Je leest:

Ontstaansgeschiedenis van de steenkolenwinning in Nederland

Ontstaansgeschiedenis van de steenkolenwinning in Nederland

Auteur: | 31 december 2009

Dit artikel vertelt in kort bestek de ontstaansgeschiedenis van de Nederlandse steenkolenwinning, die in hoofdzaak in de vorige eeuw in Zuid-Limburg plaatsvond. De winning van steenkool werd in die tijd uitgevoerd door een vijftal mijnbouwmaatschappijen: Oranje-Nassau Mijnen, De Nederlandse Staatsmijnen (DSM), Laura en Vereeniging, Willem-Sophia en de Domaniale Mijnmaatschappij. De winning van steenkool in Limburg heeft echter zijn oorsprong in de Middeleeuwen.

Ontstaan van de Domaniale Mijn

Steenkool werd al zeer lang gevonden in Zuid-Limburg. De eerste steenkool in Limburg werd gewonnen in de regio van de abdij Rolduc, gesticht rond 1100. Uit de geschiedenis van Rolduc, vastgelegd in de Annales Rodenses, blijkt dat vermoedelijk al rond de 11e eeuw kolen werden gewonnen in dagbouw in het dal van het riviertje de Worm, een zijrivier van de Roer.

Vanaf de 14e eeuw raakten de steenkolenlagen die aan de oppervlakte kwamen min of meer uitgeput, en moest men ondergronds verder. Dit gebeurde in zogenaamde stollenbouw, waarbij in de wand van een heuvel of rivierdal horizontale mijngangen worden aangelegd. Vanaf ca 1500 raakte ook de dicht onder de oppervlakte gelegen lagen die met stollenbouw konden worden bereikt uitgeput, en moesten de koolputters nog verder de diepte in. Hiertoe groeven ze schachten, soms tot 40 meter diep. Einde 16e eeuw waren er honderden van dergelijke mijntjes in het Wormdal (afb. 1).

Middeleeuwse schachtbouw. Uit ’De Re Metallica’ van Georgius Agricola.

Vanaf het begin van de 17e eeuw ging de abdij Kloosterrade zich met de mijnbouw bemoeien. De abdij liet de mijnen exploiteren door particuliere kolengravers: Koelgrevere of Köhler. Deze kolendelvers waren vaak verenigd in kleine groepjes: Köhlergesellschaften. In 1741 ging de abdij van Rolduc (zoals Kloosterrade toen heette) zelf de ontginning van de steenkolenlagen ter hand nemen. Zo ontstonden de Abdijmijnen. Rond 1780 hadden de mijnen al ongeveer 400 mijnwerkers in dienst. Men won reeds kolen tot op een diepte van 300 meter.

In 1794 werd het Hertogdom Limburg door de Fransen bezet en ingelijfd bij de republiek. De republiek nam alle mijnen van de abdij in beslag. De mijnen werden door het gouvernement onder de dienst Domeinen gesteld, en werden Mines Domaniales genoemd. De Fransen besloten ook om het accent van de mijnbouw te verleggen naar het plateau van Kerkrade. De kleinere onrendabele mijnen in het Wormdal werden alle gesloten. Na de overwinning op Napoleon bij Waterloo in 1814, gingen de Mines Domaniales over naar het nieuwe Nederlandse Koninkrijk. Zo ontstond de aan de staat toebehorende Domaniale Mijn.

In 1845 kreeg de Akens-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij de concessie voor de aanleg van de spoorlijn Aken–Maastricht. Als compensatie voor het risico dat de exploitatie in de dun bevolkte provincie Limburg met zich meebracht, kreeg de maatschappij in 1846 ook het vruchtgebruik van de Domaniale Mijn voor de een periode van 99 jaar. De mijn kwam onder het directeurschap van de in Delft opgeleide Egon van der Elst (1828–1897). In 1889 gingen de spoorwegactiviteiten over in handen van de Maatschappij tot Exploitatie van de Staatsspoorwegen en de Königliche Eisenbahn Direktion Köln, en werd de mijn van de Akens-Maastrichtse Spoorwegmaatschappij omgedoopt tot Domaniale Steenkolenmijnen (afb. 2).

