Naar de content

Walvis op de snijtafel

Interview met walvisonderzoeker Lonneke IJsseldijk

Nynke Kouwenhoven, Multimedia UU voor gebruik op NEMO Kennislink

De 28-jarige Lonneke IJsseldijk leidt het landelijke onderzoek naar de strandingen van walvissen. Ze ontleedde al ruim duizend dieren, voornamelijk bruinvissen. “Het is spannend om de doodsoorzaak te achterhalen.”

30 maart 2020

Zestien was ze en haar grootste wens was om met walvissen te werken. Varen over zee, walvispopulaties tellen en gedragsonderzoek doen. Maar in Nederland zwemmen niet zoveel walvissen rond, dus moest er een plan B komen. Totdat haar biologieleraar een aangespoelde bruinvis vond en besloot deze zelf te onderzoeken in zijn achtertuin. Illegaal, want bruinvissen zijn beschermd.

De leraar gaf zijn bevindingen door aan Utrechtse onderzoekers die ieder jaar een snijweek organiseerden om aangespoelde walvissen te onderzoeken. Ze zochten nog vrijwilligers om te helpen en haar docent stuurde IJsseldijk erheen. “Ik was een meisje-meisje en dat snijwerk leek me helemaal niets voor mij. Maar het bleek heel leuk.” IJsseldijk bleef vrijwilliger, volgde een studie Biologie en leidt inmiddels aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht het Nederlandse strandingsonderzoek in opdracht van de overheid.

Meestal onderzoekt IJsseldijk bruinvissen, maar soms krijgt ze een ander zeezoogdier op haar snijtafel, zoals deze spitssnuitdolfijn.

Bas Niemans, Multimedia UU voor gebruik op NEMO Kennislink

Vind je het nu nog steeds zo leuk om te doen?

“Ja. Ik vind het mooi dat je het hele dier ziet. Als je op zee werkt, zie je nooit het hele dier. En het is ook spannend om de doodsoorzaak te achterhalen. Ik wil hier nooit meer weg.”

Vorig jaar strandden er 514 walvissen, waarvan 504 bruinvissen. Waarom stranden er zoveel bruinvissen?

“Bruinvissen stranden om uiteenlopende redenen. Troep in zee kan een oorzaak zijn, maar een botsing met een schip of een aanval van een zeehond net zo goed. Ik maak me weleens zorgen dat zoveel bruinvissen stranden in zo’n klein land. Dat kan komen doordat we een zwak deel van de populatie hebben. En er zijn veel bruinvissen, dat kan een vertekend beeld geven. Vooral de wintermaanden zijn drukke maanden, dan sta ik hier dagelijks.”

Geen dolfijn

De bruinvis lijkt op een dolfijn maar is een kleine walvis van maximaal 1.80 meter lang. Het is de meest voorkomende walvissoort in de Noordzee. Hun rug is donkergrijs, zodat ze niet opvallen in het zeewater en hun buik is wit zodat vissen ze niet zien als ze eronder zwemmen. Ze jagen op kleine soorten zoals sprot, grondel, wijting en haring. Volgens schattingen leven er zo’n 85.000 dieren in het Nederlandse deel. Bruinvissen zijn pas een jaar of dertig weer te zien langs onze kusten. Tot 1940 zwommen ze er in overvloed maar ze verdwenen en niemand weet waarom.

Waarom stranden er zoveel dieren in de winter?

“Dat weten we niet precies. Ik denk dat dode dieren makkelijker aanspoelen door de wind die richting onze kust staat. Het kan ook zijn dat dieren nu dichter bij de kust zwemmen, bijvoorbeeld vanwege de temperatuur van het water of omdat ze prooien volgen die van het noorden naar het zuiden trekken.”

Hoe komen de dieren bij jou terecht?

“Via vrijwilligers van diverse natuurorganisaties die zeezoogdieren in nood helpen. Zij zijn vaak bereid om dode dieren naar mij te brengen. Ook bestuurders van dierenambulances willen rijden als ze geen andere dieren moeten vervoeren en soms halen we ze zelf op.”

Belanden alle dieren bij jou in de snijzaal?

“Nee, niet alle dode bruinvissen stranden. En niet alle gestrande bruinvissen krijg ik hier. Als een dier al te verrot is, heeft het geen zin om hem te onderzoeken. We krijgen hier ook weleens andere soorten. Alle verse walvissen tot 2000 kilo komen hier. De meeste bruinvissen onderzoek ik alleen, of met een collega. Als ze groter zijn, zoals potvissen of vinvissen, ga ik naar het strand met een team.”

Bij potvisstranding is er altijd veel publiek. Deze potvis strandde in december 2017.

Bas Niemans, Multimedia UU voor gebruik op NEMO Kennislink

Hoe is het om een potvis te onderzoeken?

“Heel bijzonder. Er is altijd veel publiek, mensen stellen veel vragen. Van bruinvissen weet ik vrijwel alles, ik weet wat afwijkend is en waar ik op moet letten. Ik vind het fijn dat ze in zijn geheel op mijn snijtafel passen en dat ik ze alleen kan onderzoeken. Potvissen zijn heel groot en onderzoek je met meerdere mensen. De laag blubber is enorm en je pakt niet even een orgaan eruit om het te bekijken. Ik moet veel vaker vragen aan andere onderzoekers of dingen afwijkend zijn.”

Hoe achterhaal je de doodsoorzaak van een bruinvis?

“Bij een sectie bekijken we eerst de buitenkant. Ik weeg het dier en meet hoe lang hij is. Vervolgens kijk ik of er wonden zijn die de dood kunnen verklaren. Vaak is een dier aangepikt door vogels. Als er bloeduitstortingen in die pikwondjes zitten, is de kans groot dat het dier nog leefde toen hij op het strand belandde. We maken veel foto’s.”

“Daarna snijd ik het dier open en lopen we een voor een alle organen langs. Ik kijk of ik parasieten zie, schrijf op wat er in de maag zit en meet de vetlaag op. Van alle organen snijd ik kleine stukjes af voor het microscopische onderzoek dat later door een veterinair patholoog wordt gedaan. De uiteindelijke doodsoorzaak is een optelsom van dingen die we vaststellen en dingen die we uit kunnen sluiten.”

Een paar jaar terug ontdekten jullie dat grijze zeehonden bruinvissen kunnen doden. Hoe kwam je daarachter?

“In 2012 legden Belgische onderzoekers voor het eerste de link. Zij zagen een verminkte bruinvis op het strand en een zeehond die in zee zijn kop op stak. Het leek mij eerst volstrekte onzin dat een zeehond zo’n groot dier zou kunnen doden. Maar aan de hand van alle foto’s die we gemaakt hadden, zijn we alle dieren met ernstige verminkingen opnieuw gaan bekijken. Dat is ongeveer 20 procent van alle dode bruinvissen.”

“De wonden hadden allemaal heel scherpe lijnen. Tot dan toe gaven we scheepsschroeven of vissers de schuld, we dachten dat de dieren met messen uit een net waren gesneden. We hebben toen met Wageningen Universiteit en het Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek een vervolgstudie opgezet waarbij we DNA uit vergelijkbare wonden onderzochten. Dat bleek van de grijze zeehond te zijn. Overigens zijn er ook dieren die een aanval van een grijze zeehond overleven, maar later aan bloedvergiftiging overlijden. In de zeehondenbek zit soms de bacterie Neisseria animaloris en niet alle bruinvissen overleven die infectie.”

Als IJsseldijk een bruinvis ontleedt, bekijkt ze een voor een alle organen en snijdt er kleine stukjes af voor het microscopische onderzoek.

Nynke Kouwenhoven, Multimedia UU voor gebruik op NEMO Kennislink

De Nederlandse overheid financiert het strandingsonderzoek. Waarom is het voor hen een belangrijk onderwerp?

“De bruinvis is een beschermde soort en we zijn daarom verplicht om het onderzoek te doen. In 1991 hebben verschillende Europese landen het ASCOBANS-verdrag gesloten en daarom moeten die landen zich inzetten voor de instandhouding van dolfijn- en walvispopulaties.”

“Daarnaast is er maatschappelijke druk, we zijn wat dieren betreft een knuffelland. Als er grote dieren stranden worden er bijna altijd Kamervragen gesteld. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wil daarom weten of de strandingen het gevolg zijn van menselijk handelen, bijvoorbeeld door bijvangst of de aanleg van windmolenparken. Momenteel hebben we vier parken, maar als we onze energiedoelstellingen willen halen, zal in 2050 tot 40 procent van de Noordzee bedekt zijn met windmolens.”

Waarom is de aanleg van windmolenparken gevaarlijk voor walvissen?

“Om de funderingen te leggen, worden er grote palen met duizenden klappen de bodem ingeslagen. Die heiklappen vormen een groot probleem voor bruinvissen. Bruinvissen kunnen in de troebele Noordzee amper iets zien en zijn volledig afhankelijk van geluid dat ze maken en dat terugkaatst, zodat ze zich kunnen oriënteren. Het heien kan ervoor zorgen dat bruinvissen verstoord raken of zelfs doof worden, waardoor ze sterven.”

“Eind oktober is de aanleg van de windmolenparken bij Borssele begonnen. Ik houd goed in de gaten of de strandingspatronen nu veranderen. En bij alle vers gestrande dieren verzamelen we de oren om beschadigingen aan de trilharen te kunnen onderzoeken. Dat is moeilijk vast te stellen, want de trommelvliezen vergaan binnen een dag.”

Is er een sectie die je het meest is bijgebleven?

“Ik vind zwangere vrouwtjes heel bijzonder. Ik zie ze in alle stadia. Van net zwanger tot dieren die sterven tijdens de bevalling. Omdat bruinviskalveren meteen moeten kunnen zwemmen, zijn ze behoorlijk groot: ongeveer 10 procent van het lichaamsgewicht van de moeder. De vrouwtjes zijn gemiddeld 1.60 meter en hun jong 70 centimeter. Ze investeren tien maanden veel in één kalf. Als zo’n moeder verstrikt raakt in een visnet vind ik dat heel zuur. Dan belanden er twee dieren op mijn tafel die er niet hadden moeten liggen.”

Zie je een gestrande levende walvis? Bel dan Stichting SOS Dolfijn 06 – 65 09 85 76
Leeft het dier niet meer? Volg dan deze procedure

ReactiesReageer