Je leest:

Dyslexie tussen de apen

Dyslexie tussen de apen

Achtergronden en hulpmiddelen op NWO-familiedag

Auteurs: en | 6 oktober 2010

De diagnose voor dyslexie wordt nu meestal in het zesde of zevende levensjaar van een kind gesteld. Uit een tienjarig onderzoek van verschillende universiteiten blijkt echter dat er op veel jongere leeftijd al aanwijzingen zijn te vinden voor dyslexie. Dat biedt de mogelijkheid om steeds vroeger hulpmiddelen in te zetten: software die dyslectische kinderen helpt bij het lezen en het spellen.

Vier procent van de schoolgaande jeugd heeft dyslexie. De diagnose wordt nu meestal gesteld in het zesde of zevende levensjaar van het kind. Maar in feite wordt de kans op dyslexie al tijdens de zwangerschap bepaald. Dyslexie is namelijk voor 75 procent erfelijk bepaald. Onderzoekers hopen op steeds jongere leeftijd vast te kunnen stellen of een kind dyslexie heeft. Op die manier kan er op tijd iets aan gedaan worden. Want hoe jonger kinderen met dyslexie om weten te gaan, hoe beter.

Drie onderzoekers (afkomstig van de Radboud Universiteit Nijmegen, de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit van Amsterdam) presenteerden hun onderzoeksresultaten aan de families die hebben meegewerkt aan het langlopende onderzoek. De families waren uitgenodigd voor een informatief dagje in Dierenpark Amersfoort, als afsluiting van het NWO Dutch Dyslexia Programme.
Mathilde Jansen voor NEMO Kennislink

Om vroege aanwijzingen te vinden voor latere leesproblemen, werd tien jaar geleden een langlopend onderzoek gestart. Voor dit onderzoek werden 345 baby’s geselecteerd, die gevolgd werden van hun eerste levensjaar tot in de schoolleeftijd. Omdat het onderzoek nu bijna afgerond is, organiseerde NWO, de financierder van het onderzoek, een zogenaamde terugkomdag voor ouders en hun kinderen. De terugkomdag vond plaats in Dierenpark Amersfoort. Behalve een informatieve dag voor de ouders, was het dus ook een leuk uitje voor het hele gezin. Tijdens het informatieve deel presenteerden drie onderzoekers de resultaten van het onderzoek.

Het onderzoek

Geert Poelmans van de Radboud Universiteit Nijmegen vertelde over zijn onderzoek naar het DNA van kinderen met dyslexie. Lang werd gezocht naar een fout op een van de chromosomen die aanleiding zou zijn voor dyslexie. Maar uit recent onderzoek blijkt dat dyslexie niet veroorzaakt wordt door een fout op één gen, maar dat een combinatie van een aantal kleine genetische foutjes leidt tot de taalstoornis. Sommige van die foutjes liggen op het X-chromosoom, wat zou kunnen verklaren waarom jongens vaker dyslexie hebben dan meisjes.

Evelien Krikhaar van de Rijksuniversiteit Groningen presenteerde haar onderzoek naar de taalontwikkeling van kinderen met dyslexie. Ze nam niet alleen leesvaardigheidtests af bij de kinderen, maar deed ook onderzoek naar de hersenactiviteit tijdens auditieve en visuele taken. De 345 proefpersoontjes werden ingedeeld in twee groepen: de risicogroep (225), waarbij ernstige dyslexie voorkwam in de familie; de controlegroep (120), waarbij geen dyslexie voorkwam in de familie.

Alle kinderen werden getest vanaf het moment dat ze twee maanden oud waren. Er werd bijvoorbeeld gekeken hoe ze reageerden op het verschil in uitspraak tussen de woorden ‘bak’ en ‘dak’. Uit deze test bleek dat kinderen uit de risicogroep al met twee maanden verminderde hersenactiviteit lieten zien in vergelijking met kinderen uit de controlegroep. Dat betekent dat zij het verschil tussen ‘bak’ en ‘dak’ minder goed waarnamen. Ook op de leestests – die tussen de vijf en tien jaar werden afgenomen – scoorde de risicogroep lager.

Uiteindelijk bleek 35-40 procent van de kinderen uit de risicogroep leesproblemen te ontwikkelen tegenover tien procent van de kinderen uit de controlegroep.

Leertrajecten

Aryan van der Leij van de Universiteit van Amsterdam legde ten slotte uit wat er aan dyslexie gedaan kan worden. In principe zijn er drie mogelijkheden, afhankelijk van de mate van dyslexie. Er zijn namelijk lichtere en zwaardere vormen van dyslexie. Dat is goed te zien aan de kinderen uit de risicogroep. De kinderen uit de risicogroep die uiteindelijk geen dyslexie krijgen, laten toch dyslectische trekjes zien. Dat zie je bijvoorbeeld doordat ze moeite hebben met het lezen van pseudowoorden of nepwoorden. Daarbij scoren ze beter dan de kinderen met echte dyslexie, maar slechter dan de kinderen uit de controlegroep.

Mathilde Jansen voor NEMO Kennislink

Voor kinderen met een lichte vorm van dyslexie is goed leesonderwijs en hulp in de klas van groot belang. Kinderen voor wie dit niet toereikend is, kunnen hulp buiten de klas krijgen, ook wel remedial teaching genoemd. Dan blijft er nog een kleine groep kinderen over voor wie ook deze hulp niet voldoende is. Zij zijn ‘didactisch resistent’, wat betekent dat de voorgaande leertrajecten niet helpen. Zij kunnen terecht in speciale leesklinieken. Maar wat Van der Leij de ouders bovenal wilde meegeven: “Heb vertrouwen in de toekomst. Kinderen met dyslexie hebben tijdens de opvoeding extra hulp nodig, maar komen daarna gewoon goed terecht.”

Voor deze extra hulp konden de families vervolgens terecht op de informatiemarkt. Hier waren verschillende kraampjes ingericht door patiënten- en ouderverenigingen. Daarnaast stonden er verschillende stichtingen en bedrijven die speciale hulpmiddelen voor mensen met dyslexie ontwikkelen. Dankzij de technologische vooruitgang heeft de ontwikkeling van deze hulpmiddelen een grote vlucht genomen. Het leven met dyslexie is daarmee voor veel mensen een stuk makkelijker geworden.

Voorlezen

Kinderen die problemen hebben met lezen, missen op school veel belangrijke informatie en lopen zo al snel een flinke leerachterstand op. Dit kan voorkomen worden als scholen op tijd de juiste maatregelen nemen. Zo kunnen ze hun dyslectische leerlingen een laptop geven met daarop speciale software die teksten kan voorlezen. Deze techniek heet spraaksynthese. Computers kunnen namelijk niet elke tekst zomaar voorlezen. Daarvoor moet de tekst eerst een fonetische transcriptie krijgen. Dat is een herschrijving van de tekst, maar dan in klanken in plaats van de correcte spelling. ‘Computer’ wordt dan dus ‘komPJOEtur’. De hoofdletters geven de klemtoon aan, zodat de computer het woord goed uitspreekt.

Een computer die natuurlijk klinkt moet niet alleen de juiste klanken kunnen uitspreken, maar daarbij ook de juiste intonatie gebruiken. Een vraagzin die aan het eind van de zin niet de hoogte inschiet, is vaak moeilijk te verstaan. Als laatste stap moet de computer alle uit te spreken klanken of woorden selecteren uit een grote database met ingesproken zinnen. Elke klank komt wel duizenden keren voor in die database, dus de computer kan kiezen welke het beste past bij de zin die hij uit zal moeten spreken.

De dyslexiedag vond plaats in Dierenpark Amersfoort.
Mathilde Jansen voor NEMO Kennislink

De leerling in het klaslokaal krijgt met behulp van zulke voorleessoftware zijn schoolboeken voorgelezen, zonder dat iemand het hele boek in heeft hoeven spreken. Daarmee bespaart de school dus veel tijd en geld, en de leerling hoeft niks meer te missen. Soms loopt er tijdens het voorlezen een ‘karaoke’-balletje mee door de tekst. De leerling kan dan meelezen en zo zijn leesvaardigheid verbeteren.

Niet alle teksten zijn meteen geschikt om voorgelezen te worden door de computer; sommige moeten eerst gedigitaliseerd worden. Hiervoor zijn speciale scanners op de markt die de gescande pagina meteen omzetten in computerleesbare tekst. Sommige van deze scanners zijn zelfs zo klein als een pen, zodat ze makkelijk in je zak passen. Handig om onderweg de routebeschrijving te lezen of de treintijden op te zoeken.

Spellen

Maar kinderen met dyslexie hebben natuurlijk niet alleen moeite met lezen, ook spellen is voor hen een hele uitdaging. Ook hier zijn verschillende computerprogramma’s voor op de markt. Zo bestaat er speciale spellingscontrole voor schrijvers met dyslexie. Deze spellingscontrole weet wat voor fouten dyslectici typisch maken en kan dus betere verbetersuggesties doen. Daarnaast kan de software de suggestie voorlezen, zodat de leerling kan controleren of dat wel echt het woord is dat hij bedoelt.

Andere software die helpt bij het schrijven is de woordvoorspeller. Deze kan al na enkele letters voorspellen welk woord de leerling waarschijnlijk bedoelt te typen. En als hij niet kan kiezen tussen een paar woorden, kan de leerling de verschillende opties ook laten voorlezen om zo zelf de juiste te kiezen. De computer vult het woord automatisch aan met de juiste spelling. Vooral bij lange woorden kan dat veel rode correctiestrepen in een opstel schelen.

Leerlingen met zulke ernstige dyslexie dat schrijven bijna onbegonnen werk is, kunnen gebruik maken van spraakherkenning. Zij kunnen hun teksten opzeggen, waarna speciaal daarvoor bestemde software het omzet in een geschreven tekst. Zulke software moet eerst uitgebreid getraind worden door de leerling, zodat de computer juist zíjn spraak goed zal verstaan. Maar daarna zal de leerling al zijn opstellen en werkstukken gewoon kunnen inspreken.

Op de informatiemarkt in Dierenpark Amersfoort konden ouders van kinderen met dyslexie informatie krijgen over al deze technologische hulpmiddelen die het verblijf van hun koters op school kunnen veraangenamen. Daarnaast was er ook veel informatie te verkrijgen over software die juist bedoeld is om de dyslexieklachten te verminderen. Met speciale computerprogramma’s kunnen de kinderen spelenderwijs oefenen met lezen, spellen en typen. Sommige scholen werken met geavanceerde software waarin al bovenstaande functionaliteiten zijn opgenomen. Zo werden de families die meewerkten aan het dyslexie-onderzoek niet alleen bedankt met een gezellig dagje uit, ook gingen ze weer een beetje wijzer naar huis.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 oktober 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.