Naar de content

Prionen: de nieuwste ziekteverwekkers bij mens en dier

Dit overzicht behandelt de nieuwste ontdekkingen op het gebied van infectieziekten, de prionziekten bij koeien (gekke koeienziekte, BSE), schapen en de mens. Tevens geeft het inzicht in de infectieziekten bij mens en dier waarbij de grote ontdekkingen van de 20-ste eeuw zijn:

1. Dat de prionziekte BSE van koeien ook de mens heeft besmet

2. Dat prionen infectieuze eiwitten zijn.

12 juni 2003

Schurende schapen, kannibalen die hersenen eten en koeiengekte. De één zegt:‘wat heeft dat allemaal met elkaar te maken? De ander: Oh ja, dat heeft te maken met prionen’. Nou die tweede is raak: het heeft alles te maken met prionen en prionziekten, het onderwerp van dit overzicht waarin de grootste ontdekkingen van de 20-ste eeuw op het gebied van infectieziekten ter sprake komen.

Prionen

Prionen zijn de verwekkers van zeer ernstige infectieziekten van de hersenen met dodelijke afloop bij mensen, runderen, schapen en vele andere dieren. Sinds de grote epidemie in Engeland van de gekke koeienziekte (BSE), zijn prionziekten voorpaginanieuws geworden. Rond 1980 kwam vast te staan dat prionen infectieuze eiwitten zijn. Dit was een revolutionaire ontdekking in de medische microbiologie. Tot dan toe was alleen bekend dat infectieziekten veroorzaakt werden door besmettelijke micro-organismen (bacteriën en schimmels), door virussen of door parasieten. De structuur van prionen en de overgang van normale prionen naar infectieuze prionen is inmiddels opgehelderd. En hiermee is een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan onze kennis van infectieziekten.

Prionziekten

In tabel 1 staan de voornaamste prionziekten bij mens en dier (zoogdieren). Prionziekten zijn ouderdomsziekten (meestal boven de 70 jaar bij de mens) met symptomen als snel en in ernst toenemende dementie en bewegingsstoornissen. Dit komt door abnormale sponsachtige eiwitophopingen in de hersenen waardoor degeneratie van hersenweefsel optreedt. Het bijzondere is dat deze hersenziekten pas na lange tijd (10 – 20 jaar) na de eerste infectie optreden (de vakterm hiervoor is lange incubatietijd).

Van scrapie naar prion…

Scrapie bij schapen: het is al circa 250 jaar bekend dat oudere schapen, door jeuk geplaagd, zich gingen “schuren”. Toen was natuurlijk nog niet bekend dat dit een prionziekte was. Maar die afwijking wordt al eeuwen “schuurziekte” genoemd (in het Engels: “scrapie”, zie literatuur).

tabel 1

Creutzfeldt-Jacob Disease bij de mens: boeiend is de ziekte kuru bij de mens (wat trillen of beven betekent) met verschijnselen van Creutzfeldt-Jacob Disease (CJD), zo genoemd naar de artsen Creutzfeldt en Jacobs die deze ziekte het eerst beschreven. Kuru trad op bij de leden van de geïsoleerde Foro-stam in de bergen van Nieuw Guinea (Indonesië). Een kwart van deze bevolking had al op uitzonderlijk jonge leeftijd de ziekte CJD. De oplossing voor dit raadsel kwam in 1957 van de geniale Amerikaanse epidemioloog en latere Nobelprijswinnaar Gajdusek die ontdekte dat de oorzaak kannibalisme was! Wat was namelijk het geval? Bij die Foro-stam werden de hersenen van overleden familieleden ritueel opgegeten, vooral door vrouwen en kinderen en zij werden dus al op jonge leeftijd besmet met infectieuze prionen uit de hersenen van de overleden oudjes die CJD onder de leden hadden.

