Naar de content

Waarom NEMO Kennislink meedoet aan ‘Het dier als donor’

Maggie Bartlett, NHGRI via Wikimedia Commons, publiek domein

In ‘Het dier als donor’ onderzoekt NEMO Kennislink samen met het Rathenau Instituut hoe de Nederlandse bevolking aankijkt tegen experimenteel onderzoek. Krijgt de publieke opinie iets te zeggen over wat er in het lab gebeurt? Hoofdredacteur Leon Heuts licht toe.

21 mei 2021

Dat wetenschappelijk onderzoek zelden op zichzelf staat, maar vaak raakt aan juridische, politieke en morele kwesties is niets nieuws. Kaliumnitraat, houtskool en zwavel klinken als neutrale termen, maar meng ze in een bepaalde verhouding en maal het mengsel een paar uur in een kogelmolen en je krijgt buskruit. Daarmee is het meteen een politieke en ethische kwestie.

Twee varkens in een stal met hun voorpoten over de reling.

Ga hier naar de themapagina Het dier als donor

Vrij te gebruiken, via Wallpaperuse.com

Moderne wetenschap morrelt aan wat van oudsher duidelijk en onveranderlijk was. Biotechnologie is wel een schoolvoorbeeld. CRISPR-Cas maakt het bijvoorbeeld mogelijk om DNA aan te passen, waarmee onwrikbare grenzen opeens vloeibaar lijken. Zo wordt er ook onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om dieren te gebruiken voor orgaandonatie aan mensen. Dat kan door organen van dieren geschikt te maken voor transplantatie naar mensen, of dieren zo aan te passen dat er organen van mensen in kunnen groeien. Dat laatste is nog toekomstmuziek – veel is nog onduidelijk, of kan gewoonweg niet. Maar het onderzoek ernaar vindt wel al plaats, in laboratoria wereldwijd. Het raakt daarmee meteen aan juridische, morele en politieke kwesties.

Mogelijk biedt het ooit soelaas voor mensen die wachten op een orgaan. Maar moeten we dieren daarvoor willen gebruiken? Kan het volgens de bestaande wetgeving? NEMO Kennislink wil daarom samen met het Rathenau Instituut door journalistieke verhalen en dialogen onderzoeken hoe burgers en belangengroepen hier tegenaan kijken. Want, zoals één van de betrokken redacteurs Anne van Kessel zich terecht afvraagt in haar inleidend stuk: zit de wereld hierop te wachten?

Nu is dat voor NEMO Kennislink best een stap. Journalistiek vindt doorgaans plaats aan de zijlijn. Er is een bepaalde ontwikkeling – een politieke crisis, een grote overname door een multinational, een sportwedstrijd – en de journalistiek doet verslag. De wetenschapsjournalistiek vormt hierop geen uitzondering. Journalisten volgen met een kritische blik wetenschappelijk onderzoek, en berichten erover. Deze vorm van journalistiek is onontbeerlijk in een democratie: zaken die van publiek belang zijn, moeten kritisch worden gevolgd. En zeker in een tijd van desinformatie is het belangrijk om zo objectief als mogelijk feiten weer te geven en te checken.

Middenin het proces

Maar in dit project schuift een journalist van NEMO Kennislink, Lianne Tijhaar, aan bij door de Rathenau Instituut georganiseerde focusgroepen. Daar nemen wetenschappers, burgers en belanghouders aan deel. Tijhaar kijkt naar de manier waarop deze gesprekken verlopen, en wat dat betekent voor het verdere proces. Bovendien organiseren we publieksdialogen, bij NEMO Science Museum en in het land. Kortom: NEMO Kennislink verlaat de zijlijn, die ergens ook best behaaglijk is, en zit middenin het proces van reflectie en meningsvorming. De wetenschap stelt zich daarbij onmiskenbaar kwetsbaar op. Dit is onderzoek waarvan de juridische en ethische gevolgen niet goed te overzien zijn, vandaar dat burgers en belangengroepen erbij betrokken moeten zijn. Maar wat betekent dat eigenlijk?

Het project is gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – wat meteen de vraag oproept in hoeverre NEMO Kennislink journalistiek onafhankelijk blijft. Daar zijn overigens duidelijke afspraken over gemaakt: het ministerie geeft aan juist de journalistieke rol te waarderen, en de redactie bewaakt die grens. Daarnaast is natuurlijk de vraag wat VWS gaat doen met de opbrengst. Speelt dat een rol in beleid of wetgeving? En hoe verhoudt zich dat tot vrijheid van onderzoek? Krijgt de publieke opinie meer te zeggen over wat er in het lab gebeurt? Maar kunnen burgers en belangengroepen het onderzoek wel goed volgen?

In deze tijd van desinformatie zijn vooroordelen snel geschapen. Zeker bij kwesties die op de één of andere manier met ‘onze’ identiteit te maken lijken te hebben, zoals genmodificatie – of de grens tussen mens en dier. Toch denken we dat dit project juist in deze tijd heel belangrijk is. De relatie tussen wetenschap en samenleving is niet meer zo vanzelfsprekend als dat ze was. Een deel van het publiek staat wantrouwend tegenover wetenschappelijk onderzoek. Daar kunnen we, vanaf die zijlijn, minzaam over doen, en vasthouden aan het gelijk van de wetenschap. Maar in een inclusieve en democratische samenleving is het belangrijk om dit wantrouwen te onderzoeken. Tenslotte dient ook wetenschapsjournalistiek de publieke zaak.

Onzekerheid is een groot goed

In één van de belangrijkste politieke werken van de twintigste eeuw, De open samenleving en haar vijanden stelt de Oostenrijkse wetenschapsfilosoof Karl Popper dat niet zozeer desinformatie of nalatigheid ten aanzien van feiten een groot gevaar is voor een democratie, maar fanatiek vasthouden aan zekerheid of de vanzelfsprekendheid van de eigen autoriteit. Onzekerheid is voor een samenleving een groot goed. Wantrouwen, zou Popper zeggen, is juist een symptoom van een samenleving die onzekerheid niet langer kan verdragen. Wie wentelt in het eigen gelijk, is per definitie wantrouwend tegenover iedereen die er anders naar kijkt.

Overigens zou Popper volhouden dat die democratische onzekerheid en wetenschap meer aan elkaar verwant zijn dan op het eerste gezicht lijkt. Goed wetenschappelijk onderzoek is zó ingericht dat het zichzelf onderuit kan halen. Een wetenschapper die stelt dat alle zwanen wit zijn, aldus Popper, wint aan geloofwaardigheid als hij er alles aan doet om een zwarte zwaan te vinden. Hij weet dat zijn theorie slechts voor nu geldig is.

Wetenschap is daarmee volgens Popper niet alleen een verzameling van knappe koppen die volkomen onbevooroordeeld tegenover hun onderzoeksveld staan, maar een gemeenschap waarin onderzoekers elkaar vooruithelpen door tegenwerpingen te geven. Een kritische, maar constructieve betrokkenheid. Bij zo’n betrokken houding hoort ook zelfreflectie: weet ik wel zeker dat dit klopt? De ‘vijanden’ van de open samenleving waar Popper naar verwijst in de boektitel, zijn diegenen die nooit zulke vragen stellen, maar het altijd zeker weten.

Wantrouwen of betrokkenheid

Nu kun je twijfelen of deze kritische betrokkenheid altijd te verenigen is met de alledaagse wetenschapspraktijk. Maar wat wél geldt is dat ook het lab onderdeel is van de wereld, en dat die wereld vragen stelt bij de politieke of morele consequenties van dat onderzoek. Zelfs – of misschien vooral – als het nog onduidelijk is waar dat onderzoek naartoe gaat, zoals in het geval van het dier als donor. Dat hoeft geen teken van wantrouwen te zijn, maar kan óók een manier van oprechte betrokkenheid zijn. Het mooie van dit project is dat onderzoekers zich daarvoor openstellen.

En ja, dat betekent een mate van onzekerheid, die vraagt om vertrouwen. Niet elk onderzoek is goed vertaalbaar voor een breed publiek, en niet alles kan altijd worden bevraagd, want dan is er geen onderzoek meer mogelijk. Hier komt in dit project de wetenschapsjournalistiek om de hoek kijken, om van binnenuit de openheid te helpen een werkbare vorm te geven. We gebruiken daarvoor de methode van de constructieve journalistiek, die uitgaat van het idee dat een journalist helpt bij het oplossen van problemen.

Uiteraard vraagt zo’n project ook om betrouwbare informatie en uitleg over de techniek en de (on)mogelijkheden dat het met zich meebrengt. Dat zullen we als vanouds blijven doen, op de kritische en objectieve manier die je van ons gewend bent.

Ik kan me voorstellen dat een project als deze, en de journalistieke aanpak vragen oproept. Uiteraard kan je me daarvoor mailen: heuts@e-nemo.nl. Naar de themapagina Het dier als donor

ReactiesReageer