Naar de content

'Zonder uitdrukkingen wordt taal al snel saai'

Interview over publieksonderzoek naar spreekwoorden en gezegdes

Een schilderij van Pieter Brueghel de Jonge. Op het doek is een dorp met mensen te zien.
Een schilderij van Pieter Brueghel de Jonge. Op het doek is een dorp met mensen te zien.
Pieter Bruegel de Oude, vrijgegeven in het publieke domein via Wikimedia Commons

Hoeveel uitdrukkingen kennen Nederlanders? Die vraag willen Groningse wetenschappers beantwoorden met het publieksonderzoek van Weekend van de Wetenschap 2019. “Als je goed kijkt, zijn ze eigenlijk overal”, zegt taalwetenschapper Simone Sprenger.

4 oktober 2019

‘Daar heb ik geen kaas van gegeten.’‘Had jij dat in de smiezen?’ ‘Nu komt de aap uit de mouw!’ Spreekwoorden en gezegdes gebruiken we de hele dag door, vaak zonder dat we er erg in hebben. Toch is er weinig bekend over de manier waarop we ze leren, hoe ze opgeslagen zijn in onze hersenen en of er grote verschillen zijn in het aantal uitdrukkingen dat Nederlanders kennen. Daarom start tijdens Weekend van de Wetenschap op 5 en 6 oktober een groot publieksonderzoek. Via een online test kun je ontdekken hoeveel Nederlandse uitdrukkingen je zelf eigenlijk kent.

Het onderzoek komt uit de koker van taalwetenschappers Simone Sprenger en Jacolien van Rij van de Rijksuniversiteit Groningen. Sprenger deed eerder promotieonderzoek naar de productie van uitdrukkingen. Samen met Van Rij onderzoekt ze nu hoe ze worden geleerd. In een recent onderzoek ontdekten ze dat dat pas relatief laat gebeurt.

“Meestal is onze woordenschat op niveau als we zo’n twintig jaar oud zijn, maar bij uitdrukkingen ligt die leeftijd wel tien jaar hoger.” Hoe dit komt en of er meer van dit soort verschillen zijn, bijvoorbeeld tussen Nederland en Vlaanderen of tussen regio’s, willen Sprenger en Van Rij onderzoeken in dit publieksonderzoek.

Universeel

De reden dat er nog weinig onderzoek is gedaan naar spreekwoorden en gezegdes, is niet zo een-twee-drie te zeggen. Maar volgens Sprenger heeft het ermee te maken dat ze anders zijn opgebouwd dan andere taaluitingen. Waar de betekenis van gewone zinnen als het ware een optelsom is van alle afzonderlijke woorden, is dit niet het geval bij spreekwoorden en gezegdes. Daardoor lijken ze complex, maar toch gebruiken we ze aan de lopende band. Hoe kan dat? “Blijkbaar voegen ze iets toe”, zegt Sprenger. “Stel je voor dat onze taal geen uitdrukkingen zou hebben. Dan wordt het best wel saai. Dan lijkt het bijna computertaal.” Bestaan er eigenlijk talen zonder uitdrukkingen? Daar durft de onderzoeker haar hand niet voor in het vuur te steken, maar ze vermoedt van niet. Het lijkt dus een universeel gegeven.

Overigens gebruiken de onderzoekers het begrip ‘uitdrukkingen’ als overkoepelende term voor spreekwoorden en gezegdes. Gezegdes zijn vaste verbindingen van woorden (‘een open deur’), maar vormen geen hele zin. Spreekwoorden zijn eigenlijk gezegdes met een punt erachter, vertelt Sprenger. “Het zijn van die tegeltjeswijsheden die vaak een morele strekking hebben, zoals: ‘De appel valt niet ver van de boom’.”

Moeilijk te leren

Uitdrukkingen zijn over het algemeen moeilijk te leren. “Dat weten we uit onderzoek naar het leren van een tweede taal. Veel Nederlanders kennen wel de Engelse uitdrukking Don’t beat a dead horse – maar durven die toch niet zo snel te gebruiken, omdat ze niet helemaal zeker zijn van de precieze betekenis.”

En ook in je eerste taal kost het meer tijd om ze te leren dan woorden. Daar zijn allerlei verklaringen voor te bedenken. “De leeftijd waarop mensen de meeste spreekwoorden en gezegdes leren, is zo’n beetje als ze het huis uit gaan. De periode waarin ze met veel nieuwe dingen in aanraking komen. Het zou ook kunnen dat de dingen waarover we communiceren via uitdrukkingen best ingewikkeld zijn. Als ik zeg ‘hij zit erg in de put’, dan weet een volwassene meteen wat ik bedoel. Met een paar woorden geef ik heel veel informatie. Voor kinderen is dat vaak nog te ingewikkeld.”

Sommige zijn wel makkelijker te leren dan andere. Maar waar ligt dat precies aan? Ook dat is een van de vragen die onderzocht moeten worden. Sprenger vermoedt dat het onderscheid tussen spreektaal en schrijftaal hierin een rol speelt. “Sommige zegswijzen komen vooral voor in spreektaal, zoals ‘Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen’. Het zou kunnen dat kinderen die makkelijker leren dan uitdrukkingen die vooral in de schrijftaal voorkomen.”

Die vraag is ook relevant voor het onderzoek naar kunstmatige intelligentie, het specialisme van Jacolien van Rij. Zij maakt computermodellen om het proces van taalleren beter te begrijpen. “Automatische vertaalsoftware heeft nog veel moeite met figuurlijke taal. Meer kennis over de verwerking van uitdrukkingen in de hersenen kan dus ook helpen om dit soort software te verbeteren”, aldus Van Rij.

De leden van de funkgroep De Likt zijn de ambassadeurs van dit publieksonderzoek. Ze bedachten zelf een nieuwe uitdrukking en proberen die aan de man te brengen.

Jacolien van Rij en Simone Sprenger over uitdrukkingen: “Als je er goed naar kijkt, dan zeg je iets wat helemaal nergens op slaat. We willen dus graag weten: waarom gebruik je ze en waarom begrijpt de ander meteen wat je bedoelt?”

Weekend van de Wetenschap

Nieuwe taalcreaties

Tegelijkertijd zijn uitdrukkingen net als andere taaluitingen onderhevig aan verandering. ‘Wie ‘s nachts uit vissen gaat, moet overdag zijn netten drogen’, wie kent die zegswijze nog? Dat het beroep van visser tegenwoordig veel minder voorkomt dan vroeger, hoeft overigens niet de reden te zijn dat de uitdrukking aan populariteit inboet. Veel uitdrukkingen gaan over het boerenleven; hedendaagse technieken komen weinig aan de orde, legt Sprenger uit. “Het is altijd: de kar moeten trekken ofzo. Uitdrukkingen met een auto of vliegtuig zijn er eigenlijk niet. Je hebt nog sneltreinvaart, maar daar houdt het wel bij op. Dat vind ik er ook juist leuk aan, dat de historie erin bewaard blijft.”

Maar ontstaan er dan eigenlijk ook nieuwe uitdrukkingen? Die tovert de onderzoeker niet zomaar uit haar hoed. “Misschien zijn we ons er niet zo van bewust. Van Dale heeft het woord van de week en het woord van het jaar, maar ik heb nog nooit gehoord van de uitdrukking van het jaar.”

Misschien kan het publieksonderzoek hier verandering in brengen. “We hopen dat heel veel mensen meedoen, uit alle delen van het land. En natuurlijk ook uit België, Suriname of Curaçao. Iedereen die Nederlands spreekt, als eerste of tweede taal, mag meedoen. En we willen ook heel graag weten hoe het zit met mensen die geëmigreerd zijn uit Nederland.”

ReactiesReageer