Toen dit ritueel werd verboden verdween de ziekte CJD bij deze Foro-stam. Fantastisch speurwerk wat de moeite van het nalezen waard is! (zie literatuur). Bij de mens komt CJD maar zelden voor. Men onderscheidt 3 vormen:
- De “normale” vorm: bij slechts 1 op de miljoen mensen per jaar (de oorzaak is onbekend).
- De “erfelijke” vorm: bij patiënten met een erfelijke aanleg voor CJD. Deze erfelijke vorm staat bekend als het:“Gerstmann-Sträussler-Scheinker syndroom (GSSS)” (zie tabel 1). De ziekte openbaart zich in families waarin bijvoorbeeld het gen voor CJD voorkomt en waardoor zo’n 10-15 % van de familie CJD krijgt.
- Infectie van “buitenaf” met CJD: dit is een klein percentage patiënten dat een CJD infectie krijgt door een foute medische behandeling: bijvoorbeeld besmetting bij het inbrengen van besmette elektroden bij hersenonderzoek of door transplantatie met hoornvlies van een besmette donor (zie literatuur).

Gekke koeienziekte (BSE)

Iedereen heeft wel gehoord van BSE (Bovine Spongioform Encephalopathy) bij koeien door de verschrikkelijke epidemie in Engeland tussen 1988-1996 waarbij circa 160.000 runderen zijn “geruimd”. Met BSE besmette koeien raken gedesoriënteerd en zakken door hun poten en vallen dan om. Na de epidemie is het gebruik van diermeel, gemaakt van slachtafval van runderen en schapen, verboden in krachtvoer voor koeien. Prionen zijn namelijk zeer hitte stabiel en worden bij de verhitting van het diermeel dan ook niet voldoende kapot gemaakt.

Engeland sjoemelde waarschijnlijk met dit verbod wat als voornaamste oorzaak gezien wordt van de gigantische uitbraken van BSE. In 1996 ontstond grote opschudding in Engeland door de vondst dat 10 jonge mensen van rond de 30 jaar overleden waren aan een nieuwe vorm (nv) van Creutzfeldt Jacob Disease (nvCJD). In het jaar 2002 is het aantal gevallen al tot boven de 100 opgelopen, ook enkele buiten Engeland. Zo’n groot aantal mensen die in zo’n korte tijd op zo’n jonge leeftijd overleden aan dezelfde verschijnselen als CJD, was nog nooit vertoond. En dan ook nog in een gebied waar BSE heerste. De verdenking dat BSE besmettelijk was voor de mens bleek terecht toen bewezen werd dat bij alle patiënten hetzelfde nvCJD prion werd gevonden (zie literatuur).

Het is nu vrijwel zeker dat BSE op de mens kan overgaan door eten van rundvlees besmet met BSE. Dat dit ‘vrijwel zeker’ is, komt omdat het nooit onomstotelijk te bewijzen valt. Men kan moeilijk gezonde mensen BSE besmet vlees laten eten om na te gaan of ze de gevreesde nvCJD krijgen. In een recente publicatie van 2 gerenommeerde Engelse Instituten is nu wel met zekerheid bewezen: dat BSE schapen kan infecteren en dat het bloed van deze schapen en van schapen met een natuurlijke scrapie zowel infectieuze BSE als scrapie prionen bevat. Hiermee is de lang bestaande vraag of BSE van koeien ook andere diersoorten (en de mens) kan besmetten nu definitief beantwoord (dit heet in vaktermen: besmetting over de “soort barrière” heen). Tevens toont dit het risico aan van bloeddonatie door mensen besmet met CJD of de variant nvCJD. Terecht worden vooral in Engeland overal strikte voorzorgen genomen om “risico-bloed- donoren” uit te sluiten bij de bloedtransfusie diensten. Men wacht met angst en beven af hoeveel sterfgevallen er in de loop van de jaren nog bij zullen komen.

Inmiddels was sinds het eind van de negentiger jaren de hel losgebroken in Europa en snel ook over de hele wereld. Niemand vertrouwde de tot dan toe geruststellende verklaringen van de Engelse ministers dat het eten van rundvlees zonder risico’s is. De Europese Commissie besloot toen uit voorzorg en om het consumentenvertrouwen terug te winnen dat in alle Europese slachthuizen bij runderen ouder dan 30 maanden (de leeftijd waarop BSE optreedt) de hersenen en het ruggenmerg verwijderd en vernietigd moeten worden. Dit is in een notendop een samenvatting van de rampzalige BSE situatie van de 90-er jaren van de vorige eeuw (zie literatuur).

