Je leest:

Tachtigjarige Oorlog in Noord en Zuid

Tachtigjarige Oorlog in Noord en Zuid

Auteur: | 19 juni 2014

Tijdens en na de Tachtigjarige Oorlog ontstonden er in de noordelijke en zuidelijke Nederlanden twee heel verschillende herinneringsculturen aan de Nederlandse Opstand tegen Spanje. De verschillen tussen Noord en Zuid werden zo steeds groter en dat droeg bij aan het ontstaan van twee verschillende nationale identiteiten.

De gebieden van de Unies van Atrecht en Utrecht (1579). Grote delen van de Zuidelijke Nederlanden werden in de loop van de Tachtigjarige Oorlog terugveroverd door Spanje.
wikimedia commons

In 1566 (het jaar van de Beeldenstorm, anderen zeggen 1568, het jaar van de Slag bij Heiligerlee) brak de Nederlandse opstand tegen koning Filips II van Spanje uit. Al snel splitste de Nederlanden in twee stukken. In januari 1579 verenigden de zuidelijke provinciën zich in de Unie van Atrecht en verzoenden ze zich met het Habsburgse Spanje. De zeven noordelijke gewesten sloten kort daarop als reactie de Unie van Utrecht, een defensief verdrag waarin ze afspraken samen verder te vechten tegen Spanje. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was geboren en de kiemen van wat later Nederland en België zouden worden, waren gelegd.

Gedurende de tachtigjarige oorlog (1566/68-1648) en ook daarna nog gingen zeventiende-eeuwse spindoctors in noord en zuid creatief om met de herinneringen aan de beginjaren van de Opstand. Zo ontstonden er bij noordelijke en zuidelijke Nederlanders hele andere opvattingen over de Opstandsjaren. In zijn proefschrift onderzocht historicus Jasper van der Steen hoe die verschillen ontstonden en waarom noordelijke en zuidelijke Nederlanders zo anders met de Opstand omgingen.

Goede Nederlanders zijn vóór de Opstand

Het verleden inzetten als politiek propagandamiddel lijkt vanzelfsprekend en van alle tijden, maar Van der Steen laat zien dat dit nog aardig wat moeite kostte, vooral voor de noordelijke Nederlanden. Noord-Nederlandse propagandisten moesten het verleden letterlijk opnieuw uitvinden. Ze hadden vanaf het begin te maken met een ingewikkeld communicatieprobleem. In de zestiende- en zeventiende-eeuw kon je politieke claims, zoals een opstand tegen een koning, het best motiveren op basis van tradities. Als je kon aantonen dat iets altijd zo geweest is dan kon je het makkelijkst je recht halen.

De Nederlandse opstandelingen wilden juist breken met het verleden en voor zichzelf helemaal opnieuw beginnen. De opstandelingen konden zich niet beroepen op politieke of religieuze tradities. Ondanks dat de Opstand begonnen was als een conflict tussen de katholieke Spanjaarden en protestantse Nederlanders, was de propaganda in het noorden vooral seculier en anti-Spaans.

Belegering van Den Bosch door de Spanjaarden, 1629
wikimedia commons

“Aan het begin van de zeventiende eeuw, toen er een vrede met Spanje in de lucht hing, waren het vooral tegenstanders van die vrede die een soort ‘historische canon’ over de Opstand in het leven riepen”, zegt Van der Steen. “Hun verhaal wilde vooral aantonen hoe slecht en onbetrouwbaar de Spanjaarden waren. Daardoor ontstond ook langzaam iets van een nationale identiteit: goede Nederlanders zijn vóór de Opstand en tegen een vrede. Het noord-Nederlandse verhaal van de Opstand was een opvallend seculier verhaal. Dat was een van de weinige manieren voor Nederlanders om tijdens de strijd tegen de Habsburgse landsheer een saamhorigheidsgevoel te creëren in een federale staat zonder staatskerk en zonder soevereine dynastie.”

Verschillende identiteiten

Van der Steen ontdekte ook dat het Opstandsverleden gedurende de zeventiende-eeuw eeuw steeds opnieuw werd ingezet in conflicten tussen Noord en Zuid. Het diende zelfs als een belangrijk politiek wapen in nieuwe binnenlandse conflicten, zoals de godsdiensttwisten tijdens het twaalfjarig bestand.

In tegenstelling tot de opstandelingen in het noorden konden de zuidelijke, Habsburgse Nederlanders zich wél op de gebruikelijke communicatiestrategieën – religieuze en politieke tradities – beroepen. “Daardoor was het voor de Habsburgers bijvoorbeeld gemakkelijker om met inwoners van terugveroverde steden af te spreken de vijandelijkheden snel te vergeten. De inwoners van de die steden konden er in de zuidelijke, religieus gemotiveerde visie, niet zoveel aan doen dat ze even aan de ‘verkeerde kant’ stonden. De Opstand en het bloedvergieten was zodoende niet hun schuld, maar van ‘ketters’ uit het noorden.” legt Van der Steen uit.

Mede door die verschillende herinneringsculturen in de noordelijke en zuidelijke Nederlanden zijn er langzaam twee verschillende nationale identiteiten ontstaan. “Voor de Opstand waren de verschillen tussen Holland en Vlaanderen veel kleiner dan tussen bijvoorbeeld Holland en Overijssel”, zegt Van der Steen. “De grote verschillen tussen de herinneringscultuur in Noord en Zuid-Nederland hebben tot grote verschillen geleid, die er daarvoor helemaal niet waren. Dat kan ook helpen verklaren waarom het voor de Belgen zo onverteerbaar was om zich in 1815 weer (gedwongen) met Nederland te verenigen.”

Jasper van der Steen promoveert op 24 juni aan de Universiteit Leiden op zijn proefschrift Memory Wars in the Low Countries, 1566-1700.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 juni 2014

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.