Naar de content

Hoe voordelig is tweetaligheid?

Een Friese vlag.
Een Friese vlag.
P.H. Wagemakers and Joh. Koopmans, via CC0

Kinderen die met twee talen opgroeien, hebben minder cognitief voordeel dan gedacht. Dat blijkt uit recent promotieonderzoek van Evelyn Bosma van de Universiteit van Amsterdam. Zij onderzocht kinderen die opgroeien met Nederlands en Fries. Omdat deze talen relatief dicht bij elkaar staan, versterken ze elkaar. De kinderen hebben dus zeker ook geen nadeel van hun tweetaligheid.

2 oktober 2017

Over de voordelen van tweetaligheid is al veel geschreven: tweetalige kinderen hebben later meer kansen op de arbeidsmarkt, gevoel voor taal, scoren beter op cognitieve taakjes en worden minder snel dement. Toch lijkt het met die cognitieve voordelen bij kinderen ook wel mee te vallen. De laatste jaren laten steeds meer onderzoeken zien dat tweetalige kinderen niet per se beter zijn in dit soort taakjes dan leeftijdsgenoten die met één taal opgroeien. Evelyn Bosma deed als eerste taalkundige een langdurige studie naar cognitievoordeel bij tweetalige kinderen in Friesland.

Evelyn Bosma met een van haar testpersonen

Dick Manshande voor NEMO Kennislink

Taalbalans

Aan het onderzoek deden 120 basisschoolkinderen mee. Alle kinderen tussen de 5 en 8 mochten meedoen. “Iedereen is hier in meerdere of mindere mate tweetalig”, vertelt Bosma. “Kinderen van wie de thuistaal Fries is, leren Nederlands op school. En ook andersom: kinderen met het Nederlands als thuistaal, komen op allerlei plekken met het Fries in aanraking, zoals op school.”

Omdat er in Friesland bijna geen eentalige kinderen te vinden zijn, kon de promovenda geen tweetaligen en eentaligen met elkaar vergelijken. In plaats daarvan berekende ze voor alle proefpersonen de mate van tweetaligheid, ook wel ‘taalbalans’ genoemd. Iemand is vooral tweetalig als hij of zij beide talen even goed beheerst, en even veel input krijgt van beide talen. Maar vaker komt het voor dat de talen niet helemaal in balans zijn. “Het Nederlands is de dominante taal op school. Dus als kinderen thuis vooral Nederlands horen, blijft het Fries een beetje achter, maar ze krijgen het wel mee. Overigens was de groep die ik in eerste instantie onderzocht veel Friezer dan ik van tevoren had gedacht. Daarom heb ik er nog een school bij gezocht die iets ‘Nederlandser’ was.”

Ruimteschepen

De kinderen die aan het onderzoek meededen, werden gedurende drie jaar gevolgd. We spreken daarom van een ‘longitudinaal onderzoek’. Elk jaar deden de kinderen taalvaardigheidstestjes voor zowel het Fries als het Nederlands en een aantal cognitieve tests. Van de vier cognitieve taken was er een waar Bosma een effect op vond bij kinderen tussen de 5 en 6 jaar. Het ging om de _sky search_-taak: hierbij krijgen kinderen een A3-papier te zien met een heleboel paren ruimteschepen. Sommige van die paren zijn identiek en andere niet. De taak van het kind is om zo snel mogelijk alle identieke paren te omcirkelen. Dan wordt er gekeken hoe snel ze dat doen en hoe veel ze er vinden.

Als het bij een eenmalige meting was gebleven, zou de conclusie dus positief zijn geweest. “Alleen dat effect was na een jaar bijna weg, en twee jaar later was het er helemaal niet meer.” Ook in het grotere project waar Bosma’s onderzoek deel van uitmaakte, waarin Limburgse en Poolse kinderen eenmalig werden getest, was het effect maar heel gering.