Gelukkig is BSE in Nederland beperkt gebleven tot maar enkele gevallen per jaar. Opmerkelijk is dat dit vrijwel steeds maar één geval per bedrijf was. Kort geleden is de veronderstelling gepubliceerd (zie literatuur) dat dit wel eens een erfelijke niet-infectieuze vorm van BSE zou kunnen zijn, afkomstig van stierensperma dat het BSE-gen bevat. Dat zou dus lijken op de erfelijke vorm van CJD bij de mens. Als dit bewezen kan worden dan is er geen besmetting van buitenaf geweest en zal het “ruimen” van stalgenoten misschien overbodig worden.

Prionen zijn infectieuze eiwitten.

In het spannende vakgebied van prionen kwam de allergrootste ontdekking in 1982: dat prionen infectieuze eiwitten zijn. Dit wordt hieronder verder behandeld. Maar eerst iets meer over klassieke infectieziekten om goed te begrijpen wat het bijzondere van infectieuze prionen is.

Infectieziekten

Infectieziekten horen tot het vakgebied van de medische microbiologie. Tot begin 1980 voordat de infectieuze prionen werden ontdekt was iedereen ervan overtuigd dat infectieziekten bij mens, dier en plant werden veroorzaakt door levende micro-organismen (zoals bacteriën en schimmels) of door virussen of parasieten. Om een beetje vertrouwd te raken met de medische microbiologie zijn komen hier twee historische beroemdheden aan bod: de fransman Louis Pasteur (rond 1850) en de Duitser Robert Koch (rond 1900).

Pasteur bewees als eerste dat levende organismen niet uit dode stof gevormd kunnen worden. Hij rekende definitief af met het geloof in ‘generatio spontanea’, het ontstaan van leven uit dode materie.

Pasteur was ook de eerste die systematisch één soort micro-organisme ging kweken in zogenaamde “reincultures”. Daarnaast deed hij ook de beroemde immunisatie experimenten met bacteriën van kippencholera en met hondsdolheidvirus bij konijnen en mensen (toen men nog niet eens wist wat een virus was). Hiermee legde hij de basis van wat nu “immuniseren” heet (synoniem voor vaccineren): het onvatbaar maken van mensen of dieren voor infectieziekten.

Robert Koch ontdekte de verwekker van miltvuur (anthrax) bij dieren en de mens (veroorzaker de bacterie Bacillus anthracis). Iedereen herinnert zich nog wel de recente opschudding over de beruchte brieven met anthrax in de VS waarbij een aantal mensen besmet zijn en dood gingen. Anthrax is dan ook één van de gruwelijke kandidaten voor biologische oorlogvoering of terrorisme.

De belangrijkste bijdrage van Robert Koch zijn de zogenaamde “Postulaten van Koch”. Dit zijn 4 “stellingen” (regels) om absoluut zeker te stellen dat een infectieziekte door één bepaalde soort ziekteverwekker – één soort bacterie, of één soort schimmel, of één soort virus of één soort parasiet – wordt veroorzaakt.

De Postulaten van Koch:

1. De verdachte ziekteverwekker moet geïsoleerd kunnen worden uit de zieke mens of het zieke dier (bijvoorbeeld door isolatie en opkweken uit bloed, speeksel, (hersen)weefsel, urine of faeces; hiervoor heeft Koch, in navolging van Pasteur, speciale isolatietechnieken ontwikkeld om de ziekteverwekkers in “reincultuur” te kweken).

2. De verdachte ziekteverwekker moet bij alle zieke individuen aangetoond (geïsoleerd) kunnen worden.

3. De ziekteverwekker moet dezelfde ziekte geven bij kunstmatige besmetting van gezonde individuen.

4. Bij de kunstmatig besmetting van gezonde individuen moet dezelfde ziekteverwekker weer teruggevonden (geïsoleerd) worden.

