Naar de content

Voor een dubbeltje verzekerd tegen de dood

Begrafenisfondsen in de 19e eeuw en het misbruik ervan door een seriemoordenares

wiki commons

Iemand begraven is niet goedkoop. Dat was het in de negentiende eeuw ook niet. Wie geen begrafenis kon betalen, kreeg een zeer armoedige begrafenis van de gemeente. Om deze schande te voorkomen, sloten arme mensen een verzekering af bij een begrafenisfonds. Fraude lag echter op de loer.

24 september 2015

Begrafenisfondsen zijn een typisch verschijnsel uit de negentiende eeuw. Voor de afschaffing van de gilden – na de Bataafse Revolutie rond 1795 – waren begrafenissen een meer publieke aangelegenheid. Ambachtslieden waren verplicht lid van de gilde. Je had allerlei verschillende gildes, van het kunstenaarsgilde tot aan het gilde voor bakkers.

Een gilde controleerde de kwaliteit van de gemaakte producten en hun makers, bepaalde de juiste prijzen en zorgde daarnaast voor hun leden en diens familie bij ziekte en na overlijden. De begrafenis werd georganiseerd en betaald door het gilde. Hierbij waren alle gildebroeders aanwezig voor een laatste eerbetoon, de mensen uit de buurt en natuurlijk de familie.

Vertrouwen staat aan de basis

Met het wegvallen van de gilden eind achttiende eeuw, viel ook de zorg voor overleden leden weg. Vooral de armsten konden zelf geen begrafenis betalen. En de armoede was groot onder de uitgebuite fabrieksarbeiders in de negentiende eeuw. Een beetje fatsoenlijke begrafenis kostte al snel ƒ50, ongeveer hetzelfde als twee maandsalarissen van een arbeider. Als je het geld niet had, leverde de gemeente een begrafenis ‘van de armen’. De goedkoopste kist, een graf in een hoekje achteraf tussen de ander sloebers en een begrafenis die alleen ‘s morgens vroeg plaatsvond. Zo’n einde werd als een schande ervaren voor de nabestaanden. Begrafenisfondsen sprongen in dit gat met een goedkope verzekering.

Het begon met éénpitters die zelf hun klanten wierven. Zij haalden, om de kosten voor de armlastige leden te spreiden, wekelijks de contributie op van ongeveer een dubbeltje per persoon. Het was voor deze begrafenisfondsondernemers dus belangrijk dat alle mensen bij wie ze de contributie moesten ophalen bij elkaar in de buurt of stad woonden, anders was het logistiek niet haalbaar. De wegen waren slecht en openbaar vervoer zoals wij dat nu kennen, was er niet. Het snelst was de trekschuit. Maar ook op die manier duurde het een paar uur voordat je in de naastgelegen stad was.

Wanneer de zaken goed gingen kon een begrafenisfonds bodes inhuren, mannen die voor hen de contributies ophaalden. Het was belangrijk dat deze mannen betrouwbaar waren, niet alleen vanwege het geld dat ze ophaalden, maar ook om nieuwe mensen over te halen lid te worden. De contributies waren namelijk best wel een uitgave voor arme mensen, die hun karige inkomen hard nodig hadden voor eten, huur en andere basisbehoeften. De bodes kwamen daarom vaak uit dezelfde buurt als waar ze de contributies ophaalden. De leden hadden een hechtere band met de bode die elke week op hetzelfde tijdstip langskwam, dan met het fonds zelf.

Kinderen maken voor de uitkering?

Het voordeel van de uitkering bij het overlijden van een familielid woog zwaarder dan het nadeel van de contributiekosten. Het aantal begrafenisfondsen steeg dan ook snel. Uit een onderzoek uit 1890 door de Maatschappij tot Nut van’t Algemeen (Nut in het kort) blijkt dat ongeveer de helft van de Nederlandse bevolking een verzekering voor begrafeniskosten had afgesloten. Dit percentage was niet gelijk verdeeld over de maatschappij: onder de armen lag het een stuk hoger dan die vijftig procent vanwege de lage levensverwachting van hun kinderen.

De helft van de kinderen stierf voor hun eerste levensjaar vanwege slecht voedsel en belabberde hygiëne in verpauperde sloppenwijken. De open grachten in de steden deden dienst als riool en besmettelijke en dodelijke ziektes als cholera tierden hier welig. Daarnaast moesten ook de vrouwen aan het werk zodat baby’s geen borstvoeding kregen. Haalden kinderen hun eerste jaar wel, dan moesten ze al op jonge leeftijd aan het werk: vijf jaar was geen uitzondering. De slechte en vaak gevaarlijke omstandigheden in de fabrieken eisten slachtoffers.