Domaniale mijn, Kerkrade.

Oranje-Nassau Mijnen

In de jaren 1875–1900 was het allengs duidelijk geworden dat om een florerende mijnindustrie op te zetten, een goede transportmogelijkheid aanwezig moest zijn. Zuid-Limburg was namelijk nog steeds een vrij geïsoleerd gebied. Henri Sarolea (1844–1900), een spoorwegbouwer uit Nederlands-Indië, maakte uitvoerige plannen voor een spoorweg. Hij stond in nauw contact met de Dürense ondernemers Carl Honigmann (1842–1903) en Friedrich Honigmann (1841–1913). In 1886 deed Sarolea bij de regering in Den Haag een aanvraag voor de aanleg van een spoorlijn tussen Herzogenrath, Heerlen en Sittard. Samen met de Honigmann-broers richtte Sarolea ook een mijnbouwmaatschappij op en probeerde concessies voor de ontginning van steenkolen te verkrijgen.

De spoorlijn was in 1896 voltooid. In 1893 gaf de Minister van Verkeer, C. Lely, een concessie aan de mijnbouwmaatschappij van Sarolea en de Honigmann-broers voor de ontginning van het kolenveld Oranje-Nassau (3378 hectare). De mijnbouwmaatschappij heette officiëel ’Maatschappij tot Exploitatie van Limburgsche Steenkolenmijnen‘. Publiekelijk werd de maatschappij, naar de grote concessie Oranje-Nassau, al gauw Oranje-Nassau Mijnen genoemd. Kort na het verkrijgen van de concessie Oranje-Nassau verwierf men de concessie voor het veld Carl, groot 444 hectare. De maatschappij, onder leiding van mijningenieur Friedrich Honigmann, begon in 1894 met de aanleg van een mijn in de omgeving van Heerlen, die later bekend werd als ’Oranje-Nassau Mijn I‘, later kortweg de ON-I genoemd. In 1899 ging de Oranje-Nassau Mijn I in productie (afb. 3 en 4).

De mijn Oranje-Nassau-I in 1898 tijdens de aanleg.
D. Visser
Oranje-Nassau-, schacht en zeverijen.

In 1899, toen de eerste kolen werden in de Oranje-Nassau Mijn I, (ON-I) werden gedolven, begon Oranje-Nassau Mijnen aan een tweede mijn bij het dorpje Schaesberg in het Carl-veld. De mijn, voorlopig ’Carl‘ genoemd, werd na voltooiing de ’Oranje-Nassau Mijn II‘ (ON-II) genoemd. De mijn kwam met haar eerste schacht in productie in 1904.

In 1908 verkocht de Honigmann-familie zijn aandelenpakket in de Oranje-Nassau Mijnen aan de Franse familie De Wendel, die staalfabrieken in Lotharingen bezat. De Wendel-familie was geïnteresseerd in kolen voor cokes, en meende dat deze in Limburg gevonden konden worden. Met de aanleg van een derde mijn in het noorden van de Oranje-Nassau concessie (de ’Oranje-Nassau Mijn III‘, of ON-III, start van de aanleg 1910), probeerde zij gasrijke kolenlagen aan te boren. Er werden twee schachten aangelegd, die twee kilometer uit elkaar kwamen te liggen. De schachten werden gedolven in Heerlerheide in de landerijen aan de Ganzeweide, en vlak bij de zogenaamde Heksenberg aan de rand van de Brunssummerheide (afb. 5, 6).

Aanleg van de Oranje-Nassau-III, Heerlerheide.

De ON-III in Heerlerheide kwam in 1917 in productie. In 1923 kwam de jonge Delftse mijningenieur Cornelis Raedts in dienst bij de Oranje-Nassau Mijnen. Raedts wist in vrij korte tijd de tweede schacht van de ON-III aan de rand van de Brunssummerheide tot een aparte mijnzetel (ON-IV) te maken. Later, als hoofdingenieur van de ON-III, slaagde hij erin de ON-III tot de productiefste en grootste van de Oranje-Nassau Mijnen te maken. Raedts eindigde zijn loopbaan als president-directeur van de Oranje-Nassau Mijnen.

De ON-III in de jaren ’20 . Naar een ansichtkaart.

Laura en Vereeniging

In 1873 vonden molenaar Anton Wackers uit Herzogenrath en zijn zwager, Gustav Schümmer, steenkolen op een diepte van 154 m nabij het dorpje Eygelshoven. Zij vroegen een concessie aan onder de naam Laura, naar de voornaam van de vrouw van Wackers. Op 9 september 1876 verkregen zij exploitatierechten voor een concessie van 457 hectare. Anderen hadden hetzelfde geprobeerd in een ander deel van Eygelshoven en hadden ook succes gehad. Deze Duitse ’Vereinigungsgesellschaft für Steinkohlenbergbau im Wurmrevier‘ verkreeg zijn concessie Vereeniging (454 hectare) op 18 februari 1877.

In 1887 werd de concessie Laura gekocht door de Eschweiler Bergwerksverein (EBV) en de houders van de concessie Vereeniging. Nu samengevoegd in een hand, was de naam ’Laura en Vereeniging‘ geboren. In 1899 werd in Brussel een onderneming opgericht onder Belgisch recht, met hoofdzetel in Brussel, en met de naam Société des Charbonnages Réunis Laura et Vereeniging S.A. Hoofd van de firma was bankier Albert Thijs. De Banque d’Outremer van Thijs was de grootste aandeelhouder. In 1901 begon de aanleg van de eerste schacht van de mijn Laura.

Gedurende de aanleg werd grote hinder ondervonden van de sterk watervoerende Feldbissbreuk, een van de grootste breuken in Zuid-Limburg. Aan de noordelijke kant van de Feldbiss-breuk komen ook rijke kolenlagen voor, zij het 225 m dieper, maar die konden vanaf de Laura niet bereikt worden, omdat men dan de breuk moest oversteken. Laura en Vereeniging kocht de concessie Eendracht (290 hectare) van de Staatsmijnen, omdat de concessie Vereeniging niet groot genoeg zou zijn voor een rendabele exploitatie. Uiteindelijk werd in 1921 begonnen met de aanleg van de schachten De tweede mijn werd Julia genoemd, naar de vrouw van Albert Thijs, de Belgische directeur van de onderneming. In 1926 was deze mijn operationeel (Afb. 7).

De Julia in 1926.

De Willem-Sophia Mijn

De concessies Willem en Sophia werden in 1860 en 1861 toegekend door de regering van premier Thorbecke aan de Nederlandse Bergwerkvereniging in Den Haag. De Bergwerkvereniging ging bankroet in 1881, omdat ze er niet in slaagde een schacht aan te leggen in de natte bodem van de concessies. In het jaar 1898 werd de concessie verkocht aan een Belgische firma genaamd Société Anonymes des Charbonnages Néérlandais Willem et Sophia. Gebruik makend van de bevriesmethode voor het delven van schachten in een natte bodem, slaagde deze onderneming erin om in vrij korte tijd twee schachten aan te leggen in het dorp Spekholzerheide bij Kerkrade. In 1902 kwam de mijn, genaamd Willem-Sophia in productie (afb. 8, 9). Een overzicht van de verleende concessies in de 19de eeuw geeft afb. 10.

Willem-Sophia. Overzicht van het complex.
Werken in de Willem-Sophia.

De Staatsmijnen

In 1899 stelde de Nederlandse regering een commissie in, om uit te zoeken of staatsexploitatie van steenkool wenselijk was. De ingestelde commissie besliste gunstig over staatsexploitatie. Minister Lely legde de bevindingen van de commissie voor aan de Kamer, die akkoord ging. Zodoende werd op 1 mei 1902 ’Staatsmijnen in Limburg’ opgericht. De eerste mijn, genaamd Wilhelmina, werd begonnen in de concessie Ernst, in het dorpje Terwinselen, bij Kerkrade (Afb. 11).

Kaart van concessies verleend in de 19de eeuw.

Met de aanleg van een tweede staatsmijn, Emma genaamd, werd begonnen in 1908 bij het plaatsje Hoensbroek. In 1911 begonnen de constructiewerkzaamheden voor de schachten van de derde staatsmijn, Hendrik geheten, bij het dorpje Rumpen, nu onderdeel van de gemeente Brunssum. In 1915 begon de aanleg van de schachten voor een vierde mijn, Maurits genaamd, in Lutterade bij Geleen. De Staatsmijn Emma startte de productie in 1911, de Staatsmijn Hendrik in 1918 en de Staatsmijn Maurits in 1923.

In deze laatste drie mijnen werd gasrijke kool gewonnen, in tegenstelling tot de meeste particuliere mijnen, die huisbrandkolen produceerden. De gasrijke kool was geschikt voor industriële toepassingen (cokes- en gasproductie), en in 1914 werd bij de Staatsmijn Emma een cokesfabriek aangelegd. Bij de Staatsmijn Maurits werd een tweede cokesfabriek gebouwd. De cokesfabricage was mede de start van de chemische activiteiten van Staatsmijnen in Limburg, later genoemd De Nederlandse Staatsmijnen, of DSM.

Wilhelmina.

De Twintigste Eeuw en de Mijnsluiting

Tegen het einde van de jaren ‘20 van de vorige eeuw waren alle mijnondernemingen operationeel, en kende Zuid-Limburg 12 steenkolenmijnen. In de jaren ‘30 werden steenkolen steeds belangrijker en groeiden de mijnen gestaag. Na WO-II werd in de wederopbouw het belang van de Limburgse kolen alleen maar groter. Mechanisatie deed op grote schaal zijn intrede en de productie werd steeds opgevoerd. Dit was de glorietijd van de Limburgse kolenmijnen. In de late jaren ‘50 werd begonnen met de aanleg van de vijfde staatsmijn, Beatrix geheten, nabij Herkenbosch. Er werden twee schachten afgediept, maar in begin jaren ‘60 werd de situatie van de Limburgse kolenmijnen, net als die van de Duitse en Belgische mijnen, steeds slechter. Concurrentie van de goedkopere Amerikaanse steenkolen en de vondst van het aardgasveld van Slochteren ondermijnde de positie van de Limburgse steenkolen als energiedrager. De mijnen draaiden in de jaren ‘60 allemaal verlies. De aanleg van de Staatsmijn Beatrix werd gestaakt in 1962. In 1965 besloot de Nederlandse regering onder leiding van Minister van Economische zaken drs. J.M. den Uyl de Limburgse mijnen te sluiten. Als eerste werd in 1967 de Staatsmijn Maurits gesloten. De andere mijnen volgden, en de allerlaatste Limburgse kolen werden op 31 december 1974 geproduceerd door de ON-I.

Dit artikel is eerder geplaatst in Natural Resource, 10 (2008), no 4, het blad van de Studievereniging “De Mijnbouwkundige Vereniging”. Dit artikel is overgenomen uit Gea 42 (4): 112-115.

Bronnen:

Geilenkirchen, P., 2003–2008. De Domaniale Mijn in Beeld Geilenkirchen, P., 2006–2008. De Laura en Vereeniging in Beeld Voncken & De Jong, 2002-2008. Steenkolenwinning in Nederland

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Gea.
© Gea, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 31 december 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.