Het zal duidelijk zijn dat om aan de eisen 3 en 4 te voldoen problemen kunnen ontstaan. Voor infecties bij dieren kunnen die proeven meestal wel bij dezelfde (proef)diersoort worden gedaan. Maar bij infectieziekten van mensen is wordt het lastiger. Het is ethisch onverantwoord om mensen doelbewust te besmetten. Dan is men dus aangewezen op een goed proefdier-model voor deze besmettingsproeven. Dat geldt vooral ook voor het bewijs van infectieuze prionen bij de mens, zoals hieronder duidelijk zal worden.

Om dit wat meer bij het leven van alle dag te brengen zijn hieronder een paar voorbeelden gegeven van de “klassieke” ziekteverwekkers en de daarbij behorende ziekten bij mens, dier en plant (zie tabel 2). Dit als opstapje voor de bespreking van infectieuze prionen bij mens en dieren.

Om te begrijpen wat infectieuze prionen zijn is het belangrijk om in bovenstaande tabel te zien dat de “klassieke” ziekteverwekkers allemaal DNA of RNA bevatten, die de genetische (erfelijke) codes bevatten voor deze levende organismen. Verder dat er een aantal infectieziekten zijn die zowel bij de mens als bij dieren voorkomen, zoals miltvuur (anthrax bacteriën) en hondsdolheid (rabiës virus). Die worden met de vakterm “zoönosen” aangeduid. Prionen van BSE die zowel schapen als de mens kunnen besmetten zijn dus ook zoönosen.

Prionen zijn infectieuze eiwitten: de grootste doorbraak van de 20-ste eeuw

De vondst dat sommige ziekten worden veroorzaakt door prionen als niet levende maar toch infectieuze eiwitten was de grootste doorbraak in de medische microbiologie van de 20-ste eeuw. Dit ging tegen alle gevestigde opvattingen in; 250 jaar na de bevindingen van Pasteur ging men er nog steeds vanuit dat alle infectieziekten veroorzaakt worden door ziekteverwekkende micro-organismen, parasieten en de kleinste ziekteverwekkers: de virussen. Het was een enorme opschudding, een revolutie in de wereld van de medische microbiologie! Hoe men daartoe gekomen is en wie deze ontdekkingen heeft gedaan komt hieronder ter sprake.

Het idee dat prionen infectieuze eiwitten zijn, is afkomstig van de geniale onderzoeker Stanley Prusiner uit Berkeley (Californië, VS). Hij publiceerde in 1982 de volgende opmerkelijke resultaten van zijn onderzoek met infectieus hersenmateriaal uit schapen die gestorven waren aan scrapie.
Het hersenmateriaal bleef infectieus na koken, na behandeling met ioniserende straling en met UV-bestraling (Ultraviolet licht). Dit zijn de gangbare behandelingen waarbij nucleïnezuren (DNA en RNA) geïnactiveerd worden en waarmee bacteriën en virussen worden afgedood. Ook na behandeling met proteasen (eiwitsplitsende enzymen) bleef de infectiositeit van het hersenmateriaal intact.

Prusiner poneerde toen de veronderstelling dat de bijzondere ziekteverwekker in het hersenweefsel een eiwitachtig deeltje zou zijn. Hij gaf dit eiwitdeeltje de fantasienaam: “Proteinaceous Infectious Particle” = afgekort “proin”, wat hij omdoopte tot “prion”(wat makkelijker uit te spreken is en afgekort wordt als “Pr”). De hele wetenschappelijke wereld van medische microbiologen, epidemiologen en biochemici viel over hem heen en niemand geloofde Prusiner’s veronderstelling van een infectieus eiwit. Overal werd onderzoek gestart om toch maar aan te tonen dat het infectieuze materiaal geen zuiver eiwit was maar een eiwit dat virus-RNA of virus-DNA bevatte.

