Naar de content

Taalvaardige kleuter wordt minder snel afgewezen

Een kind zit op de grond naast een teddybeer.
Een kind zit op de grond naast een teddybeer.
Pixabay, CherryLHolt via CC0

Afgewezen worden door klasgenootjes begint al op jonge leeftijd. In de kleuterklas valt veertien procent van de kinderen buiten de groep. Op deze leeftijd spelen communicatieve vaardigheden een belangrijke rol bij sociale afwijzing, zo toont onderzoek van Femke van der Wilt aan.

25 oktober 2018

Sociale afwijzing bij kinderen komt voor in alle leeftijdsgroepen, met een piek in de vroege puberteit. Zelfs bij kleuters speelt het al een rol, zo blijkt uit diverse studies. Het promotieonderzoek van Femke van der Wilt laat zien dat al zo’n veertien procent van de kinderen in de kleuterklas afgewezen wordt door leeftijdsgenootjes. “Voor deze leeftijd is dat best een hoog percentage”, zegt pedagoog Van der Wilt, die deze maand promoveerde aan de Vrije Universiteit. “Ik wilde daarom onderzoeken wat de oorzaken zijn, voordat het vaste terugkerende patronen zijn.”

Een van de oorzaken lijkt te liggen in het niveau van taalvaardigheid bij kleuters. En dan vooral de manier waarop ze in staat zijn met andere kinderen een gesprek te voeren. “Bij jonge kinderen is een sterk verband gevonden tussen hun taalvaardigheid en hun sociale relaties”, vertelt Van der Wilt. Ze verwijst naar een onderzoek uit 2016 waarin 42 studies met elkaar werden vergeleken. De leeftijdsgroep varieerde tussen de 3 en 11 jaar. Vooral voor jonge kinderen werd een effect gevonden. Omdat er bij kleuters nog zulke grote individuele verschillen bestaan in taalvaardigheid, speelt dit een grotere rol in mate van afwijzing.

Geen sekseverschil

Voor de theorievorming maakte de onderzoeker gebruik van het werk van de Russische psycholoog Lev Vygotsky die veel schreef over het communicatieve aspect van taal. “Hij stelt dat mensen die verbaal vaardig zijn, beter in staat zijn om bepaalde problemen op te lossen, omdat ze minder teruggeworpen worden op hun non-verbale gedrag. Bovendien kun je met taal je eigen gedrag reguleren, door jezelf instructies te geven. Jonge kinderen praten vaak nog hardop tegen zichzelf. Bij het ouder worden wordt dat geïnternaliseerd. Dus dan praat je ook nog wel tegen jezelf, maar meestal in je hoofd.”

In voorgaande studies werd vaker een verband gevonden tussen taalvaardigheid en sociale afwijzing bij jongens. Een verklaring zou zijn dat jongens er meer baat bij hebben hun gevoelens onder woorden te brengen, omdat zij vaker agressieve neigingen zouden hebben dan meisjes. Maar volgens Van der Wilt is er nauwelijks sprake van een sekseverschil: “De studies die dit aantoonden waren te klein om betrouwbare uitspraken te doen.” Zelf vond ze een verschil tussen jongens en meisjes in haar eerste studie (met 54 kinderen), maar dat verdween toen ze een grotere groep kinderen (447 kinderen) onderzocht.

Sociale interactie

Voor haar onderzoek bezocht Van der Wilt kleuterscholen in verschillende delen van het land. Ze nam testjes af bij kinderen tussen 4 en 6 jaar oud, waarin de sociale taalvaardigheid werd gemeten. In vergelijkbare studies gebeurt dit vaak met woordenschattestjes, vertelt de onderzoeker. In haar onderzoek stond de sociale interactie centraal, omdat daar nog weinig onderzoek naar was gedaan. Van der Wilt maakte daarvoor gebruik van de Nijmeegse Pragmatiektest, die de mondelinge communicatieve competentie meet.

