Je leest:

Beresterk bodemdiertje overleeft overal

Beresterk bodemdiertje overleeft overal

Auteur: | 15 maart 2012

Als een klein bolletje wordt hij meegenomen door de lucht. Zwervend van plek naar plek. Plots komt hij in een plasje water terecht en binnen een paar minuten ontvouwen zich vier paar pootjes onder het dikke bolletje vandaan. Aan ieder pootje zit een klein klauwtje. Oogjes heeft het niet. Met zijn kleine, koddige, bolle lijfje en acht pootjes begint het beerdiertje heel langzaam rond te kruipen. Hij is net wakker geworden na enkele jaren slaap.

Pak een stukje mos, sprenkel er wat water over en laat het even liggen. Haal dan het mos weg en bekijk het plasje water met een dissectiemicroscoop. Grote kans dat je ze ziet. Kleine beestjes van nog geen millimeter groot. Het zijn beerdiertjes die van natte plekjes houden. De grootste kans om ze te vinden is dan ook in mosrijke omgevingen of in plassen zoet water, waar ze met honderden op een vierkante centimeter leven. Waar dat is maakt niet uit; op de hoogste bergtop, in een koud gebied of juist heel erg warm. Klein als ze zijn kunnen ze heel wat hebben.

Beerdiertje op een stukje mos
Een beerdiertje van de soort Paramacrobiotus kenlanus, zittend op een stukje mos.
European Atlas of Soil Biodiversity / Eye of Sciences

Naam: Beerdiertje Klasse: Tardigrada Uiterlijk: Bol, koddig lijfje met vier paar pootjes. Geen oogjes, wel twee lichtgevoelige plekjes op zijn kop. Naast zijn bek heeft hij twee stiletto’s waarmee hij zich vastzet aan zijn prooi. Lengte: Tussen de 0,5 mm en 1 mm Dieet: de meeste beerdiertjes hebben een carnivoor dieet. Sommige soorten eten ook de sappen uit plantencellen. Leeftijd: Van enkele maanden tot enkele jaren. Doordat ze in extreme winterslaap kunnen gaan kunnen ze hun leven aanzienlijk verlengen. Bijzonder: Beerdiertjes kunnen in de meest extreme omstandigheden overleven als ze in slaap zijn. -270°C, +100°C, extreem droog, hoge of lage druk; hij overleeft het allemaal.

Langzame loper

In 1773 beschreef de Duitse pastoor Johann August Ephraim Goeze (1731-1793) voor het eerst een beerdiertje. Goeze was ook de eerste die het beerdiertje tekende. Zes jaar later zorgde de Italiaanse bioloog Lazzaro Spallanzani voor de eerste wetenschappelijke omschrijving van het diertje. Hij gaf het de Latijnse naam Tardigrada, vanwege de langzame bewegingen van het beestje.

Lichaamssappen opzuigen

Beerdiertjes kunnen in zeewater, brak water en zoet water leven, maar het liefste kruipen ze in een stukje mos. De beerdiertjes die op het land leven worden iets groter dan hun familie in zee; zo’n één millimeter groot. De beerdiertjes in zee zijn ongeveer 0,5 millimeter en hebben in plaats van kleine klauwtjes ook weleens andere aanhangsels aan hun pootjes. Daarnaast hebben ze aan hun kop twee scherpe stiletto’s die helpen bij het jagen.

Er is niet heel erg veel bekend over hun eetgewoonten, maar de meeste diertjes zijn carnivoor, of in ieder geval omnivoor. Ze jagen het liefst op protozoa, raderdiertjes en rondwormen die in dezelfde omgeving leven. Zien ze een lekker hapje dan zetten ze binnen een paar seconden hun scherpe stiletto’s in hun prooi vast en zuigen ze met hun mond de lichaamsvloeistoffen op. Sommige soorten beerdiertjes eten liever vegetarisch en zuigen cellen van mossen of groene algen uit.

Eetend beerdiertje
Een etend beerdiertje van de soort Paramacrobiotus tonollii.
European Atlas of Soil Biodiversity / Eye of Sciences

Oud en veelzijdig

De klasse van de beerdiertjes is al aardig oud. Het oudste fossiel van een beerdiertje is 92 miljoen jaar oud en komt uit de periode van het Krijt. Er zijn ook enkele fossielen van 550 miljoen jaar oud uit het Cambrium gevonden, die mogelijke voorvaderen van de beerdiertjes zijn. Door de jaren heen zijn er flink wat soorten beerdiertjes gevonden en tegenwoordig zijn er meer dan 1000 verschillende soorten bekend die over de hele wereld voorkomen.

Solo seks

Je zult niet snel twee beerdiertjes seks zien hebben. Veel soorten kunnen zich namelijk ‘maagdelijk voortplanten’, een vorm van ongeslachtelijke voortplanting waar de vrouwtjes geen mannetje voor nodig hebben. Een eitje hoeft niet bevrucht te worden om uit te groeien tot een nieuw beerdiertje.

