Je leest:

Regenwormen: onmisbare tunnelbouwers

Regenwormen: onmisbare tunnelbouwers

Auteur:

Platgetrapt op het trottoir zien we ze weleens, of hulpeloos bungelend in een merelsnavel. Misschien tijdens een middagje spitten in de tuin. Maar we worden vooral indirect met regenwormen geconfronteerd, door het nuttige bodemwerk dat ze verrichten. Door te graven, te ploegen en te composteren zorgen ze voor een vruchtbare ondergrond.

Paspoort

Op aarde leven zo’n 40.000 wormensoorten, waaronder 2700 soorten regenwormen

Naam: gewone regenworm Latijnse naam: Lumbricus terrestris Leeftijd: maximaal 10 jaar Eet: plantaardig materiaal Geslacht: hermafrodiet Lengte: tot 30 cm Kleur: bleekroze

Darwin bestudeerde ze 39 jaar. Cleopatra noemde ze heilig en Aristoteles gaf ze de koosnaam ‘darmen van de ondergrond.’ Jane Goodall nam ze als driejarige zelfs mee naar bed, omdat ze het zo zielig vond dat ze altijd in die donkere, natte ondergrond moesten slapen.

Door de eeuwen heen hebben regenwormen flink wat fans gehad. En terecht. Lang voordat ploeg en kunstmest waren uitgevonden, deden regenwormen het belangrijkste werk in de akkerbouw. Door tunnels te graven zorgen ze tenslotte voor voldoende zuurstof in de bodem en voor goede menging van de grond. Daarmee houden ze tegelijkertijd de zuurgraad en het vochtgehalte op peil.

Humusrijke poep

Tegelijkertijd zijn regenwormen prima als compostproducent. Op hun tocht door de ondergrond eten ze letterlijk de bodem op. Het dode plantenmateriaal dat daarin zit, gebruiken ze om voedingsstoffen uit te halen. Wat ze niet nodig hebben, poepen ze weer uit: regenwormenpoep bestaat voor zo’n 70% uit humus. Organische stof vol gerecyclede mineralen, die door de herbewerking in het wormenlijf weer beschikbaar worden voor planten.

In Nederland leven zo’n 25 soorten regenwormen, waarvan de gewone regenworm het meest algemeen voortkomt. In een hectare grond kan wel een miljoen regenwormen voorkomen. Samen kunnen die wormen per dag zo’n 5 kilometer aan tunnels graven en op jaarbasis verwerken ze zo’n 3000 kilo grond tot compost.

Stofzuigerslang

Regenwormen behoren tot de annelida, de zogenaamde ring- of segmentwormen, waarvan er wereldwijd zo’n 8500 voorkomen – ook bijvoorbeeld bloedzuigers maken deel uit van deze stam. Hun lichaam heeft wel wat weg van een stofzuigerslang: opgedeeld in allemaal ringvormige segmentjes. Bij een volgroeid regenwormenlijf kunnen het er enkele honderden zijn.

In die segmenten zijn kringvormige spieren aanwezig, die er bij aanspanning voor zorgen dat het wormenlichaam langer en dunner wordt. Een regenworm heeft ook spieren die van kop tot kont lopen. Wanneer deze ‘lengtespieren’ aanspannen, wordt de worm korter en dikker.

Door het afwisselend aan- en ontspannen van deze twee soorten spieren, beweegt de worm zich voort in de bodem. Hoe makkelijk dat gaat, hangt af van het bodemtype. Bij een losse podzolbodem bijvoorbeeld is het puur een kwestie van de zandkorrels opzij duwen. In een stugge kleibodem eet de worm zich een weg door de ondergrond.

Slijmlaag

Een wormenlijf bestaat tot 95% uit water. De huid is bedekt met een slijmlaag, die wordt geproduceerd door het clitellum op het lijf van een volwassen regenworm (3 maanden of ouder). Dit ‘zadel’ ziet er een beetje uit zoals het buiggedeelte van een drinkrietje. Dankzij de slijmlaag kan een worm zich makkelijker door de ondergrond bewegen; losse zandkorrels worden er als het ware door aan elkaar gekit. Ook zorgt het ervoor dat een regenworm minder snel uitdroogt bij droogte en hitte. Bovendien neemt de huid van een regenworm dankzij de slijmlaag gemakkelijk zuurstof op uit de omgeving – de zuurstofmoleculen lossen op in het vocht, waardoor de worm kan ademen.

Regenwurm1
Bij deze regenworm is het clitellum (oftewel het ‘zadel’) duidelijk te zien

Fossiele wormengangen

Wormen gaan al een flinke tijd mee – de oudste fossiele sporen van wormengangen zijn zo’n 120 miljoen jaar oud. Zelf fossiliseren wormen niet: hun weke lijf verteert te snel.