Het Nut deed onder andere onderzoek naar kindersterfte omdat ze bang was dat ouders opzettelijk kinderen kregen met als doel ze te verzekeren en vervolgens te vermoorden voor de begrafenisuitkering. Maar uit dit onderzoek bleek dat de verwaarlozing bij kinderen van arme fondsleden niet erger was dan bij kinderen van arme ouders zónder verzekering bij een begrafenisfonds. Het hoge sterftecijfer onder kinderen had dus niets te maken met de verzekering…

Seriemoordenares fraudeert met fondsen

Toch kwam fraude wel degelijk voor. De bodes, de mannen die het geld kwamen ophalen en de uitkeringen betaalden, reden nog wel eens een scheve schaats. Ze staken een deel van de uitkering in eigen zak of ze schreven een lid twee keer in zodat de bode bij overlijden een van de twee premies zelf kon houden. Maar aan de andere kant betaalden ze regelmatig uit als het volgens de reglementen eigenlijk niet zou hoeven. Ze wilden een slechte naam in de buurt voorkomen om geen (toekomstige) klanten kwijt te raken.

Bodes knepen ook nog wel eens een oogje dicht bij het verplichte medische onderzoek bij de uitbetaling of lieten het toe dat nieuwe leden werden ingeschreven door mensen die geen familie waren. Vooral de laatste twee situaties kon leiden tot fraude en zelfs moord. Het betekende namelijk dat iemand jou kon verzekeren zonder dat je het wist en na je dood de uitkering kon opstrijken zonder dat er een geneeskundig onderzoek of overlijdensakte van de dokter aan te pas kwam.

Een van Nederlands bekendste seriemoordenaars, de Leidse volksvrouw Maria Swanenburg, heeft jarenlang familieleden en bekenden uit haar omgeving vergiftigd om vervolgens de uitkeringen van de begrafenisfondsen te incasseren. Deze ‘Goeie Mie’ heeft zo 27 mensen vermoord. Ze betaalde niet alleen contributies voor meerdere mensen zonder dat zij het wisten, de verzekeringsbodes vonden dit ook helemaal niet vervelend. Het scheelde hen weer een rondje lopen. Mie heeft het daarnaast voor elkaar gekregen om enkele verzekeringen van overleden familieleden uitbetaald te krijgen zonder dat zij een overlijdensakte hoefde te overhandigen en waar ze ook niet zelf de contributies voor had betaald.

Het was voor arme mensen niet ongewoon was om zich bij meerdere begrafenisfondsen te verzekeren om een luxere begrafenis te kunnen betalen. Maar bij overlijden kreeg de familie maar een enkele overlijdensakte en die konden ze ook maar aan één fonds overhandigen. Het was trouwens ook mogelijk om een verzekering voor een klasse hoger af te sluiten om zo je luxere begrafenis te kunnen betalen. Dit gebeurde alleen weinig omdat de keuringen strenger waren en de bodes liepen meer risico dat arme mensen de hogere contributie niet konden betalen.

Ten onder aan populariteit

Aan het einde van de negentiende eeuw ging het mis met de begrafenisfondsen. Het vastgestelde bedrag voor de contributie en de uitkering bij overlijden was nattevingerwerk en niet gebaseerd op statistische gegevens. Met steeds meer leden en vergrijzing van het ledenbestand groeide het risico dat de bodes de uitkeringen niet konden betalen. Vooral veel kleine fondsen gingen failliet en de leden waren dan alles kwijt.

Vanaf 1880 werden de volksverzekeringen populair omdat mensen hier kleine bedragen konden verzekeren. De bijhorende premies waren vastgesteld aan de hand van sterftecijfers waardoor deze verzekeringsmaatschappijen een veel lager risico liepen dan de ouderwetse begrafenisfondsen. De laatsten moesten zich wel aanpassen en gingen op in de nieuwe, veel grotere, verzekeringsmaatschappijen of failliet. De tijd van de persoonlijke eenmansfondsen was voorbij.

Bronnen
  • Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw (2010, Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam)
  • J.B.J. Bollerman Ra en J.N.J. Broenik, het begrafenisfonds ‘Let op uw einde’ 1847 – 1893 (1983, M. Nijhoff Leiden)
  • W.L.P.A. Molengraaff, G.J. Legebeke en J.L. Huysinga, De begrafenisfondsen in Nederland. Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen (1891, De Grauw Ouderkerk)
ReactiesReageer