17 april 2020

Nieuw Marshallplan als steun in de coronacrisis?

Europa heeft een nieuw Marshallplan nodig om de coronacrisis het hoofd te kunnen bieden, vinden Europese leiders. Wat kunnen zij leren van dit plan waarmee Europa na de Tweede Wereldoorlog weer werd opgebouwd?

De afgelopen weken ging het in Europa veelvuldig over eventuele steunmaatregelen aan landen voor de bestrijding van de economische crisis die op de coronacrisis volgt. Hierbij viel vaak de term ‘Marshallplan’. Ursula von der Leyen, de voorzitter van de Europese Commissie, stelde bijvoorbeeld dat Europa een nieuw Marshallplan nodig heeft om de coronacrisis het hoofd te kunnen bieden. Ze kreeg bijval van de Spaanse premier Sanchez en leider van de Christen Unie Gert-Jan Segers. Het originele Marshallplan stamt uit 1947 – dus waarom hebben we het er juist nu over? En wat kunnen de Europese leiders daar nu van leren?

Nederlandse inzending voor The Intra European Poster Competition van het Marshallplan in 1950, gemaakt door I. Spreekmeester.
Bibliotheek Vredespaleis

Op Paaszondag was ik te gast bij het Radio 1 programma OVT, een programma over geschiedenis en actualiteit om hierover te praten.

Moederplan van alle economische hulpplannen

De voornaamste reden dat het Marshallplan nu uit de mottenballen wordt gehaald is omdat het algemeen wordt beschouwd als het moederplan van alle economische hulpplannen. Tussen 1948 en 1952 kreeg Europa ruim 13 miljard dollar aan economische steun van Amerika met het doel de economie weer op te bouwen na de Tweede Wereldoorlog. Dat economische succesverhaal staat in ons collectieve geheugen gegrift. Het originele Marshallplan – vernoemd naar de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken George Marshall – heeft daardoor een haast mythische status gekregen. Na de val van het IJzeren Gordijn werd er bijvoorbeeld ook gepleit voor een Marshallplan voor Oost-Europa. Politici als Von der Leyen, Sanchez en Segers refereren er daarom graag aan.

Toch zullen zij niet snel denken aan een exacte kopie van het plan. Het gaat hen vooral om het oproepen van gevoelens van solidariteit en verantwoordelijkheid. Zoals Amerika in 1947 – als rijk land – verantwoordelijkheid nam om Europa te helpen en solidair te zijn, zo moeten ook nu de rijke landen de armere Europese landen helpen, vinden zij. In dit geval gaat het dus vooral om steun van de rijkere Noord-Europese landen aan de armere Zuid-Europese landen. Hoewel de discussies over deze economische hulp vaak heel erg technisch van aard zijn – het gaat over Eurobonds, het opkomen van staatsobligaties, gemeenschappelijke schulden, quantitative easing – draait het in werkelijkheid om solidariteit en verantwoordelijkheid. En zo was het ook ten tijde van het originele Marshallplan.

Solidariteit

In mijn proefschrift, waarin ik onderzoek doe naar het oorspronkelijke Marshallplan en Europese economische samenwerking, spelen juist die gevoelens van solidariteit en verantwoordelijkheid een belangrijke rol. De Amerikanen drongen aan op hechtere Europese samenwerking bij de verdeling van de gelden van het Marshallplan. Dit gebeurde via de Organisation for European Economic Cooperation (OEEC), die in 1948 in Parijs werd opgericht. Ieder jaar moesten de Europese landen samen een nieuwe verdeling van de hulp maken – die jaarlijks door het Amerikaanse Congres werd goedgekeurd. Wat opvalt in deze samenwerking is de enorme urgentie en de bevlogenheid die de betrokken beleidsmakers gevoeld hebben.

