Je leest:

De veelzijdigheid van dyslexie

De veelzijdigheid van dyslexie

Auteur: | 23 januari 2019

Nederlandse kinderen met dyslexie ondervinden niet alleen problemen bij het leren lezen en schrijven in hun moedertaal, maar ook in een vreemde taal. Toch gaat het leren van Engels ze iets makkelijker af dan gedacht. Dat blijkt uit onderzoek van Ellie van Setten die deze maand promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Bij dyslexie wordt vaak gedacht aan problemen met lezen en spellen op woordniveau. Toch zijn problemen die dyslectici ervaren veel breder dan dit, en per individu verschillend. Ook kinderen die niet gediagnosticeerd zijn met dyslexie kunnen moeite hebben met lezen of gerelateerde vaardigheden. Vooral als het in de familie zit.

Dyslexie is deels genetisch bepaald, dus wanneer je ouders het hebben is de kans groter dat je het zelf ook hebt. “Toch is er niet één gen voor”, zegt Van Setten, die een grote groep kinderen onderzocht. “Het kan dus ook zo zijn dat je ouders het hebben en jij niet. Maar de kans is wel groter: in plaats van vijf à tien procent is de kans dan ongeveer veertig procent.”

Klinische diagnose

Voor haar onderzoek maakte de promovendus gebruik van de gegevens die reeds gemeten waren in het Dutch Dyslexia Programme: een langlopend landelijk onderzoek waarbij 300 kinderen zijn gevolgd vanaf hun geboorte tot het begin van de middelbare school. Daaronder waren kinderen met en zonder een familiair risico op dyslexie. De kinderen zonder risico en zonder dyslexie vormden de controlegroep. Van de kinderen met een risico heeft een deel een vorm van dyslexie ontwikkeld, een ander deel niet. In totaal zijn er dus drie groepen om te vergelijken.

In 2010 liep het Dutch Dyslexia Programme van NWO af. We schreven over de resultaten van het onderzoek op NEMO Kennislink. Het promotieonderzoek van Ellie van Setten is een vervolgonderzoek.

Van Setten gebruikte voor haar promotieonderzoek de gegevens van 150 kinderen, die inmiddels in groep 8 van de basisschool zaten. Een deel van hen had de klinische diagnose dyslexie gekregen. “Er is een heel protocol voor om dit vast te stellen”, licht Van Setten toe. “Daarvoor worden allerlei soorten tests gebruikt. Voor het Nederlands wordt vaak leestempo getoetst, omdat in het Nederlands – anders dan in het Engels – voor de meeste klanken één letter bestaat. Dat betekent dat dyslectici vooral problemen hebben met snelheid en vloeiendheid.”

Geen strakke grens

Bij de meeste kinderen wordt de diagnose in groep 3 of 4 gesteld. Voor de homogeniteit van de groep nam de onderzoeker zelf ook tests af om dyslexie te meten. De uitkomsten kwamen goed overeen met de klinische diagnosen. Wat wel opviel was dat je dyslexie niet heel duidelijk af kunt bakenen. Ook kinderen met een risico, maar zonder diagnose, presteerden op bepaalde tests zwakker dan de controlegroep. “Ze waren bijvoorbeeld minder goed in het hardop voorlezen van niet-bestaande woorden”, aldus de promovendus.

Bij anderen zie je het niet terug in het lezen, maar vind je slechtere scores op onderliggende vaardigheden, zoals fonologische vaardigheden (zoals het onderscheiden van klanken), of kennis van de letters. “Waarschijnlijk hebben ze wel een deel van de risicofactoren meegekregen via erfelijkheid, maar niet zoveel als de kinderen die uiteindelijk die diagnose krijgen. Het laat zien dat dyslexie zich op een continuüm bevindt. Je hebt er meer of minder last van. Voor de zorgverzekering is het nodig een strakke grens te trekken, maar in de werkelijkheid is die er niet.”