Eitje van een beerdiertje
Een eitje van een beerdiertje van de soort Macrobiotus sapiens.
European Atlas of Soil Biodiversity / Eye of Sciences

Dat kan een groot evolutionair voordeel zijn bij het koloniseren van een nieuwe habitat. Een enkel vrouwtje kan in haar eentje een nieuwe populatie stichten. Veel soorten beerdiertjes leggen een enkel eitje dat er per soort heel verschillend uit kan zien. Ook zijn er soorten die een groep eitjes samen met hun huid afwerpen tijdens het vervellen.

Alle beerdiertjes vervellen hun hele leven lang. Het verschilt van soort tot soort hoe lang het duurt voordat de eitjes volgroeid zijn. Dat kan enkele dagen duren, maar ook een paar maanden. Over die ontwikkeling is weinig bekend; er verscheen slechts een handjevol publicaties over.

Extreme slapers

De beerdiertjes van het land zijn bekend geraakt door een bijzondere eigenschap. Ze kunnen namelijk jaren in een soort slaapstand gaan. ‘Cryptobiose’ heet dat. Normaal bestaat een beerdiertje voor 85 procent uit water maar als er extreme droogte aanbreekt, brengt het diertje dit terug tot drie procent.

Beerdiertje in rust
Dit beerdiertje is in diepe slaap en kan wel wat water gebruiken.
European Atlas of Soil Biodiversity / Eye of Sciences

Hij rolt zichzelf op, schrompelt ineen tot een derde van zijn oorspronkelijke grootte en lijkt morsdood. Er is zelfs geen stofwisseling meer waarneembaar. In deze toestand kan het beerdiertje meegevoerd worden door de wind en is hij bestand tegen extreme druk, hoge én lage temperaturen.

Best handig voor de beerdiertjes die bijvoorbeeld op de mossen in het Arctisch gebied leven. Tijdens de hele winter slapen ze en in de korte zomers zijn ze wakker. Om wakker te worden is niet veel nodig. Wanneer de diertjes opnieuw blootgesteld worden aan water zijn ze binnen een paar minuten wakker en kruipen ze weer verder. Doordat het diertje dit kan doen kan het zijn leven heel wat oprekken. Van een paar maanden tot een paar jaar.

Bijna beroemd

Toen bioloog en Nobelprijs-winnaar Sydney Brenner een modeldiertje zocht voor genetisch onderzoek binnen de ontwikkelingsbiologie en neurobiologie, dacht hij ook even aan beerdiertjes. Toen hij erachter kwam hoeveel neuronen een beerdiertje had, werd hem dat te ingewikkeld en kwam hij bij de worm C. elegans uit; het eerste organisme waarvan het hele genoom in kaart werd gebracht.

Omgekeerd werkt het ook. Het beerdiertje kan ook nog boller worden dan hij al is. Dat gebeurt wanneer het té vochtig wordt. Bijvoorbeeld bij een overstroming; dan zwelt hij op als een spons en laat zich meedrijven door het water. Pas als hij weer is opgedroogd komt hij weer terug in zijn normale vorm.

De ruimte in

In 2007 ontdekten Zweedse onderzoekers dat het beerdiertje in zijn slaaptoestand heel erg veel kan hebben. Ingemar Jönsson van Kristianstad University stuurde een aantal beerdiertjes van twee verschillende soorten met een satelliet de ruimte in. Het onderzoeksteam wilde kijken of de beestjes de heftige combinatie van het ontbreken van lucht, intense straling van de zon en kosmische deeltjes konden overleven.

Na tien dagen keerde de satelliet terug naar aarde. De vacuümtoestand van de ruimte leek de diertjes niet zoveel te kunnen schelen. Nadat ze wat vocht hadden gekregen, kwamen ze binnen dertig minuten uit hun slaap. Ook begonnen ze weer eitjes te leggen waar gewoon gezonde nakomelingen uitkwamen. Maar de UV-straling van de zon, die in de ruimte 1000 keer zo sterk is als op aarde, werd de meeste beerdiertjes toch teveel. Beerdiertjes waren de eerste diertjes die de vacuümomgeving van de ruimte aan bleken te kunnen. Vóór dit experiment was alleen van bacteriën en korstmossen bekend dat ze konden overleven in de ruimte. Beresterk dus, die beerdiertjes.

Bronnen:

  • European Atlas of Soil Biodiversity, JRC European Commission
  • Rachel Courtland, ‘Water bears are first animals to survive space vacuum’, New scientist, 8 september 2008
  • Bob Goldstein, Mark Blaxter, ‘Tardigrades’, Current Biology 12(14), 23 juli 2002
1/14

Leven in de ondergrond

Ze hebben geen aaibare vachtjes, imponerende kleuren of glanzende Disney-ogen. Maar wie bodemdieren van dichtbij bekijkt, ontdekt dat ze over een fascinerende schoonheid beschikken. Bovendien zijn ze van onschatbare waarde voor onze ondergrond. Zonder bodemleven geen vruchtbare akkers en weelderige tuinen. Daarom op Kennislink de komende tijd een serie Bodemdiertjes.

1/14

Het raderdiertje

Het raderdiertje kan jaren uitgedroogd in een soort slaaptoestand verkeren, heeft al miljoenen jaren geen seks gehad en weet parasieten op een slimme manier van zich af te schudden. Klein als hij is, is dit bodemdiertje bijzonder succesvol. Lees verder over het raderdiertje

Wikimedia Commons, CC BY SA 3.0
1/14

De duizend- en miljoenpoot

Hun naam zegt niet zoveel over het aantal poten en de lengte van deze kruipers varieert gigantisch. Maar in welke vorm ook, ze zijn erg nuttig voor onze bodem. Ze recyclen dood plantaardig materiaal en houden planten knagende dieren bij planten weg; een goede zaak voor de koolstofkringloop. Lees meer over de duizend- en miljoenpoot

1/14

De mol

Bijna blind rent hij door zijn smalle gangenstelsel en graaft met een enorme kracht er nog wat tunnels bij. Als hij een worm tegenkomt sprint hij er op af, verlamt hem en legt hem in de voorraadkamer. Dan heeft hij later ook nog wat. Lees meer over de mol

1/14

De mijnspin

Een mier loopt nietsvermoedend over de aarde, niet wetende dat daaronder zich het gangenstelsel van het huis van de mijnspin bevindt. Razendsnel rent de mijnspin naar boven, bijt de prooi met haar vlijmscherpe tanden en trekt hem haar huis in. Lees meer over de mijnspin

1/14

De slijmzwam

Ze hebben uiteenlopende namen van Heksenboter en Bloedweizwam tot Zilveren boomkussen. Ze kunnen zonder hersenen hun weg door een doolhof vinden en zijn zelfs in staat een robot te besturen. De slijmzwam is een intelligentere bodembewoner dan je denkt. Lees meer over de slijmzwam

1/14

De bodemmijt

Zet op een willekeurige plek in het bos je schep in de grond en je haalt zo honderden mijten omhoog. Deze kleine beestjes hebben een uiteenlopend dieet en verzamelen dat al zuigend, stekend of zagend bij elkaar. En ze zijn ook nog eens reuzesterk. Lees meer over de bodemmijt

1/14

De loopkever

Veertig procent van alle insectensoorten die we kennen zijn kevers. Sommigen wonen in een grot in de bergen, anderen zitten in een boomtop van het tropisch regenwoud. Soms vormen ze zelf een plaag, soms worden ze juist ingezet om plagen te voorkomen. En klein als ze zijn weten ze zich goed te verweren, dat ondervond Darwin zelfs al tijdens een van zijn reizen. Lees meer over de loopkever

1/14

De bodemschimmel

Hoewel je bij een schimmel misschien snel aan de groene spikkels op je bedorven appel of brood denkt, zijn er veel meer soorten. De soorten die in de bodem leven bijvoorbeeld. Bodemschimmels kunnen een heel groot deel van de biomassa onder de grond beslaan. Ze komen in alle soorten en maten voor en spelen een hele belangrijke rol in de ecosystemen van de bodem. Lees meer over bodemschimmels

1/14

De mier

Geen soort zo sterk, geen soort die zo goed samenwerkt. Geen soort met zoveel opmerkelijke eigenschappen. Je vindt ze overal, behalve op de polen. Waar je ook ter wereld even goed om je heen kijkt in het zand zie je ze alweer lopen. Mieren. Soms met tientallen, soms met miljoenen tegelijk. Alhoewel ze soms heel irritant kunnen zijn, zijn ze bovenal bijzonder indrukwekkend. Lees meer over de mier

1/14

Het beerdiertje

Als een klein bolletje wordt hij meegenomen door de lucht. Zwervend van plek naar plek. Plots komt hij in een plasje water terecht en binnen een paar minuten ontvouwen zich vier paar pootjes onder het dikke bolletje vandaan. Aan ieder pootje zit een klein klauwtje. Oogjes heeft het niet. Met zijn kleine, koddige, bolle lijfje en acht pootjes begint het beerdiertje heel langzaam rond te kruipen. Hij is net wakker geworden na enkele jaren slaap. Lees meer over het beerdiertje

1/14

De springstaart

In één sprong overbruggen ze met gemak een afstand van zo’n acht centimeter. Geen kunst? Wel wanneer je bedenkt dat springstaarten zelf een lengte van enkele millimeters hebben. Ruim een factor tien verschil, dus. Alleen: wat doen zulke goede springers ondergronds? Lees meer over de springstaart

Steve Hopkin
1/14

De pissebed

Ze hebben hun naam en hun uiterlijk niet mee, maar pissebedden zijn onmisbaar voor onze bodem. Ze recyclen plantaardig materiaal en dragen zo bij aan de koolstofkringloop. Gezond voor de ondergrond dus, en mogelijk zelfs gezond voor ons! Lees meer over de pissebed

1/14

De regenworm

Platgetrapt op het trottoir zien we ze weleens, of hulpeloos bungelend in een merelsnavel. Misschien tijdens een middagje spitten in de tuin. Maar we worden vooral indirect met regenwormen geconfronteerd, door het nuttige bodemwerk dat ze verrichten. Door te graven, te ploegen en te composteren zorgen ze voor een vruchtbare ondergrond. Lees meer over de regenworm

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 15 maart 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.