Dat gaat als volgt: “Kinderen krijgen een verhaal te horen dat ze zelf moeten afmaken. Bijvoorbeeld: Peter wil graag met de blokken spelen, maar die liggen hoog op de kast. Peter kan er niet bij. Hij vraagt aan papa: ‘Papa, …?’ Aan het kind wordt gevraagd de zin af te maken. Deze moet dus reageren vanuit het juiste perspectief in een bepaalde sociale context. Vervolgens keken we of het antwoord passend was binnen deze context. Fouten in grammatica of uitspraak hebben we in deze studie genegeerd.”

Een kind zit op de grond naast een teddybeer.

Kinderen die afwijken van de groepsnormen, vallen vaker buiten de groep.

Pixabay, CherryLHolt via CC0

Vervolgens moesten de kinderen vertellen met welke klasgenootjes zij wel en met welke zij niet graag speelden. Op basis van deze gegevens konden de onderzoekers in kaart brengen welke kinderen geaccepteerd of juist afgewezen werden. “Maar er zijn ook kinderen die buiten de groep vallen, die worden niet geaccepteerd én niet afgewezen. Dat noemen we de genegeerde groep. En je hebt nog kinderen die én geaccepteerd én afgewezen worden, de controversiële groep.”

De studie laat zien dat taalvaardigheid – preciezer: mondelinge communicatieve competentie – een rol speelt in sociale afwijzing. De onderzoeker benadrukt dat ze in dit onderzoek nog geen causale relatie heeft kunnen vaststellen, maar ze vermoedt dat de relatie beide kanten op gaat: een lagere communicatieve competentie zorgt er eerder voor dat je als kind wordt afgewezen, en als je wordt afgewezen heeft dat weer invloed op je taalvaardigheid. Maar naar die causale relatie gaat ze na haar promotie verder onderzoek doen.

Groepsnormen

Een veelgestelde vraag bij haar onderzoek is in hoeverre sociaaleconomische status een rol speelt in de mate van communicatieve taalvaardigheid bij kinderen. Het opleidingsniveau van ouders bleek inderdaad een rol te spelen. “Kinderen waarvan de ouders een lager opleidingsniveau hadden, waren minder taalvaardig en werden vaker afgewezen”, aldus de onderzoeker. “Maar sociaaleconomische status viel niet volledig samen met communicatieve taalvaardigheid. Er was ook nog een uniek effect meetbaar op sociale afwijzing.”

In de kern draait sociale afwijzing volgens de onderzoeker om afwijking van bepaalde normen. En die normen verschillen per klas of per groep. “Er is bijvoorbeeld ook onderzoek gedaan waarin werd gekeken of migrantenkinderen vaker worden afgewezen door klasgenoten. En daar hangt het volledig af van de groepssamenstelling: hoeveel kinderen met een migrantenachtergrond zitten er in die klas. Als dat er veel zijn, vind je dat effect helemaal niet. Dan worden ze niet vaker afgewezen. Dus er zijn veel factoren die een rol spelen, maar groepsnormen maken veel uit.”

Van der Wilt adviseert leerkrachten daarom om enerzijds kinderen te helpen op een goeie manier te communiceren, maar anderzijds ook de gesprekscultuur in de klas bespreekbaar te maken. “Daarbij is het belangrijk dat kinderen zich niet alleen maar aan moeten passen aan de normen in de groep, maar dat de groep ook leert om tolerant te zijn te opzichte van kinderen die afwijken van de norm.”

Bronnen
  • Femke van der Wilt, Being rejected. The role of oral communicative competence. Proefschrift verdedigd op 8 oktober 2018 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
  • Troesch, Keller & Grob, Language competence and social preference in childhood: a meta-analysis, European Psychologist (2016), DOI: 10.1027/1016-9040/a000262
  • Menting, Van Lier & Koot, Language skills, peer rejection and the development of externalizing behavior from kindergarten to fourth grade, Journal of child psychology and psychiatry (2011), DOI: 10.1111/j.1469-7610.2010.02279.x
ReactiesReageer