Naar de content

Te kort door de bocht, maar toch waar?

Waarom we geloven dat moslims terroristen zijn

Gastongato voor Wikimedia via CC0

‘Vogels vliegen’, ‘teken dragen Lyme’, ‘pitbulls zijn agressief’. Allemaal waar, maar toch ook weer niet helemaal: deze uitspraken zijn niet altíjd waar. De Amsterdamse hoogleraar Robert van Rooij heeft een nieuwe theorie ontwikkeld die verklaart waarom – en wanneer – we zulke algemene zinnen als juist ervaren.

22 januari 2018

Niet álle vogels vliegen: struisvogels en pinguïns blijven met beide poten op de grond. Slechts één op de vijf teken in Nederland is besmet met de bacterie die de ziekte van Lyme veroorzaakt. En bij jou in de buurt woont wellicht een pitbull die nóóit iemand zou bijten. Zulke zinnen, waarin een algemene, kenmerkende eigenschap wordt toegekend aan een onderwerp, heten in de taalkunde ‘generieke zinnen’. Er zijn bijna altijd uitzonderingen te noemen die zo’n generieke zin onwaar maken, en toch ervaren wij hem als waar.

“Generieke zinnen hebben een grote invloed op het sentiment in de maatschappij”, aldus Robert van Rooij.

Universiteit van Amsterdam

Generieke zinnen kunnen een grote sociale impact hebben, vertelt Robert van Rooij, hoogleraar Logica en cognitie aan de Universiteit van Amsterdam. “Bijvoorbeeld ‘Moslims zijn terroristen’, ‘Hillary Clinton is een leugenaar’ of ‘meisjes zijn slecht in wiskunde’. Allemaal in lang niet alle gevallen waar, maar ze hebben wel een grote invloed op het sentiment in de maatschappij en de politiek.”

Tegelijk hebben we ook voordeel van zulke ‘kort door de bocht’-kennis. Als je een teek op je lijf vindt, houd je die plek wel een poosje extra goed in de gaten. En als je een pitbull ziet lopen, steek je toch voor de zekerheid even de straat over.

Relatief

Als deze zinnen niet honderd procent waar zijn, waarom interpreteren we ze dan wél als zodanig? Hiervoor bestaan twee verklarende theorieën, die echter allebei niet kloppen volgens Van Rooij. “De eerste stelt dat een generieke zin waar is als hij in de meeste gevallen juist is. Dat klopt in het geval van de vliegende vogels: de meeste vogels vliegen inderdaad. Maar dat gaat niet op voor de besmette teken of de andere voorbeelden”, legt hij uit. “De andere theorie zegt dat een generieke zin klopt als hij in het ‘normale geval’ juist is, maar wat is normaal? Als je zegt ‘eenden hebben kleurrijke veren’, zeg je dus eigenlijk dat de mannelijke eend de prototypische eend is. Dat is natuurlijk vreemd.”

De hoogleraar heeft daarom een nieuwe theorie uitgedacht die onze verwerking van generieke zinnen verklaart. “Ik zeg dat een generieke zin waar is als hij klopt voor relatief veel gevallen. Vergeleken met andere dieren zijn er inderdaad veel vogels die vliegen. Vliegen is een representatieve eigenschap van vogels, als je ze vergelijkt met andere dieren. Dus dat maakt een zin als ‘Vogels vliegen’ waar.”

Maar dat gaat toch niet altijd op? Er zijn bijvoorbeeld relatief weinig teken die besmet zijn met Lyme. En slechts een klein deel van de moslims hangt een terroristische ideologie aan. “Daar komt inderdaad het tweede aspect van mijn theorie om de hoek kijken: angst. Als de eigenschap die je aan een onderwerp toekent angst inboezemt, heb je relatief minder gevallen met die eigenschap nodig om de uitspraak als waar op te vatten. Haaien vallen doorgaans geen mensen aan, maar als het toch gebeurt, loopt dat meestal slecht af. Die angst zorgt ervoor dat we het erover eens zijn dat haaien gevaarlijk zijn, terwijl het om een relatief klein deel van de haaien gaat.”

Zekere voor het onzekere

Van Rooijs theorie sluit goed aan bij wat we weten over hoe we leren. “Als je leert leg je associaties. Je leert bijvoorbeeld eieren leggen te associëren met vogels. Volgens de leertheorieën ontstaan zulke associaties doordat in dit geval vogels in vergelijking met andere dieren relatief vaak eieren kunnen leggen. Daarnaast leveren gebeurtenissen die angst oproepen snellere en sterkere associaties op. Die hebben een grotere impact en blijven je beter bij.”

Hoewel generieke zinnen dus lang niet altijd waar zijn, vatten we ze meestal wel zo op. De theorie van Van Rooij verklaart ook welk nut dit heeft. “Die algemene interpretatie heb je nodig om conclusies te trekken over onbekende objecten en toekomstige gebeurtenissen”, legt hij uit. “Je kunt er maar beter van uitgaan dat een haai die je niet kent gevaarlijk is. Die voorspelling kan natuurlijk fout zijn. Maar hoe belangrijker die voorspelling voor ons is, hoe meer we bereid zijn deze fouten te tolereren. Je wilt ten slotte niet door een haai gebeten worden of het risico lopen de ziekte van Lyme te krijgen.” Je neemt dus het zekere voor het onzekere.

Leren van de media

De komende tijd zal Van Rooij zijn theorie toetsen. “Daarvoor wil ik proefpersonen generieke zinnen laten beoordelen op waarheid. Stel, je ziet een plaatje met twintig jongens en twintig meiden. Negen jongens dragen een rood shirt, de overige elf een blauwe. Van de meiden dragen er negen een groen shirt en elf een blauwe. Kun je dan zeggen: ‘Jongens dragen een rood shirt’?”

Om het angst-aspect in zijn theorie te onderzoeken gaat de hoogleraar kijken naar kranten. “Daarin staan vooral zeldzame gebeurtenissen die veel impact hebben”, legt hij uit. “Dingen die vaak gebeuren komen niet in de krant, terwijl er veel meer mensen sterven bij auto-ongelukken dan bij terroristische aanslagen. En als je dan in een krant bijvoorbeeld relatief vaak het woord ‘moslim’ in de buurt van het woord ‘terrorisme’ ziet staan, leg je die associatie en koppel je dus terrorisme aan moslims. In die zin bepalen media voor een belangrijk deel de associaties die je legt en de generieke zinnen die je voor waar opvat. Als we op dezelfde manier van media leren als we in het echt leren, laat dit zien dat de media een erg grote invloed hebben op wat we denken, en dus op ons gedrag.”

ReactiesReageer