De onderzoekingen zijn heel tijdrovend want de infectiositeits-studies met proefdieren (muis en hamster) duren vele jaren omdat de incubatietijd van de infecties bij deze proefdieren 2-3 jaren is. Hierdoor heeft het lang geduurd voordat Prusiner zijn veronderstelde “infectieuze scrapie eiwitten” kon bewijzen volgens de Postulaten van Koch. Hersenextracten van zieke scrapie muizen werden bij gezonde muizen in de hersenen ingespoten en na het optreden van de ziekte konden uit deze hersenen weer de ziekteverwekkende eiwitten worden geïsoleerd. Deze gaven in gezonde muizen weer scrapie. Hiermee was ook aan de Koch’s postulaten 3 en 4 voldaan. Het infectieuze eiwit kreeg de afkorting PrP-Sc (sc voor scrapie) of PrP-bse (voor BSE). De normale (niet-infectieuze )vorm wordt aangeduid als PrPc (c voor cellulair).

Prusiner’s baanbrekende werk kreeg toen algemene erkenning en in 1997 kreeg hij de Nobelprijs! Maar hij en anderen hebben meer gedaan dan de ontdekking van het infectieuze eiwit. Het normale (niet-infectieuze) PrPc komt voor in iedere cel van ieder mens en zoogdier maar in grotere hoeveelheden in hersenweefsel. De overgang van PrPc naar PrP-Sc, het eigenlijke “infectieproces”, werd ook door Prusiner opgehelderd. PrP-Sc ontstaat door een (toevallige) mutatie in het PrPc-gen. Het PrP-Sc hecht zich aan de normale PrPc prionen en deze eiwitten ondergaan hierdoor een vormverandering en krijgen daardoor de structuur en de eigenschappen van PrP-Sc. Dat proces zet zich langzaam maar onherroepelijk voort waarbij geleidelijk zeer grote aantallen PrPsc-eiwitten ontstaan. Die hopen zich in de hersenen op en geven daar de bekende beschadigingen en dus uiteindelijk de ziekte scrapie, BSE of CJD. Afbeelding 1 geeft de ruimtelijke structuur van PrPc en PrP-Sc.

Afb. 1: Model van de “ruimtelijke structuur” van het normale niet-infectieuze prion (PrPc) en het infectieuze prion (PrP-Sc). Boven: het PrPc, het normale niet-infectieuze (cellulaire) prion (PrPc), hierin zitten drie “kurketrekker-achtige” eiwitstructuren (in groen) die in vaktermen “alpha helices” worden genoemd en twee kleine platte eiwitstructuren (in blauw), in vaktermen “bèta-sheets”. Onder: het PrP-Sc, het infectieuze prion, hierin zitten twee “kurketrekker-achtige” eiwitstructuren in groen (“alpha helices”) en drie grote platte “bèta-sheets” (in blauw). Bij de overgang van het niet-infectieuze PrPc in het infectieuze PrP-Sc is één alpha-helix (groen) overgegaan in één grote platte bèta-sheet (blauw) en zijn de twee kleine bèta-sheets uitgegroeid tot twee grote bèta-sheets. Bij de “omklap” van het normale PrPc naar het infectieuze PrP-Sc wordt heel leuk gezegd dat er bij het infectieproces “geflipte” eiwitstructuren ontstaan, waarbij de normale (cellulaire) prionen PrPc in de “geflipte” PrP-Sc worden omgezet (zie literatuur).

In Afbeelding 2 ziet men een model van het “infectieproces” waarbij het normale cellulaire PrPc door het infectieuze PrP-Sc wordt omgezet in steeds meer PrP-Sc, het zogenaamde “Domino-effect” (zie literatuur). Dit “infectieproces” kan ook in vitro (in de reageerbuis) kunstmatig worden nagebootst: in een mengsel van PrPc en PrP-Sc hechten zich de PrP-Sc prionen aan het normale PrPc. Hierbij ontstaan geleidelijk steeds grotere hoeveelheden PrP-Sc die niet meer door proteasen worden afgebroken (zie literatuur). Het is nog een raadsel op welke manier en waarom normale cellulaire prionen “omklappen” in infectieuze prionen als ze in contact komen met de ziektemakende infectieuze vorm. Er wordt veel onderzoek gedaan om dit mechanisme op te helderen ook omdat hier de sleutel kan liggen om het proces om te draaien: ziekmakende prionen terug te brengen in de normale cellulaire vorm. Een begin van een “pil” ter genezing van prionziekten is recent gepubliceerd (zie literatuur).

