Naar de content

De bak in door berkenzaadjes

Een man in een beschermd pak analyseert bloedspoorpatronen op een plaats delict.
Een man in een beschermd pak analyseert bloedspoorpatronen op een plaats delict.
NFI voor gebruik op Nemo Kennislink

Een berkenblaadje in de achterbak van de verdachte, modder onder zijn laarzen en kiezelwieren op kleding in zijn wasmand kunnen belangrijke aanwijzingen geven in een moordzaak. Zulke niet-humane biologische sporen spelen een grote rol bij de reconstructie van een delict.

28 november 2014

Acht uur ’s ochtends. Een wandelaar ontdekt in de Noord-Hollandse polder het levenloze lichaam van een vrouw. De politie is als eerste ter plaatse en voert het onderzoek uit. Ze neemt dierenharen mee die op het slachtoffer liggen, verzamelt plantenresten en moddervegen op de kleding. Op het moment dat er een verband moet worden gelegd tussen de plaats delict en de verdachte, schakelt de politie de hulp in van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Bovenstaande fictieve zaak is een voorbeeld uit het dagelijkse werk van forensisch bioloog Irene Kuiper. Kennislink is op bezoek in het NFI en Kuiper vertelt over haar werkzaamheden. Samen met haar collega’s doet ze onderzoek naar niet-humane biologische sporen. Sporen die leven of hebben geleefd en afkomstig zijn van organismen, behalve dus de mens. Dat kunnen micro-organismen zijn, kruiden, grassen, bomen, dieren of bijvoorbeeld kiezelwieren. “De sporen van de plaats delict alleen zijn niet zo interessant. Dat wordt het pas op het moment dat er een verdachte in beeld is, bij wie bijvoorbeeld een huiszoeking wordt gedaan. Dan kunnen we kleding met sporen vinden, een schep die achter in de auto ligt, of bijvoorbeeld een zeil waarin iemand vervoerd is.” Kuiper en haar team onderzoeken of ze de sporen op die voorwerpen kunnen linken aan de sporen van de plaats delict.

Een man in een beschermd pak analyseert bloedspoorpatronen op een plaats delict.

Analyse van een bloedspoorpatroon op een plaats delict.

NFI voor gebruik op Nemo Kennislink

Berkenzaadjes

“Zo hadden we een keer een schep waar nog veel grond aan zat, waarin berkenzaden zaten. De vraag was of die grond afkomstig kon zijn van de plek waar het slachtoffer begraven was. In ons lab halen we dan het DNA uit die zaadjes en maken er een DNA-profiel van.” Net als dat je dat voor mensen doet, kan dat ook voor blaadjes, takjes en ander materiaal. In dit geval was het DNA-profiel helemaal volledig. Samen met de politie trok Kuiper naar de plaats delict, op zoek naar een berkenboom. “Daar bleek niet één berk te groeien, maar er was een heel bos. Er stonden ongeveer 75 bomen rondom de plek waar het slachtoffer begraven was. We hebben toen van alle bomen een blaadje meegenomen en een DNA-profiel gemaakt. Uiteindelijk vonden we een volledige match met een boom die vijf meter van het slachtoffer stond.” Die bewijswaarde valt in dezelfde klasse als een match van humane profielen. In dit geval had de verdachte verklaard nooit in de buurt te zijn geweest van de plaats delict.

Stuifmeel, bacteriën en elementen

Naast de botanische sporen, waar de berkenzaadjes onder vallen, maar bijvoorbeeld ook plantaardige resten in de maag van slachtoffers, is er onderzoek naar kiezelwieren. Dat zijn ééncellige algen uit bijvoorbeeld oppervlaktewater die van grote waarde kunnen zijn, bijvoorbeeld omdat ze achter blijven op kleding. En verder is er grondonderzoek. Kuiper: “Een grondspoor, zoals we dat noemen, kan een klont grond zijn aan een schep of schoen. Die kunnen we op een aantal manieren onderzoeken. Zo kunnen we kijken wat de elementensamenstelling is. Maar we kijken ook naar de stuifmeelsamenstelling en de bacteriënsamenstelling. Vervolgens verzamelen we grond op de plek waar het spoor mee vergeleken moet worden, bijvoorbeeld uit een graf.