Geen positief effect

Het cognitieve voordeel van opgroeien met twee talen lijkt dus minder groot dan men dacht. En dat druist in zekere zin in tegen het beeld dat veel mensen hebben van meertaligheid. Bosma: “Toen ik op de scholen in Friesland vertelde dat ik de cognitieve voordelen van tweetaligen wilde onderzoeken, reageerde men vooral verbaasd: dat weten we toch allang, dat meertaligheid voordelen biedt? Maar dat was eigenlijk nog nooit met Friese kinderen of longitudinaal onderzocht.”

Uit promotieonderzoek van Jelske Dijksktra uit 2013 blijkt dat een Friestalige opvoeding een goede beheersing van het Nederlands niet in de weg staat. Lees meer over dit onderzoek op NEMO Kennislink.

Jelske Dijkstra voor NEMO Kennislink

Voor de onderzoekers zelf kwam de uitkomt niet als een complete verrassing, zegt de taalkundige. “De laatste jaren zijn er steeds meer onderzoeken gepubliceerd waarin geen effecten zijn gevonden. Dus hoe langer we bezig waren, hoe meer we het gevoel kregen ‘misschien vinden we wel niks’. Maar hoewel het positieve effect gering was, was er duidelijk ook geen negatief effect aanwezig.”

Regels leren

Een andere uitkomst van haar onderzoek is daarom volgens de promovendus veel interessanter. Die gaat heel specifiek over kinderen die opgroeien met twee talen die dicht bij elkaar staan, zoals het Nederlands en het Fries. Die talen lijken elkaar te versterken. Bosma legt uit: “Tussen het Nederlands en het Fries heb je regelmatigheden in de uitspraak. De Nederlandse woorden hand, land, en strand, corresponderen bijvoorbeeld met de Friese woorden hân, lân en strân (het dakje geeft aan dat de a lang wordt uitgesproken, red.). Hier kun je dus een regel in ontdekken die zegt ‘woorden die in het Nederlands op –and eindigen, eindigen in het Fries op –ân.”

Bosma ontdekte dat kinderen naarmate ze ouder worden, die regels leren en toepassen. Vooral de kinderen die thuis weinig Fries horen, gingen door de tijd heen heel snel vooruit op woorden die dit soort regels volgen. Ook kwam ze erachter dat het verbaal werkgeheugen hierin een grote rol speelt. Dat verbaal werkgeheugen is een tijdelijke opslagplaats voor woorden in onze hersenen. “Dat is belangrijk voor het leren van grammatica en daarom heb ik gekeken of er ook een relatie is met dit soort omzettingsregels. Die bleek er inderdaad te zijn. Daarmee kun je zeggen dat het leren van die omzettingsregels vergelijkbaar is met het leren van grammatica.”

Code switching

Dat het vooral de iets oudere kinderen waren die deze regels gebruikten is niet zo gek. “Als je ouder wordt ga je meer regels toepassen”, vertelt de promovendus. “Hoe vaker kinderen aan beide talen worden blootgesteld, hoe sneller ze de overeenkomsten gaan ontdekken. Dus als de talen in een tweetalige opvoeding op elkaar lijken, kunnen ze elkaar versterken. Ik kan me voorstellen dat dit niet alleen geldt voor het Nederlands en het Fries, maar ook bijvoorbeeld voor Nederlands en Limburgs.”

Dit vraagt om vervolgonderzoek. Maar ook het onderzoek naar het cognitieve voordeel van meertaligheid is nog lang niet afgesloten, stelt Bosma. “Het debat gaat nu verschillende kanten op. Sommige taalkundigen zeggen dat het hele effect niet bestaat. Andere zeggen: er zijn misschien alleen specifieke omstandigheden waaronder het effect bestaat, zoals code switching. Veel tweetaligen wisselen bijvoorbeeld binnen zinnen regelmatig van taal. Dat vergt ook bepaalde cognitieve vaardigheden. Dus dat is zeker iets om verder uit te zoeken.”

Bron:

Evelyn Bosma: Bilingualism and cognition: the acquisition of Frisian and Dutch. Proefschrift Universiteit van Amsterdam 2017. Promotiedatum: 2 oktober 2017.

ReactiesReageer