Afb. 2: Het “Domino-effect”: Het prion-eiwit komt voor in twee vormen: het normale (cellulaire) prion PrPc (hier in geel) en het ziekmakende prion PrP-Sc (hier in rood). Als beide met elkaar in contact komen laat het PrP-Sc het normale PrPc “omklappen” tot het “geflipte” ziekmakende PrP-Sc: het “infectieproces”. Dit zet zich geleideijk voort in het “domino-effect” (zie literatuur). Met dank aan Otto Vork (de tekenaar van de afbeelding).

Genetica van prionen

Inmiddels zijn de genen die coderen voor de verschillende prion-eiwitten bekend. Door het PrPsc-gen in muizen in te brengen (door kerntransplantatie in muizen- embryo’s) komt het PrP-Sc tot expressie en krijgen de muizen na ruim 100 dagen scrapie. Muizen waarbij het normale PrPc-gen is uitgeschakeld (zogenaamde _knock out_- muizen) vertonen geen afwijkingen en leven schijnbaar gezond verder. Het grote raadsel is nog steeds wat de rol van de normale PrPc-prionen in alle gezonde cellen van mens en dier is. De opheldering hiervan is voer voor een volgende Nobelprijs!

Alle wetenswaardigheden over dit boeiende gebied van prionen en prionziekten worden duidelijk en overzichtelijk behandeld in de wetenschappelijke literatuur en de meer gepopulariseerde literatuur. Het is dan ook erg aan te raden om hierin verder te lezen als er nog onduidelijkheden zijn en om bepaalde interessante onderdelen verder te bekijken voor een studieproject.

Diagnostiek van prionziekten

Heel belangrijk is een snelle en betrouwbare diagnostische test op de aanwezigheid van BSE prionen (PrP-bse):
- Bij de keuring van vlees in slachthuizen om de “garantie BSE-vrij” te kunnen geven.
- Bij dieren verdacht van een BSE besmetting: bevestiging of het dier besmet is en controle op eventuele besmetting van stalgenoten (deze worden nu “geruimd” bij één BSE geval in de stal). Met een goede test zou dit “ruimen” uit voorzorg voorkomen kunnen worden.
In het jaar 2000 zijn er 3 snelle en betrouwbare BSE-testen na uitvoerig onderzoek door de Europese Unie erkend. In Nederland wordt de test van het Zwitserse bedrijf Prionics op grote schaal gebruikt bij het Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (ID DLO in Lelystad). Deze BSE test is gebaseerd op de afbraak van normale (cellulaire) prionen (PrPc) door proteasen (eiwit afbrekend enzymen) en de ongevoeligheid voor proteasen van BSE prionen (PrP-bse). Hoe deze BSE test wordt uitgevoerd is schematisch weergegeven in Afbeelding 3 (zie literatuur).

Afb. 3: De BSE-test van het ID DLO in Lelystad: in de BSE-test is het eiwitsplitsende enzym (protease) het belangrijkste reagens. Zonder protease geven runderhersenweefsel monsters A en B beiden hetzelfde beeld te zien na gel-electroforese in de western blots: dezelfde zwarte bandjes-patronen (in laantjes 1 en 3). Dit zijn de zogenaamde blanco controles. Na behandeling met protease geven runderhersen-weefsel monsters A en B een duidelijk verschil na gel-electroforese in de western blots.

De Europese Unie bepaalde nu dat alle runderen ouder dan 30 maanden na de slacht getest moeten worden op BSE. Om enig idee te krijgen van de gevolgen van dit besluit: bij ID DLO Lelystad worden dagelijks meer dan 3000 monsters van runderhersenen door de slachthuizen aangeleverd. Honderd analisten en onderzoekers zijn in ploegendienst bezig met de BSE testen en dat kost per dag maar liefst 200.000 euro alleen al aan testkits! In 2001 was er in 17.000 hersenweefsel-monsters nog geen enkele test positief gevonden. En dat is de activiteit alleen in een klein land als Nederland met een vrij grote rundveestapel. Men kan zich nauwelijks een voorstelling maken hoeveel testen dan wel nodig zijn in de grote landen van Europa met nog veel grotere aantallen runderen!

