Je leest:

Spinozapremie 2016 naar filosoof Lodi Nauta

Spinozapremie 2016 naar filosoof Lodi Nauta

‘De geschiedenis van de filosofie is ons laboratorium’

Auteur:

Voor het eerst gaat een Spinozapremie naar de filosofie. Lodi Nauta van de Rijksuniversiteit Groningen wint dit jaar een premie van 2,5 miljoen euro van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Hij doet onderzoek naar de geschiedenis van de filosofie. “Sparren met filosofen uit het verleden: dat is ons laboratorium”, aldus Nauta.

Nauta
Filosoof Lodi Nauta: “De spanning tussen de technische taal van de scholastici en de ‘gewone taal’ van de humanisten is ook vandaag de dag actueel. Met gebruik van jargon kun je het oog op de werkelijkheid verliezen.”
Rijksuniversiteit Groningen

“Een mengeling van ongeloof, trots en enorme dankbaarheid.” Dat was de eerste reactie van Nauta toen hij te horen kreeg dat hij een van de Spinozaprijzen had gewonnen. “Het is toch de hoofdprijs in de Nederlandse wetenschap. Als je dat ten deel valt, maakt dat je wel even sprakeloos. Je denkt toch wel een beetje: ‘waarom ik?’ Maar ik zie het ook als een collectieve prijs voor het vakgebied.”

Lodi Nauta is hoogleraar Geschiedenis van de Filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. De commissie die de Spinozaprijzen verdeelt, roemt hem om de ‘vernieuwende wijze waarop hij taalkundige, historische en filosofische inzichten combineert’. De overgangsperiode van de middeleeuwen naar de renaissance is zijn voornaamste onderzoeksterrein. De hoofdthematiek uit die periode – hoe ver kun je theoretiseren zonder de werkelijkheid uit het oog te verliezen – is van alle tijden.

Potjeslatijn

Te technisch en te abstract taalgebruik. Dat was de voornaamste kritiek van de humanisten op de scholastici uit de middeleeuwen. Want door gebruik van jargon en technische taal verlies je het zicht op de werkelijkheid, zo meenden ze. Daarom gebruikten zij liever gewone taal om te filosoferen.

Nauta: “De middeleeuwers zagen taal als een filosofisch object van studie. Ze ontwierpen eigenlijk als taalkundigen avant la lettre op een vrij abstracte manier een theorie van betekenis. Het probleem was dat ze dat moesten doen in de taal die direct object van studie was, namelijk het Latijn. Dat was niet meer het mooie Latijn uit de klassieke oudheid, maar een heel technisch potjeslatijn.”

Small
Desiderius Erasmus (†1536) is een van de bekendste Nederlandse humanisten.

Common sense

“De humanisten zeiden tegen de scholastici: jullie creëren je eigen filosofische problemen met dit potjeslatijn, het kleurt je blik op de werkelijkheid. Door het invoeren van allerlei technische termen ga je de wereld op een andere manier bekijken. Die kritiek is belangrijk geweest in de vorming van het nieuwe mensbeeld dat langzamerhand ontstond in de renaissance en de vroeg moderne tijd. Mijn werk over deze overgang is – vermoed ik – een van de hoofdelementen geweest voor de toekenning van deze prijs.”

Die spanning tussen de scholastici en de humanisten is ook vandaag de dag actueel, stelt de Spinozawinnaar: “Aan de ene kant het theoretiseren en abstraheren – wat we natuurlijk graag doen in de wetenschap en filosofie – en de andere kant een beroep doen op alledaagse taal en common sense. Jargon zie je overal: bij ambtenaren, juristen of medici. Elke professie heeft natuurlijk zijn eigen jargon en daar is op zich niks mis mee. Zolang het je zicht op de werkelijkheid niet belemmert, en het geen instrument wordt om je af te schermen van een kritische buitenwacht.”

Small
René Descartes (1596-1650).

Gewone taal

De grote denkers in de renaissance pleitten dus voor het gebruik van gewone taal in de filosofie. Maar wat beschouwden zij als ‘gewone taal’, was dat de volkstaal?

Nauta: “Nee, dat zou je misschien verwachten, maar voor de eerste generatie humanisten was dat het Klassiek Latijn. Dat is voor ons misschien gek, omdat het een moeilijke taal is die je alleen nog leert op het gymnasium. Maar in die tijd van de heropleving van de klassieke oudheid had het enorm aanzien en werd het door de humanisten als taal gepropageerd.”

“Nederlands komt pas later in de zeventiende eeuw. Dan krijg je filosofen die in de volkstaal gaan schrijven, zoals Descartes, die ook wel de grondlegger van de moderne filosofie wordt genoemd. Hij schreef ook regelmatig in het Frans. En de Engelse filosoof Thomas Hobbes schreef prachtig Engels. Pas dan is er een verschuiving naar de volkstalen, maar het Latijn is lang dé wetenschapstaal geweest.”

Denkexperimenten

Overigens was de manier van denken in de middeleeuwen helemaal niet zo verschillend van onze denkwijze nu, meent Nauta: “Wij zien de middeleeuwen vaak als een periode waarin God en het geloof centraal stonden. Maar dat is echt een karikatuur. In die tijd waren ze vaak met God en engelen en dat soort thema’s bezig, maar dat gebruikten ze juist om over echt filosofische kwesties na te denken: conceptuele vraagstukken over tijd, ruimte, oorzakelijkheid, goed en kwaad, de relatie tussen taal en denken.”

“Neem de relatie tussen taal en denken. Die kun je goed bevragen aan de hand van engelen: die hebben geen taal, die kunnen elkaars gedachten lezen, was de gedachte. De christelijke thema’s waren het testlaboratorium om na te denken over filosofische problemen. Middeleeuwers waren heel rationeel bezig.”

“Allerlei dogma’s probeerden zij rationeel te begrijpen. Daarvoor hadden ze een heel technisch begrippenapparaat ontwikkeld. Zelfs dingen waarvan wij nu zouden zeggen: dat kun je niet rationeel recht breien, god als drie-eenheid en tegelijkertijd één, of de maagd Maria die toch een kind kan krijgen. In de renaissance hadden ze meer de neiging om te zeggen: je moet het niet proberen te begrijpen, maar het accepteren zoals het is. Dat is een heel andere denktrant.”

Brein
Een filosoof heeft geen microscopen of andere technische apparatuur nodig, alleen zijn hersenen.
Flickr.com

Laboratorium

Het laat het belang zien van de geschiedenis van de filosofie, aldus Nauta: “We hebben geen laboratorium met microscopen of andere technische apparatuur. Maar we doen het met ons denken. Daarbij is het sparren met filosofen uit het verleden zélf het laboratorium. Dezelfde vragen komen steeds weer terug. Daarom is het essentieel om je te laten inspireren door vroegere denkers.”

Nog een belangrijke laatste vraag: hoe gaat de hoogleraar het Spinozaprijzengeld besteden? “Wat ik wil doen is die lijnen van continuïteit en discontinuïteit op het breukvlak tussen het middeleeuwse wereldbeeld en het moderne wereldbeeld verder in kaart brengen. Daar valt nog ongelooflijk veel te doen en er zijn heel veel bronnen nog niet goed bestudeerd of überhaupt in kaart gebracht, dus daar heb je veel mensen voor nodig. Verder wil ik nog meer samenwerken met Nederlandse en buitenlandse vakgenoten. Maar het hoeft niet allemaal in een keer op gelukkig. Ik heb nog wel even de tijd.”

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 juni 2016

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE