Naar de content

Oorlog was commerciële business

Wikimedia commons

Tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden werden belangrijke staatstaken zoals oorlog voeren op zee uitbesteed aan kapitalistische ‘ondernemers’. Die commerciële oorlogen waren tijdens de Gouden Eeuw een belangrijke bron van macht. Maar uiteindelijk staarde men zich blind op kortetermijnwinst en ging de Republiek ten onder. Dat concludeert historicus Pepijn Brandon in zijn proefschrift.

23 januari 2013

Eigenlijk was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die in 1588 ontstond als gevolg van de strijd tegen de Spaanse koning, helemaal geen land. De zeven provinciën die deze Republiek vormden waren op allerlei gebieden eerder concurrenten dan bondgenoten van elkaar. Ze werkten alleen samen om efficiënter tegen de Spanjaarden te kunnen vechten.

De Republiek had geen officiële hoofdstad, hoewel vertegenwoordigers van de provinciën regelmatig bijeenkwamen in Den Haag. Daar werd besloten over de oorlog tegen Spanje, die tot 1648 duurde. Maar de uitvoering daarvan en het uitbreiden en bewaken van de internationale handelsroutes, was een zaak van de handelaren zelf.

Handelscompagnieën als de VOC en de WIC voerden zonder inmenging van de Staten Generaal hun eigen private handelsoorlogen op de wereldzeeën. De bouw van oorlogsschepen, het bewaken van de wateren van de Republiek en het innen van tol werd gedaan door vijf Admiraliteiten. Ook daar hadden private ondernemers het grotendeels voor het zeggen.

De zeeoorlogen van de Republiek waren vooral gericht op commerciële winst. Doordat de staat nauw samenwerkte met economische elites ging de oorlogvoering en de scheepsbouw zeer efficiënt. De Republiek werd er in de zeventiende eeuw steenrijk en machtig mee.

Kortetermijndenken

Maar volgens veel historici is dit ook de reden waarom waarom de Republiek in de achttiende eeuw stagneerde en langzaam afkalfde: De losse structuur bleek niet opgewassen tegen machtige, gecentraliseerde en bureaucratische staten als Frankrijk en Engeland, die in die tijd echte wereldmachten werden.

Volgens Pepijn Brandon, die onlangs cum laude promoveerde op zijn proefschrift Masters of War. State, capital, and military enterprise in the Dutch cycle of accumulation (1600-1795), zit het anders. “Het uiteindelijke verlies aan invloed op het wereldtoneel kwam niet simpelweg voort uit economische achteruitgang of inefficiëntie van de staat,” zegt hij. “Door de verstrengeling van commercie met de staat werden er simpelweg verkeerde keuzes gemaakt.”

Het systeem van ‘makelaardij’ – het commercieel uitbesteden van oorlogstaken – bleef volgens Brandon ook in de achttiende eeuw in stand. Op veel scheepswerven werd het zelfs verder geperfectioneerd. Volgens Brandon is het een mythe dat door de opkomst van de aristocratie overal baantjesjagers opdoken en het afgelopen was met het ooit zo succesvolle Nederlandse vakmanschap. Frankrijk en Engeland waren zelfs erg jaloers op dit Nederlandse succesmodel.

Door de verstrengeling van commercie met de staat maakten men echter de keuze om te investeren in kleine, snelle oorlogsscheepjes om de handelsroutes te beschermen. “Door de directe invloed van commerciële elites op de staat werd gekozen voor een korte-termijnbelang, namelijk het maken van commerciële winst,” zegt Brandon. “Lange termijnbelangen, zoals het opbouwen van een machtige vloot om een duurzaam overwicht op zee te bereiken, werden uit het oog verloren.”

“De bijzondere inrichting van de Nederlandse staat, waarin ondernemers via federaal georganiseerde makelaardijarrangementen een heel directe greep hielden op de politiek, werd een belangrijke barrière voor het aangaan van de concurrentie met een staat als Engeland die veel onafhankelijker kon opereren,” aldus Brandon

Proefschrift

Pepijn Brandon, Masters of War. State, capital, and military enterprise in the Dutch cycle of accumulation (1600-1795) Universiteit van Amsterdam, 2013