Naar de content

Waarom Vlamingen hun taalgebruik wél aanpassen aan Nederlanders

Pixabay, klimkin

Vlamingen passen zich in hun taalgebruik eerder aan aan Nederlanders, dan andersom. Dat blijkt uit onderzoek van Marc Swerts van Tilburg University. Waarom is dat zo?

10 december 2021

Gesprekspartners spiegelen elkaars gedrag. Als de een zijn armen over elkaar heen slaat, is de ander snel geneigd dit ook te doen. Ook glimlachen is besmettelijk. Marc Swerts doet onderzoek naar dit soort kopieergedrag. Hij is als hoogleraar gespecialiseerd in non-verbale communicatie. Maar in een van de laatste experimenten die hij met zijn studenten uitvoerde, keek hij juist naar taalgebruik. En dan specifiek het taalgebruik tussen Nederlanders en Vlamingen. Hoewel aanpassing tussen gesprekspartners over het algemeen symmetrisch verloopt, bleek dat hier niet op te gaan.

Dat verbaast de onderzoeker niet. Hij is zelf een Vlaming, die in Nederland werkt. “In Nederland word ik soms gecorrigeerd. Dan zeg ik ‘zelfzeker’, en dan zeggen mensen: ‘je bedoelt zelfverzekerd’. In een omgekeerde situatie kan ik me niet voorstellen dat een Vlaming zoiets zou zeggen.”

“Uit eerdere onderzoeken blijkt dat mensen hun taalgebruik aan elkaar aanpassen”, aldus Swerts. Een gangbare verklaring is dat mensen elkaars taalgebruik kopiëren omdat dat de communicatie efficiënter maakt. “Stel, ik wil het hebben over een berg die ik in de verte zie, maar mijn gesprekspartner gebruikte eerder het woord ‘heuvel’ om daarnaar te refereren, dan zal ik geneigd zijn datzelfde woord te gebruiken. Dat woord is al geactiveerd in mijn mentale lexicon, en kan ik dus sneller produceren. Daardoor verloopt de communicatie sneller. Maar als je uitgaat van dit model, zou je verwachten dat mensen heel symmetrisch naar elkaar toe bewegen. Ons onderzoek laat zien dat dat niet altijd het geval is.”

De proefpersonen speelden een variant op het spel Zeeslag.

Marc Swerts e.a. voor NEMO Kennislink

Krat bier versus bak bier

Het onderzoek bestond uit twee vergelijkbare experimenten, waaraan telkens 20 Nederlanders en 20 Vlamingen deelnamen. Elke Nederlander was gekoppeld aan een Vlaming, met wie hij of zij een variant op het spelletje Zeeslag moest spelen via een Skypeverbinding. De koppels wisten van tevoren niet van elkaars nationaliteit, en hadden ook geen idee van het doel van het onderzoek. In het eerste experiment hadden de icoontjes die werden gebruikt verschillende benamingen in Nederland en Vlaanderen, zoals magnetron versus microgolfoven, krat bier versus bak bier, bank versus zetel. In het tweede experiment waren de woorden hetzelfde, maar was de uitspraak verschillend. Het ging om woorden als parfum, tram, salami en bikini. Van tevoren moesten de proefpersonen de icoontjes benoemen, zodat duidelijk was wat voor hen gangbaar was.

Zodra de Skypeverbinding gemaakt was, hadden de deelnemers na een halve zin al door dat ze te maken hadden met een Nederlander dan wel Vlaming, vertelt Swerts. De deelnemers hadden om en om de beurt en produceerden zinnetjes als: ‘Pak de magnetron en leg die op A3’. Aan het eind van het spel hadden Vlamingen zich in hun taalgebruik veel meer aangepast aan de Nederlanders dan andersom. “Vlamingen pasten zich in een derde van de gevallen aan in woordkeuze: ze gingen bijvoorbeeld het woord ‘magnetron’ gebruiken, terwijl Nederlanders het omgekeerde nauwelijks deden. Voor de uitspraak zagen we hetzelfde effect, hoewel dat iets minder sterk was dan bij de woorden.”

Status van de standaardtaal

Hoe komt het dat Vlamingen zich wél aanpassen aan Nederlanders en niet andersom? Het zegt in ieder geval niets over de volksaard, zegt Swerts. “Ik denk dat het te maken heeft met de status van de standaardtaal. Voor heel veel Nederlanders geldt dat de standaardtaal die ze spreken gelijk is aan hun moedertaal. In België geldt dat niet. Zoals ik nu spreek in dit interview, spreek ik niet met mijn ouders. Dan spreek ik een dialect, en dat geldt voor veel Belgen. En dat heeft ermee te maken dat het Standaardnederlands zich al veel langer heeft kunnen ontwikkelen in Nederland dan in Vlaanderen.”

Omdat Vlamingen dus eigenlijk twee varianten kennen van het Vlaams, namelijk hun eigen dialect en een meer standaardtalige variant, lijken ze van nature meer getraind om sneller van taal te wisselen. Ze zijn met andere woorden flexibeler in hun taalkeuze dan Nederlanders, volgens Swerts.

Tussentaal
In Vlaanderen spreekt een grote meerderheid van de bevolking zogenaamde ‘tussentaal’: een variant tussen dialect en standaardtaal in. Volgens sommige taalkundigen komt dit doordat Vlamingen onzeker zijn over de standaardtalige norm; volgens anderen wijst het juist op taalzekerheid, omdat ze niet willen voldoen aan de standaardtalige norm.

Vlamingen zijn taalonzeker

Daarnaast speelt volgens Swerts mee dat Vlamingen doorgaans onzeker zijn over gebruik en status van de standaardtaal. Stef Grondelaers beaamt dit. Hij is sociolinguïst aan de Radboud Universiteit, en net als Swerts een Vlaming die in Nederland werkt. Maar volgens hem is de verklaring dat Vlamingen flexibeler zijn in hun taalkeuze onjuist. “Er wordt vaker gezegd dat de dialecten in Vlaanderen sterker staan dan in Nederland, maar daar valt veel op af te dingen. Eigenlijk geldt dat alleen voor de westelijke provincies in Vlaanderen, daar is echt een dialectcultuur. Maar kijk je bijvoorbeeld naar Belgisch Limburg, dan wordt daar veel minder dialect gesproken dan in Nederlands Limburg.”

Volgens de Nijmeegse onderzoeker heeft de aanpassing van Vlamingen aan Nederlanders daarom weinig met flexibiliteit te maken, maar alles met prestige. “Officieel spreken wij in Nederland en Vlaanderen één taal. Het probleem is dat Nederlanders in het geheel niet geïnteresseerd zijn in Vlamingen. Dat merk ik aan mijn studenten, die weten niks van Vlaanderen af, die vinden Vlaanderen niet interessant en die hebben maar een rudimentair idee van hoe het Vlaams klinkt, al herkennen ze het wel meteen. Bovendien kijken ze er ook nog eens hard op neer. Het omgekeerde is heel anders: Vlamingen hebben het idee dat Nederlanders zeer goed zijn in het Nederlands, dat Nederlanders zelfverzekerder en assertief zijn. Dus je krijgt een typische accommodatie-situatie. Die Vlaamse taalonzekerheid vertaalt zich in hun aanpassing aan de Nederlandse norm.”

Taalgeschiedenis

Grondelaers wijst op twee Nederlandse studies (zie kader) die dit prestige-onderscheid tussen Nederlanders en Vlamingen hebben aangetoond. Volgens hem is een symmetrische taalsituatie tussen twee sprekers helemaal niet gebruikelijk. “Zodra een taal of een accent van één van de gesprekspartners meer prestige heeft, zorgt dat voor hoge bewondering en tegelijkertijd angst voor afwijzing. Hetzelfde geldt wanneer iemand uit de Randstad spreekt met een Limburger. Het Randstedelijk accent wordt prestigieus gevonden en tegelijkertijd kil en afstandelijk. Het Limburgse accent in Nederland wordt warm en aantrekkelijk gevonden, maar ook dom. Vlamingen worden net als Limburgers beschouwd.”

Dat prestige een grote rol speelt, vindt ook Swerts wel aannemelijk. “Vlamingen zullen zich wellicht vaker afvragen of ze hun eigen variant wel kunnen gebruiken omdat ze niet zeker zijn of die wel acceptabel is.”

Uit attitudeonderzoek uit 2002 onder Nederlandse studenten blijkt dat Vlaamse sprekers negatief beoordeeld worden op de dimensies ‘sociaal’ en ‘competent’. Uit attitudeonderzoek uit 2009 onder leerlingen in Nederlands en Belgisch Limburg, blijkt dat Nederlandse leerlingen negatiever zijn over Belgische accenten dan Belgische leerlingen over Nederlandse accenten.

Die taalonzekerheid heeft dan weer alles te maken met de Vlaamse taalgeschiedenis. In de zestiende en zeventiende eeuw kwam de ontwikkeling van de standaardtaal in Vlaanderen tot stilstand door de Spaanse overheersing. Het Frans werd de nationale taal. Pas aan het eind van de negentiende eeuw veranderde de situatie, en koos men ervoor om de Noord-Nederlandse standaardtaal over te nemen. “Tussen de twee wereldoorlogen werd het Noord-Nederlands met geweld opgedrongen aan de Vlamingen”, vertelt Grondelaers. “Nog steeds leren Vlamingen op school dat het Belgisch-Nederlands gebrekkig is. Geen wonder dus, dat Vlamingen zodra ze merken met een Nederlander van doen te hebben, onmiddellijk overschakelen op het Noord-Nederlands.”

Volgens Grondelaers weten Vlamingen heel goed wat de norm is. Maar tussen die norm – “de taal die alleen op de VRT, de Vlaamse radio- en televisieomroep, gesproken wordt” – en de taalpraktijk bestaat een levensgrote kloof. Dat ze in Vlaanderen vooral tussentaal (een variant tussen dialect en standaardtaal in) spreken, komt doordat het Noord-Nederlands ook kil en afstandelijk wordt gevonden. Je moet als Vlaming in Vlaanderen dus niet aankomen met een Noord-Nederlandse tongval.

Zelf doet Grondelaers dat ook niet als hij bij vrienden of familie is. “Ik moet de woorden die ik in Nijmegen leer, vooral voor mijzelf houden. Het is een gek verhaal: in Vlaanderen bewondert men een standaardtaal die niemand spreekt. En men haat de tussentaal die iedereen spreekt. In Nederland is de standaardtaal compleet geaccepteerd en volkomen onomstreden: mijn studenten begrijpen zelfs niet hoe het mogelijk is dat iemand zich onwennig kan voelen in zijn of haar taal. Voor Vlamingen is die onwennigheid een dagelijkse realiteit, en die wordt alleen maar acuter in interactie met Nederlanders.”

Bronnen
  • Marc Swerts, Anouk Van Heteren, Chloë Nieuwdorp, Eline Von Oerthel and Hanne Kloots: Asymmetric Forms of Linguistic Adaptation in Interactions Between Flemish and Dutch Speakers. In: Frontiers in Commununication, 06 August 2021 | DOI 10.3389/fcomm.2021.716444
  • Tessa Heijmer & Vonk, R. (2002). Effecten van een regionaal accent op de beoordeling van de
    spreker [Effects of a regional accent on the evaluation of the speaker]. Nederlands Tijdschrift
    voor de Psychologie, 57, 108-113.
  • Renée van Bezooijen (2002). Aesthetic evaluation of Dutch. Comparisons across dialects, accents,
    and languages. In D. Long & D. R. Preston (Eds.), Handbook of perceptual dialectology
    (Vol. 2, pp. 13-30). Amsterdam, the Netherlands: Benjamins.
  • Mieke Steegs, Roeland van Hout en Stef Grondelaers (2009): Waardering en herkenning van Limburgse accenten aan weerszijden van de Rijksgrens. Veldeke Jaarboek. Ver. Veldeke Limburg.
  • Koen Plevoets (2011), Tussentaal uit taalonzekerheid: Tussentaal uit taalonzekerheid.
ReactiesReageer