Naar de content

Hoe feit fictie wordt in het hersenonderzoek

Een krantenrek met veel kranten erop.
Een krantenrek met veel kranten erop.
flickr.com

Zijn jouw verwachtingen van neuro-imaging technieken realistisch, of laat jij je – al dan niet onbewust – leiden door hardnekkige mythen en hypes in de media? Dit artikel is onderdeel van een serie over hersenspinsels over hersenscans: Waarom lenen hersenscantechnieken zich eigenlijk zo goed voor broodjeaapverhalen? Andere afleveringen vind je hier.

5 juni 2013

Wie heeft er niet als kind weleens het doorfluisterspel gedaan? ‘Soep en peperkoek’ veranderde via vele oren in ‘poep in je broek’ en zorgde zo voor veel hilariteit. Bij het vertalen van wetenschappelijk onderzoek naar de praktijk gebeurt nog al eens hetzelfde: ondanks alle goede bedoelingen van wetenschapper of journalist komen onderzoeksresultaten in verdraaide of vertekende vorm bij het grote publiek terecht, dat op zijn beurt de nieuwe of ingewikkelde wetenschappelijke informatie uit de media probeert te bevatten en te rijmen met haar eigen dagelijkse ervaringen. Het gevolg: boude conclusies en verhalen die hun eigen leven gaan leiden. Dit betogen de auteurs van de hersenspinselreeks, de hersenonderzoekers Nienke van Atteveldt, Sandra van Aalderen-Smeets en Meike Grol.

Het brein in actie

Dit soort mythevorming lijkt vooral te gelden voor resultaten die verkregen zijn met moderne neurowetenschappelijke beeldvormende technieken, de zogeheten hersenscans, ook vaak neuro-imagingtechnieken genoemd. Deze nieuwe tak van sport spreekt erg tot de verbeelding: het is tenslotte niet niks dat we tegenwoordig in staat zijn het levende brein in actie te zien.

Dat mysterieuze brein wordt vandaag de dag zelfs als één van onze belangrijkste organen beschouwd, de plek waar ons ‘zelf’ en ons verstand zetelt. Resultaten uit neurowetenschappelijk onderzoek kunnen daarmee grote invloed op ons zelfbeeld en op onze maatschappij hebben. Bovendien blijken de de prachtig gekleurde hersenplaatjes evenveel aantrekkingskracht op ons te hebben als snoepjes op een klein kind.

Als zoete koek erin

Als er dus een bericht als het volgende in de krant verschijnt, slikken de meesten van ons dat als zoete koek:

Superwoman has been rumbled. Juggling a career, a family and an active social life is quite literally a waste of time, according to scientists. A study reveals today that attempting several tasks at once is inefficient and could even be dangerous. The findings challenge the notion of women ‘having it all’.
(Daily Telegraph, 6 augustus 2001)

Oftewel: de moderne vrouw moet maar niet proberen alles tegelijk te zijn, maar zou moeten kiezen tussen carrière en moederschap. Dit advies was gebaseerd op onderzoek dat liet zien dat mensen mogelijk cognitieve problemen hebben met ‘multitasken’: de proefpersonen moesten verschillende rekentaakjes achter elkaar uitvoeren, en hadden daar in sommige gevallen moeite mee.

Wat de krant suggereert gaat echter veel verder. De krantenlezer begint vervolgens een discussie met zijn vrouw of buurman over dit bericht en een nieuwe mythe is geboren.

Dit gebeurde ook bij een publicatie in Nature dat een gen beschreef dat een relatie bleek te vertonen met hoeveel tijd een mannetjesmuis verzorgend gedrag vertoonde naar een vrouwtjesmuis in hetzelfde kooitje. De vrouwtjes hadden geen eierstokken, om seksuele factoren uit te sluiten. De Franse krant Le Monde kwam daarop echter met een artikel waarin gespeculeerd werd over menselijke trouw in intieme relaties en in de wandelgangen ontstond vervolgens het idee dat trouw genetisch bepaald is. De mythe van het ‘trouwheidsgen’ was daarmee een feit. Vatten we het samen in de vergelijking met het doorfluisterspel: een gen dat laboratoriummuizen verzorgender maakt werd na een paar rondes het (on)trouwheidsgen in mensen.

Horen wat je wíl horen

De onderzoekers Green en Clemence gebruikten dit voorbeeld in hun onderzoek naar de overdracht van wetenschappelijke informatie. Daaruit blijkt dat als mensen over een wetenschappelijke vinding lezen, ze focussen op de informatie die hun eerdere overtuigingen bevestigt, en daar een voor hen coherent geheel van maken.

In dat proces speelt niet alleen kennis (of het gebrek hieraan) een rol, maar ook de emotionele lading van het onderwerp in kwestie. Hoe sensationeler of controversiëler het nieuws, hoe sneller een nieuwtje zich verspreidt en hoe groter het vertrouwen is dat het gelezene op waarheid berust.

Misschien dat er daarom zo’n grote kloof is tussen de realiteit van het neurowetenschappelijke onderzoek en de verwachtingen van het grote publiek: de emotionele lading van hersenkennis is voor velen hoog. ‘Het brein’ bepaalt steeds meer wie we zijn; steeds meer onderzoek linkt het aan onze gedachten, gevoelens en persoonlijkheid. Dit brengt een groot cultureel belang van hersenonderzoek met zich mee. Het idee van maakbaarheid brengt hoop.

Resultaten uit hersenonderzoek worden dan ook gretig ontvangen door de maatschappij, kijk bijvoorbeeld maar naar het grote aantal hersenboeken dat de afgelopen jaren is verschenen èn verkocht. Het zijn praktische en grote maatschappelijke kwesties waarin men hoopt dat hersenscans opheldering gaan verschaffen. Hoe het onderwijs zo optimaal mogelijk in te richten bijvoorbeeld. Of hoe we gedragsgestoorde of zelfs criminele personen kunnen onderscheiden van ‘normale mensen’, om ze preventief te kunnen behandelen danwel weg te houden van de maatschappij. Ethische kwesties die met de grootste zorg behandeld dienen te worden.

Zin van onzin onderscheiden

En dat is waar de schoen wringt. De moderne beeldvormende technieken, zoals fMRI en EEG, zijn relatief jong. De kinderziektes worden nog in alle hevigheid doorlopen. Vooral op methodologisch gebied zijn er nog vele uitdagingen te overwinnen. Hoewel het duidelijk mag zijn dat dit soort onderzoek de neurowetenschappelijke wereld heeft veranderd en zeker nog verder zal veranderen, is het de vraag of de technieken al geschikt zijn, of dat ooit zullen zijn, om kant en klare antwoorden op grote maatschappelijke vragen te bieden.

De komende weken gaan wij – de auteurs van dit artikel – een realistischer beeld schetsen van de mogelijkheden van hersenscans in de dagelijkse praktijk. Met een reeks aan kritische artikelen geven de drie hersenonderzoekers aan op welke terreinen voorzichtigheid geboden is: in elk van de drie artikelen wordt een prikkelende, actuele stelling op houdbaarheid getoetst en onderscheiden we de mogelijkheden van de hersenspinsels over deze toepassingen. We willen hiermee de nuance aanbrengen die jou beter in staat stelt zelf zin en onzin op het gebied van de neuro-imaging van elkaar te onderscheiden.

Weet jij wat hersenscans meten? Doe de quiz!

Maar nu eerst even een harde confrontatie met de realiteit: de kennisquiz. Wat weet jij van hersenscantechnieken en in hoeverre heb jij je onbewust maar zeker laten leiden door broodjes aap in de media of valse verwachtingen? Doe onze quiz en test of jij weet wat hersenscans meten!

Klaar met de quiz en verrast over je score? Geen paniek: de komende weken kan je op Kennislink uitgebreid lezen over het wat, hoe en waarom van hersenscantechnieken en de misverstanden hieromtrent.

Vind je het leuk om in de technische feitjes te duiken, om je neuro-kennis nog wat aan te scherpen? Speciaal voor de hersenspinselreeks hebben we een naslagwerk gemaakt van de meest gebruikte scantechnieken – wat zijn die dan en wat meten ze nou precies? Een kort en krachig overzicht dat je er tijdens het lezen van de hersenspinsels voor het gemak even bij kan pakken. Daarom zal dit naslagwerk samen met het eerste hersenspinsel-artikel op Kennislink verschijnen.

Aan het eind van de reeks ben jij een alwetende neuro-kenner en weet jij alles te vertellen over wat hersenscantechnieken daadwerkelijk kunnen toevoegen aan diagnostiek, risicotaxatie of het onderwijs. Volgende week gaan we van start met de diagnostiek: ‘Hersenspinsel 1: ‘Weten of je ADHD hebt? Even scannen…’

Doordat media (onbewust) de feiten verdraaien, komen de broodjeaapverhalen aan het rollen flickr.com
Bronnen:
  • Green & Clemence: Discovery of the faithfulness gene: A model of transmission and transformation of scientific information, British Journal of Social Psychology (2008) DOI:10.1348/014466607×248912
  • McCabe & Castle: Seeing is believing: the effect of brain images on judgments of scientific reasoning Cognition (2008) DOI:10.1016/j.cognition.2007.07.017
  • O’Connor et al.: Neuroscience in the Public Sphere. Neuron (2012) DOI:10.1016/j.neuron.2012.04.004
  • Young et al: Increased affiliative response to vasopressin in mice expressing the V1a receptor from a monogamous vole, Nature (1999) DOI:10.1038/23475
ReactiesReageer