Toen bijvoorbeeld in 1948 en 1949 de samenwerking dreigde vast te lopen omdat de landen moeite hadden om de Marshallhulp eerlijk te verdelen, gaven ideeën van solidariteit en verantwoordelijkheid de doorslag. Niemand wilde verantwoordelijk zijn voor het opblazen van de gehele Europese samenwerking simpelweg door het eigen belang (van een groter aandeel in de hulp) na te jagen. Jean-Charles Snoy et d’Oppuers, de voorzitter van de OEEC, verwoordde het in 1948 als volgt: wanneer Europa faalde de hulp op een goede manier te verdelen, dan zouden de consequenties van ‘catastrophic proportions’ zijn.

Sociale en economische stabiliteit

Het grote belang dat de Europese landen gezamenlijk hadden bij de Marshallhulp was dat het sociale en economische stabiliteit bood. Via Marshallhulp kregen Europese landen na de oorlog ruimte om te investeren in de economie, zonder dat ze hiervoor enorm hoefden te bezuinigen. Hierdoor konden arbeiders aan het werk, kregen zij loon, en profiteerden zij van een hogere levensstandaard. Via de Marshallhulp werd dus de sociale, economische en politieke stabiliteit in Europa verzekerd. Dit was natuurlijk ook in het Amerikaanse belang: alleen een economisch stabiel Europa kon een plaats krijgen in het wereldwijde systeem van vrije handel. Europese consumenten konden dan Amerikaanse producten kopen. Daarnaast speelden ook politiek en ideologie een rol: een pover, vervallen en chaotisch Europa was immers een makkelijke prooi voor communistische invloeden. Frans Timmermans verwoordde het vorige week mooi: ‘in iedere vorm van solidariteit zit een kern van verlicht eigenbelang ’.

George Marshall onderweg naar het podium voor zijn toespraak op 5 juni 1947.

Precies die solidariteit en verantwoordelijkheid – vermengd met een vleugje eigenbelang – inspireerden George Marshall in 1947 om Europa te helpen. Eenzelfde soort solidariteit vermengd met eigenbelang is ook nu nodig om (met name) Zuid-Europa te helpen. Helaas blijkt de geest van Marshall nog ver te zoeken. Ondanks het tot stand komen van een Europees noodpakket ter waarde van 540 miljard dollar is er geen sprake van echte solidariteit tussen de Europese landen. NRC kopte na het bereiken van het akkoord dat vooral ‘de Nederlandse koppigheid blijft hangen ’. Landen als Spanje, Portugal en Italië willen graag goedkope leningen (Eurobonds), maar landen als Nederland, Duitsland, Oostenrijk en Finland willen daar strenge voorwaarden aan verbinden omdat ze bang zijn dat ze de melkkoe van het arme Zuiden worden.

Dit leidt tot verhitte debatten, die in alle openbaarheid worden gevoerd. Zo vroeg de Portugese premier Costa zich vorige week af of Nederland nog wel lid van de Europese Unie (EU) wil zijn, als het zich zo hard opstelt. In feite ‘ontmaskert’ het coronavirus de status van de Europese samenwerking, zoals mijn promotor Mathieu Segers al schreef in een artikel voor het Financieel Dagblad.

Wederzijds wantrouwen

Het noodplan waarmee Europa op de proppen kwam is nog lang geen Marshallplan. Niet alleen omdat het eerder een vrucht is van wederzijds wantrouwen dan van solidariteit en verantwoordelijkheid, maar ook omdat er geen sprake is van een meerjarig steunprogramma dat tot doel heeft sociale en economische stabiliteit te creëren. Toch moeten de Europese leiders er samen uit komen. Die druk is misschien wel groter dan eind jaren veertig. Destijds was solidariteit de basis voor de eerste stappen op het gebied van Europese samenwerking, nu kan het gebrek eraan mogelijk leiden tot het ontrafelen daarvan.

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

Heb je gevonden wat je zocht?
We zijn onze zoekresultaten aan het verbeteren. Jouw antwoord helpt ons hierbij.