Als gevolg van hun problematische achtergrond zouden veelplegers zich vaker dan tijdelijke daders schuldig maken aan geweldscriminaliteit.

Vrouwen in de CCLS-steekproef blijken vooral te worden veroordeeld voor vermogensdelicten. Vrouwen met meer dan 5 veroordelingen hebben meer kans op tenminste 1 veroordeling voor geweld dan vrouwen met ten hoogste 4 veroordelingen (resp. 38% en 10%). Toch bestaat onafhankelijk van het totale aantal veroordelingen meer dan de helft van het aantal veroordelingen van vrouwen uit veroordelingen voor vermogensmisdrijven en neemt het aandeel geweldsdelicten niet toe met het stijgen van het aantal delicten. Voor mannen geldt juist dat hoe meer veroordelingen de criminele carrière telt, hoe groter het aandeel vermogensdelicten in die carrière. Anders dan op grond van de twee-typen-daders theorie werd verwacht zijn veelplegers dus niet gewelddadiger dan daders met minder veroordelingen in hun criminele carrière.

Vrouwen blijken hun criminele carrière pas laat te beginnen, ver na hun puberteit. Dat betekent dat het criminele gedrag van vrouwen op een andere manier moet worden verklaard dan dat van mannen.

Vrouwen gaan anders in de fout dan mannen

Er zijn belangrijke overeenkomsten in de criminele carrières van vrouwen en mannen, zo laat deze studie zien. Maar er zijn ook grote verschillen. Vrouwen beginnen hun criminele carrière doorgaans veel later dan mannen. Dit betekent dat theorieën die de oorzaak van crimineel gedrag van jongens vooral zoeken in de jeugd en adolescentie waarschijnlijk minder geschikt zijn om te verklaren waarom meisjes en vrouwen een carrière in de criminaliteit beginnen. Ook onder vrouwelijke daders komt een groot deel van de criminaliteit op conto van een relatief klein aandeel zeer actieve daders. Deze vrouwelijke ‘veelplegers’ starten hun criminele carrière eerder dan andere vrouwen, maar zelfs een ‘vroege start’ betekent in dit verband nog na het twintigste jaar.

Theorieën die het frequente criminele gedrag van veelplegers proberen te verklaren leggen de oorzaak hiervan veelal in de kindertijd. Onduidelijk is waarom voor veelplegende vrouwen de criminele carrière niet al start voor het 18de jaar, zoals dat bij mannen het geval is. Tot slot blijken veelplegers niet gewelddadiger dan niet-veelplegers en maken vrouwen zich vooral schuldig aan vermogensdelicten. Samengevat onderschrijven de resultaten van dit onderzoek het idee dat -meer dan wellicht bij mannen het geval is- risicofactoren voor crimineel gedrag van vrouwen moeten worden gezocht in de omstandigheden waarin deze vrouwen zich in hun volwassen leven bevinden, zoals drugsverslaving, financiële problemen of een relatie met een criminele man.

Mr. dr. Arjan Blokland is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR). Het hier besproken onderzoek maakt deel uit van een groter project, de Criminele Carrière en Levensloop Studie (CCLS), waarin de (criminele) levensloop van deze groep veroordeelden in kaart wordt gebracht.

Bron:

Block, C.R., Blokland, A.A.J., Van der Werff, C., Van Os, R. & Nieuwbeerta, P. (2010) Long-term patterns of offending in women. Feminist Criminology, 5(1) 73-107.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).
© Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 september 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.