Als je in beide gevallen een elementen-, stuifmeel-, en bacteriënprofiel hebt kunnen bepalen, en ze geven een match, dan heb je een heel krachtig bewijsmiddel.” Het NFI beschikt over een database met heel veel grondmonsters uit heel Nederland. Als de onderzoekers een match hebben voor de grondmonsters, bepalen ze met behulp van de database hoe uniek een bepaald profiel is en daarmee hoe hoog de bewijswaarde is. “Duinzand, met vaak weinig verschillende elementen of stuifmeel, kan op meerdere plekken in Nederland hetzelfde zijn. Maar zodra we te maken hebben met modder, wordt de bewijswaarde heel hoog, want dat zijn vaak unieke combinaties van de drie profielen”, legt Kuiper uit.

Het aanleggen en aanvullen van de databases is een never ending story. De database voor honden en katten is in een net afgerond project enorm uitgebreid. Momenteel richt de afdeling zich op de berkendatabase. Daarnaast moeten de databases up to date gehouden worden, want populaties veranderen in de tijd.

Bijzonder mitochondrionaal DNA

Een match op basis van DNA uit haren is bijna nooit 100%, omdat uitgevallen haren geen levend celmateriaal bevatten. Je kunt dan geen DNA uit de celkern halen en moet met het DNA uit de energiefabriekjes van de cel, de mitochondriën, aan de slag. “Dat heeft zo zijn beperkingen”, zegt Kuiper. Mitohondrionaal DNA erft in de moederlijke lijn over. Dat komt omdat de mitochondriën bij de spermacel in de staart zitten, en die valt er tijdens de bevruchting af. “Dat vermindert de bewijswaarde.” Toch kun je nog steeds, op basis van het aantal variabele stukjes op het mitochondrionale DNA, een onderverdeling maken binnen de soort, in groepen. Sommige groepen zijn heel bijzonder, die zie je niet vaak. Kuiper: “We hebben een zaak gehad waarbij de katten van het slachtoffer een heel bijzonder mitochondrionaal profiel hadden, dat heel weinig voorkomt. Die gaven een match met de profielen van de kattenharen die we bij de verdachte vonden. Het feit dat je twee van die profielen hebt die beide overeenkomen, geeft alsnog een heel hoge bewijswaarde, ook als is het van mitochondrionaal DNA.”

Vliegeneitjes op het lichaam

Kuiper en haar collega’s kunnen ook vaststellen hoe lang een lichaam al ergens ligt. Dat gebeurt onder andere met insecten. Vliegen leggen bijvoorbeeld eitjes in de schaduwrijke delen van een lichaam, zoals de neusgaten. Afhankelijk van de soort vlieg en de omgevingstemperatuur, komen die enkele uren tot enkele dagen later uit. Dan krioelen er honderden maden over en door het lichaam. Door gebruik te maken van de kweekgegevens van de soort en de omgevingstemperatuur, kun je bepalen hoe oud de maden zijn en dus lang een lichaam ergens ligt. Planten die op of door een lichaam groeien, kunnen ook belangrijke aanwijzingen geven. Nauwkeurige weergegevens zijn van groot belang om een goede inschatting van het tijdstip van overlijden te maken. “De omstandigheden bepalen sterk hoe snel planten of insecten groeien. Soms is er een meetstation vlakbij, maar soms ligt het lichaam er ver vandaan, of ligt het in een woning waarvan niet bekend is of het raam open of dicht was terwijl die persoon er lag.”

Bevroren zaak

Iedere zaak is voor Kuiper bijzonder, al herinnert ze zich de ene net wat beter dan de ander. “Zo weet ik nog dat we een keer op een plaats delict kwamen om plantjes te verzamelen. Maar toen we er aankwamen, bleken alle plantjes dood omdat het had gevroren. De politie was echter vastberaden en begon met het verzamelen van losse zaadjes die rondom de planten lagen, om op te kweken in het lab. Ik had er helemaal geen vertrouwen in, maar uiteindelijk hebben we een heel mooie match gekregen.”

Deze infographic benadert de werkelijkheid zo goed mogelijk. Maar de omstandigheden waarin een lichaam zich bevindt, bepalen voor een groot deel hoe snel de verschillende processen zich afspelen. Of het slachtoffer kleding aanhad, of het lichaam begraven is, hoe warm het buiten is, of de kachel aanstond… Geen twee lijken vergaan precies even snel.

Dit is een verkorte versie van een artikel dat in Eos magazine verscheen.