Slotopmerking

Het bovenstaande is een beperkt overzicht over wat er al zo bekend is op het gebied van prionen. Het is de bedoeling dat dit een aanmoediging is om een keuze te maken van onderwerpen die wat verder uitgediept kunnen worden, aan de hand van onderstaande literatuur deels (op internet), voor een studieproject in het studiehuis van HAVO/VWO.

Vrijwel alle aspecten van infectieziekten, de ontrafeling van prionen als eiwitten, de structuren en de genetica van prionen, het proces waarbij normale prionen in infectieuze prionen overgaan, het testen op BSE, de maatschappelijke aspecten van BSE epidemieën en vele andere zaken lenen zich voor een studieopdracht.

Dank is verschuldigd aan:

drs. H. P. H. M. Venrooy – docent biologie aan het Maurick College (Vught)- voor het doornemen en beoordelen van de tekst voor HAVO/VWO.

dhr. Simon van Beurden (st. Michielsgestel) -oud-stafmedewerker van het KPC (Katholiek Pedagogigisch Centrum, Den Bosch) en mede-auteur van leerboeken voor HAVO/VWO – voor didactische aanpassingen van de tekst.

drs. Rinze Benedictus, drs. Gaby van Caulil, drs. Arno van ‘t Hoog, Frank Bierkenz redacteuren Bionieuws en drs. Tycho Malmberg – Expertise Centrum Biologie (NIBI) – voor het beschikbaar stellen van artikelen uit Bionieuws en literatuurrecherche op internet.

Bronnen

B. E. C. Schreuder, “Prionziekten bij dieren” (1999) in Cahier van de Stichting Bio-wetenschappen & Maatschappij, Hoofdstuk 1, 20-e jaargang, nr.2, April 1999, titel : “Prionen”. *
W. A. van Gool, “Prionziekten bij mensen” (1999) in Cahier van de Stichting Bio-Wetenschappen & Maatschappij, Hoofdstuk 2, 20-e jaargang, nr.2, April 1999, titel : “Prionen”. *
Hooft, A. J. G. van ‘t, (2001) “Nederlandse BSE gevallen verdienen onderzoek naar genetische verwantschap”, Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 126, (17), 566.*
W. P. M. Hoekstra (1994), “MICROBIOLOGIE” Van microscopie tot biotechnologie. uitgave van Natuur&Techniek, Maastricht/Brussel. (ISBN 90 73035 28 7). Speciaal van belang de hoofdstukken : 1. Geschiedenis van de microbiologie,
2. Eigenschappen van bacteriën,
3. De grote betekenis van bacteriën,
6. DNA technologie bij bacteriën.*
Prusiner, Stanley B.(1995), “The Prion Diseases”, Scientific American, january, 1995, 31-37*
Prusiner, Stanley B. (1996), “Mad Cows, Cannibals and Prions”, NWO/Huygenslezing 1996.*
M. A. Smits, Waarom zijn prionziekten zo bijzonder? (1999) in Cahier van de Stichting Bio-Wetenschappen & Maatschappij, Hoofdstuk 3, 20-e jaargang, nr. 2, April 1999, titel “Prionen”*.
Peter Raeymakers in Natuur &Techniek, 69-e jaargang, Maart, 2001, pg. 56-57 : “Gekke koeien en kannibalen”.*
Gaby van Caulil, in “Bionieuws”, jaargang 10, nr.2, 29 januari 2000, pag.4 : “Een pil tegen Prionen?”.*
Francisco López García, Ralph Zahn, Roland Riek, and Kurt Wüthrich, NMR structure of the bovine prion protein (2000). Proc. Natl. Acad. Sci. USA 97(15), 8334-8339

Zie ook:

Voor vragen en nadere toelichting over dit onderwerp en de literatuur mail naar:

Meer weten over biotechnologie?

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI)