Naar de content

Plantaardig dieselen

Een bus die rijdt op biodiesel van sojabonen staat op een parkeerplaats.
Een bus die rijdt op biodiesel van sojabonen staat op een parkeerplaats.
Wikimedia Commons

Met een dieselmotor kun je op plantaardige olie zoals slaolie rijden. Deze duurzame manier van autorijden belast het milieu minder dan bij het gebruik van fossiele brandstoffen. Slaolierijders dragen minder bij aan vergroten van het broeikaseffect en mogelijk klimaatverandering.

1 januari 2005

Een kleine club van enthousiastelingen brengt het al in de praktijk: rijden op plantaardige olie. Sommigen doen het omdat het goedkoper is dan rijden op benzine of diesel van de pomp, maar de meesten omdat ze met het milieu begaan zijn. Of rijden op plantaardige olie echt schoon is, is trouwens nog de vraag: de uitstoot van roetdeeltjes is laag; van zure zwavelverbindingen is meestal geen sprake; maar er komen meer stikstofoxiden uit de uitlaat dan bij ‘fossiele’ diesel en dat zijn wel notoire milieuvervuilers.

Op grotere schaal is er wel een duidelijk milieuvoordeel te behalen met het rijden op plantaardige olie en van biobrandstoffen in het algemeen. De netto uitstoot van het broeikasgas CO2, verantwoordelijk voor de opwarming van de aardbol, is namelijk minimaal. De olie is immers gemaakt door planten die CO2 als fotosynthese-bouwsteen uit de atmosfeer halen. Wat er bij verbranding aan CO2 wordt uitgestoten, is dus eerder bij de groei van de planten opgenomen. Netto is er geen sprake van emissie. Bij het verbranden van diesel uit olie breng je CO2 in de atmosfeer die miljoenen jaren in de aardkost lag opgesloten, en dat vergroot het broeikaseffect.

Beeld: www.elsbett.com

Of rijden op biobrandstof echt een CO2-neutrale activiteit is hangt trouwens wel af van de energie die het kost om de olie uit de plant en in de tank te krijgen. Als er gewone fossiele brandstoffen zijn gebruikt om de akkers te bewerken, de planten te oogsten, de olie te winnen, te zuiveren en te vervoeren, dan is de CO2-balans niet meer in evenwicht.

Naast slaolie (plantaardige olie uit oliehoudende zaden) zijn er nog meer soorten biobrandstoffen, zoals
- Veresterde plantaardige olie uit oliehoudende zaden (ook wel biodiesel genoemd);
- Alcohol (methanol/ethanol), via vergisting verkregen uit bijvoorbeeld houtachtige biomassa;
- Biogas, ontstaan door vergaande vergisting en gezuiverd tot aardgaskwaliteit;
- Synthetische diesel, bijvoorbeeld via vergassing van biomassa gevolgd door zogenaamde Fischer-Tropsch synthese in een chemische fabriek.

Rijden op slaolie is dus goed voor het milieu en goed voor je geweten. Maar is het ook goed voor de motor? Slecht hoeft het in ieder geval niet te zijn, zo blijkt op de Duitse website Fahren mit Salatöl. Op deze virtuele ontmoetingsplaats van slaolie-liefhebbers (in Duitsland zijn er zo’n 5000) kun je informatie vinden over auto’s die geschikt zijn voor de natuurlijke brandstof en wat je eventueel moet ombouwen om de prestatie te optimaliseren.

In de praktijk blijkt het bijmengen van kleine hoeveelheden plantaardige olie uit bijvoorbeeld koolzaad, lijnzaad, soja, maïs, zonnebloemen of pinda’s (arachideolie) meestal geen probleem. Maar het wordt anders als je uitsluitend op plantaardige olie wilt rijden.

De motor zelf kan de plantaardige olie meestal nog wel aan. Een diesel draait als gevolg van zelfontbranding in een warme, zuurstofrijke omgeving onder hoge druk. Voor praktisch iedere vloeibare brandstof (van methanol tot asfalt-teer) is een dieselmotor beschikbaar, omdat iedere brandstof de neiging heeft spontaan te ontbranden in aanwezigheid van zuurstof bij voldoende druk en/of warmte. Rudolf Diesel gebruikte bij de ontwikkeling van zijn motor aan het eind van de negentiende eeuw al plantaardige brandstof (arachideolie, volgens de overlevering).

In de praktijk van de slaolie-rijders zijn niet zozeer de verbrandingseigenschappen als wel de fysische eigenschappen van de brandstof van belang. Met name de viscositeit (stroperigheid) van de plantaardige olie kan tot problemen leiden in het traject van tank tot verbrandingsruimte. Een brandstofpomp zorgt voor het transport en perst de brandstof door een verstuiver heen zodat de vloeistof als nevel de motor ingaat. Belangrijk is dat de brandstof de pomp kan smeren en koelen. En uiteraard moet het materiaal voldoende vloeibaar (visceus) zijn om via de verstuiver verneveld te worden.

In principe is voor elke viscositeit wel een verstuiver te ontwerpen en eventueel is de viscositeit te verbeteren door verwarming. Er zijn zelfs dieselmotoren voor dikke, stroperige stookolie, zoals laagtoeren scheepsdiesels. Maar de meeste dieselmotoren zijn ontworpen voor de relatief dunne diesel die je bij de pomp haalt. De relatief hoge viscositeit van plantaardige oliën kan dan een probleem zijn. Voor veel motoren zijn daarvoor inmiddels wel oplossingen uitgedokterd. Zo is de vloeibaarheid te verbeteren door het inbouwen van een apparaat dat de brandstof verwarmt. Dat is met name in de winter van belang. En als de inspuitpomp de dikkere vloeistof wel kan verstouwen is het mogelijk de verstuiver iets grover uit te voeren. Er is zelfs een Belg die zijn auto zodanig heeft aangepast dat hij op afgewerkt frituurvet kan rondrijden.

Wie geen zin heeft in aanpassingen van motor en brandstoflijn, kan via toevoegingen aan de olie toch een ‘planta’-rijder worden, althans gedeeltelijk. Door 15-25% kerosine (petroleum, lampolie) of 10-15% terpentine aan plantaardige olie toe te voegen wordt de vloeibaarheid beter en kan het mengsel probleemloos aan iedere dieselmotor gevoerd worden. Hoeveel verdunnning erbij moet, hangt af van type en uitvoering van de motor. Op de Duitse ‘rijden op slaolie’-site is te vinden welke motoren het beste overweg kunnen met dikkere brandstof.

Plantaardige olie is als een soort ‘biodiesel’ te beschouwen.Toch wordt die term over het algemeen gebruikt voor een speciaal soort biobrandstof. Meestal is de oorsprong wel een plantaardige olie zoals koolzaadolie, zonnebloemolie, palmolie of sojaolie, maar ook vetten kunnen gebruikt worden. Om voor een betere brandstofkwaliteit te zorgen laat men deze plantaardige oliën of vetten een chemische reactie aangaan ( veresteren) met methanol.Biodiesel lijkt – meer dan de plantaardige olie zelf – op gewone diesel. De viscositeit (stroperigheid) is maar een klein beetje hoger dan van pomp-diesel. Plantaardige olie is een stuk stroperiger. Ook de dichtheid van biodiesel is iets hoger dan van gewone diesel, maar de calorische waarde (energie-inhoud per liter) iets lager. Biodiesel kan in gewone dieselmotoren gebruikt worden zonder aanpassing van de motorafstelling. Het is tevens mengbaar met fossiele dieselbrandstof. Er worden maar weinig aanpassingen aan de huidige motortechnologieën gevergd. Bepaalde materialen (voornamelijk rubbers) kunnen evenwel aangetast worden door het gebruik van biodiesel. Na verloop van tijd kunnen deze materialen opzwellen en kunnen lekken ontstaan. Om die reden zal het nodig zijn een aantal dichtingen en brandstofleidingen te vervangen door biodieselbestendige materialen als polyamide (PFA) of fluorrubber (VITON).

Zie ook: