Naar de content

'Met grammatica kun je verder terugkijken in de geschiedenis van taal'

Interview met scheidend hoogleraar Taalwetenschap Pieter Muysken

Radboud Universiteit

Wereldwijd worden er zo’n 6000 talen gesproken, verdeeld over ruim 400 taalfamilies. Een kwart van die taalfamilies bevindt zich op één continent: Zuid-Amerika. Pieter Muysken, hoogleraar Taalwetenschap in Nijmegen, blikt deze week in zijn afscheidsrede terug op veertig jaar onderzoek naar deze talen.

9 mei 2017

‘Terug naar Babel’ heet de afscheidsrede die hoogleraar Pieter Muysken vrijdag uit zal spreken, verwijzend naar het Bijbelse verhaal waarin iedereen op aarde dezelfde taal spreekt. Maar is er wel ooit zo’n oertaal geweest en hoe vind je die? Muysken doet zijn ideeën daarover uit de doeken aan de hand van de taaldiversiteit in Zuid-Amerika.

Dat is niet geheel toevallig, want een groot deel van zijn carrière stond in het teken van onderzoek naar de talen op dit continent. Hij promoveerde in 1977 op het Quechua in Ecuador en werd in 1989 hoogleraar Linguïstiek en Kreoolse Studies in Amsterdam. Met de Spinozapremie die hij in 1998 ontving, hielp hij mee alle 34 talen van Bolivia te beschrijven. En in 2008 kreeg hij van de European Research Council (ERC) 2,5 miljoen euro, waarmee hij onderzocht hoe talen elkaar beïnvloeden, waaronder de talen in Zuid-Amerika.

Jong én veel talen

Zuid-Amerika is dan ook een bijzonder continent als je kijkt naar taaldiversiteit. Het werelddeel werd betrekkelijk laat bevolkt; de eerste mensen trokken er pas zo’n 16.000 jaar geleden via de Beringstraat en Noord-Amerika binnen. Ondanks die korte geschiedenis zijn er circa 490 Zuid-Amerikaanse talen gedocumenteerd, die tot 109 verschillende taalfamilies behoren. Maar liefst 70 van deze families bestaan uit slechts één taal, een isolaat. Ter vergelijking: in Europa, waar de mens al zo’n 40.000 jaar langer rondloopt, kennen we maar vier verschillende taalfamilies, waarvan het Indo-Europees verreweg het grootst is. Europa kent één isolaat, het Baskisch.

Hoe ontstonden zo veel taalfamilies in zo’n korte tijd? Muysken: “Het lijkt erop dat de mens zich in zeer kleine aantallen relatief snel over het continent heeft verspreid. Volgens genetici heb je aan zeventig individuen al genoeg om de hele genetische diversiteit van de indiaanse bevolking te verklaren. De bevolkingsdichtheid was tot vierduizend jaar geleden, toen de landbouw daar begon, heel gering. De eerste buurman woonde zo driehonderd kilometer verderop. Pas toen ze begonnen met het verbouwen van cassave, en later ook mais en aardappelen, was er ruimte voor groei binnen de gemeenschappen en nam de bevolking flink toe.” Tegen die tijd had elke gemeenschap al vele duizenden jaren lang zijn eigen taal ontwikkeld.

Een kaart die de verspreidingsroutes van de eerste mens toont.

Onze verre voorouders hebben zich vanuit Afrika over de aarde verspreid. Moleculaire technieken wijzen uit dat Zuid-Amerika als laatst werd bevolkt.

Wikimedia Commons

Taboewoorden

De talen uit de verschillende taalfamilies zijn waarschijnlijk dus toch verwant aan elkaar, we kunnen alleen nog niet ver genoeg terug in de tijd kijken om dat te bewijzen, vermoedt Muysken. “Door woorden uit verschillende talen te vergelijken, kunnen we familiebanden reconstrueren. Zo kunnen we ongeveer 8.000 jaar terug kijken, daar ligt de lexicale horizon. Dat is ook de tijd waarin een taal zijn woordenschat bijna geheel vervangt.”

De woordenschat van een taal verandert continu. Je oma gebruikte op jouw leeftijd heel andere woorden dan jij nu. “Er zit tussen talen veel variatie in die vervangingssnelheid”, vertelt Muysken. “Bij de Zulu’s kennen ze bijvoorbeeld isiHlonipha, waarbij een man geen woorden mag gebruiken die klinken als de naam van zijn schoonmoeder. Als ze Ans heet, mag hij geen ‘krans’ zeggen en moet hij daar een ander woord voor verzinnen. Dan ga je woorden lenen uit andere talen en gaat het heel snel. Aan de andere kant hebben sommige talen uit het Amazonegebied een hele conservatieve woordenschat, omdat ze daar geloven dat leenwoorden de culturele grens tussen jou en de ander vervagen. Er is dus geen standaardritme te noemen, maar feit is wel dat we door deze verandering niet in staat zijn de lexicale horizon voorbij de 8.000 jaar te trekken.”

De bergen van Peru, waar de Shawi wonen. Luis Miguel Berscia, een promovendus van Muysken, onderzoekt hun taal.

Luis Miguel Rojas-Berscia

Siberië in Zuid-Amerika

Muysken en enkele van zijn collega’s denken een manier te hebben gevonden om wél verder terug in de taalgeschiedenis te kunnen kijken: door niet woorden, maar grammaticale kenmerken van talen te vergelijken. “Dat is wel wat lastiger, want binnen een grammaticaal kenmerk heb je minder variatie dan bij woorden. Een taal heeft óf voorzetsels óf nazetsels, terwijl voor het concept ‘paard’ allerlei woorden gebruikt kunnen worden”, legt de hoogleraar uit. “Maar als je nu niet één, maar tweehonderd van die kenmerken vaststelt, dan is dat grammaticale DNA van een taal misschien stabieler en laat het een langere geschiedenis zien dan de woordenschat.”

Zo hoopt de hoogleraar DNA van de Siberische grammatica terug te vinden in de talen van de westkust van Zuid-Amerika. “Door de overvloed aan eten was de westkust altijd relatief dichtbevolkt met weinig noodzaak tot taalcontact en dus weinig invloed van buitenaf. Daar zou je dus de oudste grammaticale vormen moeten kunnen vinden. En toevallig lijken die talen in sommige opzichten ook best wel op sommige talen in Siberië.” Voor deze analyse hoeft Muysken niet per se af te reizen naar Zuid-Amerika: alle benodigde data is al beschikbaar in een database die hij met zijn ERC-grant financierde.

Schrikbeeld

Voorlopig is Muysken dus nog niet helemaal verdwenen van het wetenschappelijke toneel. “Ik ben straks alleen niet meer gebonden aan projecten. Ik ben daardoor wat beperkt in mijn mogelijkheden; ik kan bijvoorbeeld geen techneut meer aanstellen om me te helpen. Maar ik kan me nu wel richten op een langetermijnaanpak, zonder dat ik rekening hoef te houden met een project dat binnen een bepaalde tijd afgerond moet zijn.”

En wat zijn de gevolgen van zijn naderende afscheid voor het vakgebied? “Het is wel toevallig dat Stephen Levinson tegelijk weggaat, hij was op het Max Planck Instituut het geweten van de taaldiversiteit. Het is natuurlijk het schrikbeeld van elke hoogleraar: blijft mijn vak wel bestaan? Het antwoord is: meestal niet. Maar ik heb mijn hoop gevestigd op mensen als Asifa Majid, die is ook sterk betrokken bij taaldiversiteit.” Majid is hoogleraar Taal, communicatie en culturele cognitie aan de Radboud Universiteit en onderzoekt in hoeverre zintuiglijke waarnemingen cultureel bepaald zijn.

Een groep jonge kinderen gekleed in traditionele kleding.

Ouders kiezen er soms voor om hun kinderen een andere taal dan hun moedertaal te leren, in de hoop dat dit hen betere toekomstkansen biedt.

Luis Miguel Rojas Berscia

Veranderende wereld

Voor de bedreigde talen in Zuid-Amerika zal zijn vertrek weinig uitmaken, denkt Muysken. “Daar wordt inmiddels aan elke taal gewerkt. Dat zorgt ook voor meer taalbewustzijn bij zo’n gemeenschap, al zal dat uiteindelijk niet bepalen of gemeenschappen hun taal vasthouden. Economische en politieke invloeden zijn veel invloedrijker dan onderzoek en bewustwording. Zoals wat het beste is voor je kinderen of dat je beter kunt migreren. Laat ik het zo zeggen: als mensen het zich kunnen permitteren om een taal te blijven spreken, zullen ze dat doen. Maar voor heel veel mensen geldt dat dat niet zo is.”

“De wereld is snel aan het veranderen, steden worden steeds groter, het platteland loopt leeg. Dat zie je niet alleen in Oost-Groningen, maar ook in Guatamala”, aldus Muysken. “In Bolivia heb je hele spookdorpen waar alleen nog een paar oudjes wonen. Sommige inheemse talen kun je momenteel beter bestuderen in Los Angeles dan in Guatamala. Maar die eerste generatie sprekers zal daar echt geen nieuwe bloeiende gemeenschap opzetten.”

Dat is schrijnend vanuit humaan en taalkundig perspectief, maar Muysken ziet voor de wetenschap ook interessante nieuwe mogelijkheden. “Je kunt systematisch vergelijken wat er gebeurt met zulke erfgoedtalen, talen van de immigranten. Er is al aardig wat geschreven over de verschillen tussen het Turks, Chinees of Papiamento in Nederland en de originele taal in het land van herkomst. Maar een vergelijkend perspectief is nog niet gegeven. Gaan die erfgoedtalen steeds meer op het Nederlands lijken en daarmee ook steeds meer op elkaar? Er is nog genoeg interessants te onderzoeken!”

Prof. dr. Pieter Muysken zal zijn afscheidsrede ‘Terug naar Babel’ vrijdag 12 mei om 16u uitspreken aan de Radboud Universiteit. Aanmelden voor dit afscheidscollege kan via deze link.

ReactiesReageer