Naar de content

Taalwetenschap heeft veel meer te bieden!

Een doosje met gillende keukenmeiden vuurwerk. Naast het doosje zijn twee losse pijlen afgebeeld.
Een doosje met gillende keukenmeiden vuurwerk. Naast het doosje zijn twee losse pijlen afgebeeld.
Broekhoff Vuurwerk / Crown Collection

Had u ze goed? Blankebabybilletjesprivilege? Gillendekeukenmeidenvertoon? Bollewangenhapsnoeten? Het was weer de maand van het Groot Dictee. Een gebeuren waar ik me altijd met een of ander flauw smoesje aan onttrek. Maar laat ik nu eens uitleggen waarom ik er zo’n hekel aan heb.

29 december 2014

Dit redactioneel weerspiegelt de mening of visie van de redacteur. Hoewel wetenschappelijk onderbouwd en beargumenteerd, is het een persoonlijke mening en geen wetenschappelijk feit. Ben je het (niet) eens met de auteur? Geef dan vooral ook een reactie hieronder.

Dat ik een hekel heb aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal heeft alles te maken met het feit dat ik neerlandica ben. En dat sommige mensen denken dat je dan opgeleid bent in ‘goed kunnen spellen’. Als ik zeg dat ik me gespecialiseerd heb in taalwetenschap, weten mensen vaak niet wat ze zich daarbij voor moeten stellen. Mensen associëren taal meestal met spelling of zinsontleding, en hebben verder geen flauw benul. Dat zou ook heel anders kunnen zijn.

Hiermee wil ik overigens niet zeggen dat spelling geen boeiend onderwerp is voor een taalwetenschapper – integendeel. Er zijn de afgelopen jaren een aantal ontzettend interessante onderzoeken gedaan naar de spelling. Bijvoorbeeld naar de manier waarop spelling ons denken beïnvloedt. Zo blijkt dat mensen die aardbeienjam lezen, met de meervoudsvorm aardbeien, meer aardbeien voor zich zien dan mensen die strawberry jam lezen, met het enkelvoudige strawberry. Of nog zoiets fascinerends: het mkaat neit uit in wlkee vloogdre de ltteers in een wrood saatn, het einge wat blegnaijrk is is dat de eretse en de ltaatse ltteer op de jiutse patals saatn! Spelling geeft dus inzicht in de manier waarop wij taal verwerken.

Terwijl ik over dit redactioneel nadacht, viel de oratie van Jan-Wouter Zwart bij mij in de brievenbus. Alsof het zo had moeten zijn. Deze Groningse hoogleraar schreef eerder een pleidooi voor taalkunde als schoolvak, net als wiskunde, natuurkunde of biologie. Gek eigenlijk dat het dat nog niet is, als je bedenkt dat taal de belangrijkste bron is voor inzicht in het menselijk denken. Net als die andere schoolvakken helpt kennis over taal je beter begrijpen hoe de wereld in elkaar zit. Dat taalkunde in het huidige onderwijs niet gezien wordt als zodanig, komt volgens Zwart doordat het nog te veel gezien wordt als ‘nuttig’. Vandaar de nadruk op taalvaardigheden.

Natuurlijk is het heel nuttig om op school goed te leren lezen, schrijven en formuleren. Maar het is jammer dat de exameneisen voor het vak Nederlands alleen gaan over taalvaardigheden en literatuur. De taalwetenschap heeft ons inmiddels zo veel kennis te bieden, maar die kennis bereikt scholieren maar mondjesmaat. Alleen docenten die een persoonlijke interesse hebben voor taalwetenschap, zullen hun leerlingen af en toe eens confronteren met het verschil tussen mensentaal en communicatie bij apen, of een lesje geven in kindertaalverwerving of tweetaligheid. Maar ook die docenten zullen deze lessen nooit prioriteit geven, zolang de exameneisen daar niet naar vragen.

In zijn oratie gaat Zwart dieper in op de wetenschappelijke benadering van taal. Hij laat zien dat het in de wetenschap gaat om beschrijven van wetten (zoals ‘natuurwetten’) en niet om gewoonten – iets dat bij het schoolvak Nederlands nu juist wél gebeurt. Het lesprogramma benadrukt hoe we zouden moeten schrijven, spellen en formuleren, en niet hoe het zou kunnen. Terwijl het laatste vanuit taalwetenschappelijk oogpunt veel interessanter is. Waarom kunnen we in spreektaal wel een zin als Hun hebben het boek gelezen maken, maar niet een zin als Het boek hebben gelezen hun?

Ook Jan Stroop hamert hierop in zijn nieuwste boek Die taal, die weet wat. Dat niemand zegt Het boek hebben gelezen hun laat zien dat taal op een bepaalde manier gestructureerd is. Dat daar wetmatigheden aan ten grondslag liggen, die gestuurd worden door onze cognitie. Het laat zien dat ons brein een zin onmiddellijk opdeelt in structuren. En dat we heel complexe zinsstructuren kunnen begrijpen door kleinere eenheden te combineren tot grotere. Inzichten in de wetmatigheden in ons taalvermogen die niet alleen interessant zijn voor taalwetenschappers, maar voor iedereen die meer wil weten van de wereld om zich heen.

ReactiesReageer