Trui uittrekken

Paren doen wormen bovengronds, als het donker is. Het clitellum produceert extra veel slijm, waardoor de wormen aan elkaar blijven plakken. Kop tegen kont en kont tegen kop liggen ze zo’n twee uur lang sperma en eicellen uit te wisselen. Regenwormen zijn hermafrodiet, waardoor elk individu eitjes kan afzetten. Dat gebeurt met behulp van een cocon. Na de paring, terug in de bodem, ontstaat vanuit het clitellum een buisachtig omhulsel, dat de regenworm als het ware ‘uittrekt’ zoals wij een trui uittrekken. Hij kruipt achteruit, waarbij eicellen en spermacellen in de buis terecht komen. Eenmaal los van het wormenlichaam sluit de buis zich tot een cocon, waaruit na zo’n twee weken babywormen tevoorschijn komen. Die zijn net na hun geboorte nog wit, maar kleuren na een paar uur roze door de bloedsomloop.

Wormensigaren

Soms zijn aan het oppervlak ‘bladersigaren’ te zien: opgerolde boomblaadjes die verticaal uit de grond steken. Dit is het werk van regenwormen: als de grond te weinig dood plantenmateriaal bevat, gaan ze bovengronds op voedseljacht. ’s Nachts speuren ze het oppervlak af naar afgevallen bladeren, en als ze een smakelijk blad hebben gevonden (ook regenwormen hebben hun voorkeuren wat smaak betreft) trekken ze het aan het aan het steeltje richting tunnel. Bij het naar binnen trekken rolt het blad op tot een sigaar, die vaak een of meerdere dagen naar buiten blijft steken. Zo, blootgesteld aan de lucht, kan het rottingsproces al gedeeltelijk in gang treden, waardoor het voor de wormen vervolgens makkelijker te verteren is.

Rood licht

Hoe je voor- en achterkant van een regenworm kunt onderscheiden? Het clitellum zit over het algemeen iets dichter bij de kop. Bovendien is de kop klein, rond en vrij spits, terwijl het achterste wat ‘lobbiger’ en breder is.

Van heel dichtbij is het mondje van de wormenkop te zien. Ogen zijn afwezig – toch kunnen wormen wel licht waarnemen. Ze voelen licht, te vergelijken met de manier waarop wij temperatuur voelen. Wie in het donker met een zaklamp regenwormen wil bekijken, kan het best rood cellofaan voor de lamp houden. Rood licht nemen de regenwormen namelijk niet waar.

Diapause

’s Winters gaan regenwormen in een soort winterslaap: de diapause. Ze kruipen dieper de bodem in en zijn inactief, waardoor ze weinig energie verbruiken. Als de temperatuur hoog genoeg is, worden ze weer actief.

Krasserig geluid

Naast licht kunnen de wormen ook trillingen waarnemen. Al lijkt een regenwormenlijf volkomen glad, in feite groeien er minuscule borstelhaartjes op. Als je een regenworm op een stuk papier legt, hoor je een krasserig geluid – dat zijn de borstelharen.Niet te veel (regenwormen behoren nog altijd tot de onderorde van de Oligochaeta, wat vrij vertaald de ‘spaarzaam behaarden’ betekent), maar voldoende om van nut te zijn. Als trillingssensoren, dus, maar ook als houvast.

De haartjes zorgen voor extra wrijving, waardoor wormen niet zo makkelijk uit de grond te trekken zijn door vogels. De vogels hebben daar wat op gevonden: een wormendans. Zie je een vogel (bijvoorbeeld een meeuw) wild staan trappelen in een weiland, dan is hij op voedseljacht. Waarschijnlijk interpreteren de regenwormen de trillingen als het getik van regendruppels. En aangezien ze bij vochtig weer graag bovengronds komen, kruipen ze nietsvermoedend omhoog – hun dood tegemoet.

Voedselarme bodems

Aangezien regenwormen zorgen voor vruchtbare bodems, lijkt de oplossing simpel: gewoon een handvol wormen toevoegen aan elk voedselarm lapje grond. Helaas werkt het niet zo eenvoudig. Om ervoor te zorgen dat de wormen overleven, moet er wel voldoende voedsel voorradig zijn. In dat geval kunnen ze de bodem vruchtbaarder maken – maar daar is dus wel een minimumhoeveelheid plantaardig materiaal voor nodig. Als dat ontbreekt, verhongeren de regenwormen. Hun dode lichaam zorgt wel voor een tijdelijke verrijking van de grond – maar uiteindelijk wordt die weer even arm als voorheen.

1/14

Leven in de ondergrond

Ze hebben geen aaibare vachtjes, imponerende kleuren of glanzende Disney-ogen. Maar wie bodemdieren van dichtbij bekijkt, ontdekt dat ze over een fascinerende schoonheid beschikken. Bovendien zijn ze van onschatbare waarde voor onze ondergrond. Zonder bodemleven geen vruchtbare akkers en weelderige tuinen. Daarom op Kennislink de komende tijd een serie Bodemdiertjes.

1/14

Het raderdiertje

Het raderdiertje kan jaren uitgedroogd in een soort slaaptoestand verkeren, heeft al miljoenen jaren geen seks gehad en weet parasieten op een slimme manier van zich af te schudden. Klein als hij is, is dit bodemdiertje bijzonder succesvol. Lees verder over het raderdiertje

Wikimedia Commons, CC BY SA 3.0
1/14

De duizend- en miljoenpoot

Hun naam zegt niet zoveel over het aantal poten en de lengte van deze kruipers varieert gigantisch. Maar in welke vorm ook, ze zijn erg nuttig voor onze bodem. Ze recyclen dood plantaardig materiaal en houden planten knagende dieren bij planten weg; een goede zaak voor de koolstofkringloop. Lees meer over de duizend- en miljoenpoot

1/14

De mol

Bijna blind rent hij door zijn smalle gangenstelsel en graaft met een enorme kracht er nog wat tunnels bij. Als hij een worm tegenkomt sprint hij er op af, verlamt hem en legt hem in de voorraadkamer. Dan heeft hij later ook nog wat. Lees meer over de mol

1/14

De mijnspin

Een mier loopt nietsvermoedend over de aarde, niet wetende dat daaronder zich het gangenstelsel van het huis van de mijnspin bevindt. Razendsnel rent de mijnspin naar boven, bijt de prooi met haar vlijmscherpe tanden en trekt hem haar huis in. Lees meer over de mijnspin

1/14

De slijmzwam

Ze hebben uiteenlopende namen van Heksenboter en Bloedweizwam tot Zilveren boomkussen. Ze kunnen zonder hersenen hun weg door een doolhof vinden en zijn zelfs in staat een robot te besturen. De slijmzwam is een intelligentere bodembewoner dan je denkt. Lees meer over de slijmzwam

1/14

De bodemmijt

Zet op een willekeurige plek in het bos je schep in de grond en je haalt zo honderden mijten omhoog. Deze kleine beestjes hebben een uiteenlopend dieet en verzamelen dat al zuigend, stekend of zagend bij elkaar. En ze zijn ook nog eens reuzesterk. Lees meer over de bodemmijt

1/14

De loopkever

Veertig procent van alle insectensoorten die we kennen zijn kevers. Sommigen wonen in een grot in de bergen, anderen zitten in een boomtop van het tropisch regenwoud. Soms vormen ze zelf een plaag, soms worden ze juist ingezet om plagen te voorkomen. En klein als ze zijn weten ze zich goed te verweren, dat ondervond Darwin zelfs al tijdens een van zijn reizen. Lees meer over de loopkever

1/14

De bodemschimmel

Hoewel je bij een schimmel misschien snel aan de groene spikkels op je bedorven appel of brood denkt, zijn er veel meer soorten. De soorten die in de bodem leven bijvoorbeeld. Bodemschimmels kunnen een heel groot deel van de biomassa onder de grond beslaan. Ze komen in alle soorten en maten voor en spelen een hele belangrijke rol in de ecosystemen van de bodem. Lees meer over bodemschimmels

1/14

De mier

Geen soort zo sterk, geen soort die zo goed samenwerkt. Geen soort met zoveel opmerkelijke eigenschappen. Je vindt ze overal, behalve op de polen. Waar je ook ter wereld even goed om je heen kijkt in het zand zie je ze alweer lopen. Mieren. Soms met tientallen, soms met miljoenen tegelijk. Alhoewel ze soms heel irritant kunnen zijn, zijn ze bovenal bijzonder indrukwekkend. Lees meer over de mier

1/14

Het beerdiertje

Als een klein bolletje wordt hij meegenomen door de lucht. Zwervend van plek naar plek. Plots komt hij in een plasje water terecht en binnen een paar minuten ontvouwen zich vier paar pootjes onder het dikke bolletje vandaan. Aan ieder pootje zit een klein klauwtje. Oogjes heeft het niet. Met zijn kleine, koddige, bolle lijfje en acht pootjes begint het beerdiertje heel langzaam rond te kruipen. Hij is net wakker geworden na enkele jaren slaap. Lees meer over het beerdiertje

1/14

De springstaart

In één sprong overbruggen ze met gemak een afstand van zo’n acht centimeter. Geen kunst? Wel wanneer je bedenkt dat springstaarten zelf een lengte van enkele millimeters hebben. Ruim een factor tien verschil, dus. Alleen: wat doen zulke goede springers ondergronds? Lees meer over de springstaart

Steve Hopkin
1/14

De pissebed

Ze hebben hun naam en hun uiterlijk niet mee, maar pissebedden zijn onmisbaar voor onze bodem. Ze recyclen plantaardig materiaal en dragen zo bij aan de koolstofkringloop. Gezond voor de ondergrond dus, en mogelijk zelfs gezond voor ons! Lees meer over de pissebed

1/14

De regenworm

Platgetrapt op het trottoir zien we ze weleens, of hulpeloos bungelend in een merelsnavel. Misschien tijdens een middagje spitten in de tuin. Maar we worden vooral indirect met regenwormen geconfronteerd, door het nuttige bodemwerk dat ze verrichten. Door te graven, te ploegen en te composteren zorgen ze voor een vruchtbare ondergrond. Lees meer over de regenworm

Zie ook:

Bronnen

Baker, N., Allemaal Beestjes (Baarn 2011) Lauber, P. Earthworms – uderground farmers (New York 1994)

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 november 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE