Naar de content

Waarom vallen we zo vaak in herhaling?

Over het gebruik van taalclichés

Flickr, Elvin via CC BY 2.0

“Zo vakantieganger!” roept je collega op kantoor als je terugkomt van een weekendje Berlijn. “Het gewone leven gaat weer beginnen.” Na een drukke dag werken en opmerkingen aanhoren van jaloerse collega’s, begroet je je partner thuis vervolgens met de zin “Ik ben alweer aan vakantie toe!”

4 november 2015

Iedereen gebruikt dagelijks clichés. Voor de gemiddelde Nederlander is het grote aantal taalclichés in het boekje van Wouter van Wingerden en Pepijn Hendriks daarom een feest van herkenning.

Wat zijn er veel zinnetjes die we onbewust heel vaak gebruiken. En dat is ook een beetje beschamend: we zijn met z’n allen een stuk minder origineel dan we wellicht dachten.

Maar waarom vallen we in het dagelijks taalgebruik dan zo vaak terug op clichés? Daarover sprak ik met Ton van der Wouden, taalkundige aan het Meertens Instituut. Hij doet onderzoek naar de structuur van woorden en vaste uitdrukkingen in het Nederlands.

Betekenisloze zinnetjes

“Ik vergelijk het gebruik van clichés graag met apen die elkaar vlooien”, zegt Van der Wouden. “Vlooien versterkt de band, en maakt bovendien duidelijk hoe de onderlinge verhoudingen liggen. Als je gevlooid wordt, hoor je bij de groep. Ook wij mensen zijn groepsdieren. We laten graag zien bij welke groep we horen, en bij welke juist niet. Dat doen we niet alleen door onze kledingkeuze, maar vooral ook door ons taalgebruik.”

Net zoals apen vlooien, gebruiken mensen taalclichés om de band te versterken.

Flickr, Elvin via CC BY 2.0

Kennelijk is de sociale groep waartoe we behoren niet alleen van invloed op onze uitspraak (vergelijk de Gooise r en de Leidse r) of woordkeuze (zeg je toilet of wc?), maar ook op de zinnen die we gebruiken.

Vooral bij gerecyclede zinnetjes ligt die sociale functie er dik bovenop. Ze zijn namelijk heel vaak betekenisloos, vertelt Van der Wouden. “Op de vraag Heb je het een beetje kunnen vinden? verwacht je niet een uitgebreid antwoord. Dit soort zinnetjes gebruik je vooral als je niet zo goed weet wat je moet zeggen. En om de ander op zijn gemak te stellen: om de onderlinge band te bevestigen.”

Niet in de woordenboeken

Maar zijn taalclichés dan altijd positief? “Nee, want je hebt ook zinnetjes als Ben je er nu pas? Heb je je weer verslapen?” Dit soort voorbeelden laat ook zien dat er achter zo’n zinnetje een heel verhaal verscholen gaat, dat in je hoofd direct wordt ingevuld. Ben je er nu pas? is natuurlijk geen echte vraag, maar veel meer een verwijt. Je ziet al een chagrijnige echtgenote voor je die haar man venijnig toespreekt als hij vrolijk de voordeur openslaat terwijl de rest van het gezin de avondmaaltijd nét achter de kiezen heeft.

Dat we zo’n zinnetje als Ben je er nu pas? Of Heb je het een beetje kunnen vinden? niet al te letterlijk moeten nemen, hebben we allemaal ooit geleerd doordat ze in bepaalde situaties voorkwamen. Dit is het onderdeel van de taal dat we ook wel ‘pragmatiek’ noemen: de kennis van situaties waarin we bepaalde taalvormen gebruiken. Dat je je beste vriend niet aanspreekt met u en dat je de minister-president niet aanspreekt met gozer. Deze informatie is meestal niet terug te vinden in een woordenboek of een grammatica. Tweedetaalleerders moeten die pragmatische kennis daarom oppikken in de praktijk.

Voorgekookte zinnen

“Het zegt ook iets over de manier waarop taal is opgeslagen in onze hersenen”, voegt Van der Wouden toe: “Blijkbaar hebben we niet alleen maar woordjes en grammaticale regels in ons hoofd, maar zijn er ook uitdrukkingen die we kant-en-klaar hebben opgeslagen.” Als bewijs voert de onderzoeker studies aan onder afasiepatiënten. “Die mensen kunnen door een hersenbloeding of ongeluk geen begrijpelijke zinnen meer formuleren, maar soms nog wel het Onze Vader opzeggen.”

Dat we zulke kant-en-klare zinnetjes in ons hoofd hebben zitten, is heel handig volgens Van der Wouden, die zich er naar eigen zeggen ook vaak schuldig aan maakt. “Het is natuurlijk heel efficiënt om zo’n voorgekookt zinnetje van de plank te trekken. Dat gaat veel sneller dan een nieuwe zin maken. En het voorkomt misverstanden: je gesprekspartner weet precies wat je ermee bedoelt!”

Pauwenstaart

Efficiëntie dus, en erbij willen horen, dat is wat ons drijft in het gebruik van taalclichés. Maar hoe zit het dan met ‘de taal als pauwenstaart’, een andere metafoor die Van der Wouden nog even terloops noemt? Deze metafoor wordt binnen de taalkunde vaker gebruikt om aan te geven dat we taal ook gebruiken als middel om een partner te vinden.

Maar als je indruk op de ander wil maken, dan probeer je toch zo origineel mogelijk te zijn in je taalgebruik? Niet altijd, volgens de onderzoeker: “Door taalclichés te gebruiken, laten we óók zien dat we het hele arsenaal van de taal beheersen.” En dus blijven we gewoon lekker doorgaan met vlooien.

Bron:
ReactiesReageer