Uitgelicht door de redactie

Maatschappijwetenschappen
Hoeveel kans maken de Oranje Leeuwinnen op de wereldtitel?

Biologie
Na een Chinese, nu een Russische CRISPR-Cas-cowboy?

Techniek
Is het verstandig om alle kolencentrales te sluiten?

Geen cognitief profiel

Het onderzoek laat zien dat de mate van dyslexie verschilt per kind. Maar ook dat de problemen waar ze mee kampen divers zijn en verschillende oorzaken hebben. Van Setten: “Vroeger werd gezegd dat deze kinderen allemaal een probleem hebben met fonologisch bewustzijn, dus het herkennen van de klankstructuren van een taal. Maar dat is lang niet bij iedereen zo. Er is geen cognitief profiel voor dyslexie: er is niet één plek aan te wijzen in de hersenen, of één verwerkingsproces dat verstoord is. Het is eerder een interactie tussen verschillende processen, en dat pakt bij iedereen anders uit.”

Dat het zich bij iedereen op dezelfde manier uit, blijkt dus een misverstand. En zo zijn er wel meer blinde vlekken. Mensen denken meestal aan kinderen op de basisschool, maar ook jongeren en volwassenen kunnen nog heel grote leesproblemen hebben. Dat kan veel praktische problemen geven. “En daar wordt niet altijd rekening mee gehouden, zelfs niet door dyslexieonderzoekers”, geeft de promovendus toe. “Zo kwam de moeder van een kind speciaal langs om een vragenlijst in te vullen, omdat de vader die het kind de rest van de dag begeleidde daar grote moeite mee had vanwege zijn ernstige dyslexie.”

Nederlands versus Engels

Van Setten keek niet alleen naar de Nederlandse taalvaardigheid van de kinderen, maar ook naar het Engels. Voor beide talen scoorde de controlegroep beter dan de dyslexiegroep. Toch waren de verschillen tussen beide groepen iets kleiner voor het Engels. “Dat vonden we heel verbazingwekkend. Omdat Engels een niet-transparante taal is – er is geen een-op-eenrelatie tussen klanken en letters – verwachtten we juist extra moeilijkheden.” Een Zweeds onderzoek bracht dezelfde discrepantie tussen het leren van Zweeds en Engels aan het licht.

Uit onderzoek blijkt dat kinderen met dyslexie thuis minder lezen. Daardoor kunnen ze een nog grotere achterstand krijgen.

Een eenduidige verklaring heeft Van Setten nog niet, maar ze vermoedt dat er verschillende oorzaken zijn. Enerzijds denkt ze dat kinderen erg gemotiveerd zijn om Engels te leren, omdat het overal aanwezig is: op televisie, internet en sociale media. Maar bovenal denkt ze dat kinderen in groep 8 een andere leesstrategie hebben ontwikkeld, waar ze van profiteren. “Als kinderen leren lezen in groep 3 gaat dat eerst letter voor letter. In een volgend stadium leren ze hele woorden herkennen. Die leesstrategie kunnen kinderen onmiddellijk toepassen op het Engels, en daarmee kunnen dyslectische kinderen hun achterstand wellicht compenseren.”

Wat ook meespeelt is de frustratie die kinderen hebben ervaren tijdens het leren lezen in het Nederlands. Daardoor hebben ze een negatievere associatie met het Nederlands dan met het Engels. En dat brengt een andere belangrijke boodschap met zich mee. “Uit ons onderzoek blijkt dat kinderen met dyslexie thuis minder lezen. Het is natuurlijk ook vervelend op het moment dat het niet lukt. Maar dat is ook een reden dat sommige kinderen een nog grotere achterstand krijgen. Leerkrachten en ouders moeten kinderen dus blijven aanmoedigen om te lezen.”

Bron:

Ellie van Setten, Neurolinguistic profiles of advanced readers with developmental dyslexia, proefschrift verdedigd aan de Rijksuniversiteit Groningen op 10 januari 2019.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 23 januari 2019

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.