Je leest:

Onder vier ogen

Onder vier ogen

Auteurs: en | 15 december 2004

Uit het Netherlands Kinship Panel Study-onderzoek blijkt dat bij meer dan de helft van alle ouder-kind relaties wekelijks sprake is van face-to-face contact. Bij vijf procent is er helemaal geen contact. Zes procent van de moeders en negen procent van de vaders heeft het contact met ten minste één kind verbroken. Het aantal contacten per kind neemt rechtlijnig af met de grootte van de kinderschare.

Eén van de meest bestudeerde eigenschappen van de relatie tussen ouders en hun volwassen kinderen is de frequentie van contact. Regelmatig contact tussen ouders en kinderen is een belangrijke voorwaarde voor het uitwisselen van onderlinge steun en zegt ook iets over de mate waarin ouders en kinderen elkaar op latere leeftijd kunnen beïnvloeden. Veel contact betekent niet altijd een goed contact, maar er is wel een licht positieve samenhang tussen de kwantiteit en de ervaren kwaliteit van de ouderkind relatie.

In de NKPS is aan ouders gevraagd hoe vaak zij in de afgelopen 12 maanden met elk van hun kinderen face-to-face contact hadden. Als we alle ouder-kind relaties samen nemen blijkt dat in ruim de helft van de ouder-kind relaties er minstens wekelijks contact was (zie tabel 1).

Tabel 1. Frequentie van face-to-face contact tussen ouders en kinderen in de laatste 12 maanden (percentages) Klik op de afbeelding voor een grotere versie

In 14 procent van de relaties was er niet meer dan incidenteel contact (enkele keren per jaar) en in vijf procent van de relaties was er helemaal geen contact. We kunnen ook vanuit de ouders naar de contactfrequentie kijken en daarbij al hun kinderen betrekken. Als we dit doen dan blijkt dat 75 procent van de moeders en 68 procent van de vaders met ten minste één kind wekelijks contact heeft. Als we er vanuit gaan dat wekelijks contact met één kind voldoende garantie biedt voor steun in moeilijke tijden, bijvoorbeeld op oudere leeftijd, dan zijn dit bemoedigende percentages.

Verder zien we dat zes procent van de moeders en negen procent van de vaders het contact met ten minste één kind heeft verbroken Dit zijn geen grote aantallen, maar ze zijn ook weer niet te verwaarlozen. De gegevens laten verder zien dat als een ouder het ene kind vaak ziet, deze het andere kind ook vaak ziet. Deze samenhang is echter niet erg sterk en er zijn behoorlijke verschillen tussen de kinderen onderling.

Foto: Wim de Jonge

Vaders en zonen, moeder en dochters

Er zijn sterke man-vrouw verschillen in de mate van contact (zie tabel 1). Als we kijken naar de aantallen contacten per jaar (telefonische contacten niet meegerekend), dan is er 40 procent meer contact in moeder-dochter relaties dan in vader-zoon relaties. Vader-dochter relaties en moeder-zoon relaties zitten tussen deze twee uitersten in en ontlopen elkaar niet veel.

Tabel 2. Face-to-face contacten naar levensfase ouder Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Contacten door de levensloop

De relatie tussen ouders en kinderen is veranderlijk en hangt samen met de veranderingen die ouders en kinderen in hun eigen levensloop meemaken. Als de ouders zijn gescheiden, zo blijkt uit tabel 2, is er op latere leeftijd minder contact met de kinderen, speciaal bij vaders, maar ook wel bij moeders. Gescheiden vaders hebben vergeleken met gehuwde vaders minder dan de helft van de contacten. Ruim een kwart van de gescheiden vaders heeft in de afgelopen 12 maanden met ten minste één kind geen contact meer gehad. Eén op de vijf kinderen heeft het afgelopen jaar geen contact met de vader gehad als deze gescheiden is.

Verweduwde ouders hebben niet minder contact met hun kinderen maar ook niet meer, zoals men misschien zou verwachten – hun behoefte aan contact zal immers toenemen na het overlijden van de partner. Als ouders hertrouwen of opnieuw gaan samenwonen neemt het contact nog verder af. Dit geldt zowel voor vaders als voor moeders en zowel voor hertrouwen na verweduwing als voor hertrouwen na scheiding.

Tabel 3. Face-to-face contacten naar levensfase kind Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Zoals tabel 3 laat zien, speelt de levensloop van de kinderen ook een rol bij het contact ouders-kinderen, hoewel dat duidelijk verschilt voor zonen en dochters. Bij zonen neemt het contact met de ouders wat af als ze gaan samenwonen of trouwen, bij dochters neemt het juist toe na het trouwen of gaan samenwonen. Het krijgen van kinderen leidt bij dochters tot meer contact. Hier zien we de invloed van de grootouder: het kind verstevigt de band tussen moeder en oma. Bij mannen is een dergelijk effect niet te vinden. Als de kinderen zelf een scheiding meemaken, heeft dat nauwelijks een negatieve invloed op de relatie met de ouders. Wel opmerkelijk is dat het contact met de ouders sterk afneemt als de zoon na een scheiding opnieuw trouwt of gaat samenwonen.

Als zonen hertrouwen of gaan samenwonen na verweduwing neemt het contact daarentegen toe. Wellicht hebben we hier te maken met ouders die hun alleenstaande zoons bijstaan bij de opvang van de kinderen.

Grote en kleine families

Op basis van de NKPS-gegevens is nagegaan of ouder-kind relaties in grote gezinnen anders zijn dan in kleine (zie tabel 4). Het aantal contacten per kind neemt rechtlijnig af met de grootte van de kinderschare. Dit is logisch want de ouders moeten hun tijd over de kinderen verdelen. Het is daarom in grote gezinnen moeilijker dan in kleine om voor iedereen tijd te hebben. Opmerkelijk is dat daarnaast de variatie tussen de kinderen in grote gezinnen groter wordt: blijkbaar is het ook moeilijk om alle kinderen evenveel tijd te geven als je er veel van hebt. Hoewel de tijd per kind met de gezinsgrootte daalt, neemt de totale tijd besteed aan alle kinderen juist toe. De koek wordt dus in kleinere partjes verdeeld, maar de koek zelf wordt groter.

Tabel 4. Face-to-face contacten tussen ouders en kinderen naar gezinsgrootte (het aantal kinderen vande ouders) Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Voor kinderen betekent een groot gezin dus minder contact met de ouders, maar voor ouders betekent het meer contact met de kinderen. We kunnen dit nog op een andere manier zien. In grote gezinnen is het percentage ouders dat met ten minste één kind wekelijks contact heeft groter dan in kleine gezinnen. Om een voorbeeld te geven: in een gezin met vijf kinderen heeft 83 procent van de ouders wekelijks contact met ten minste één kind; in gezinnen met één kind is dat slechts 57 procent. Voor ouders is een groot gezin dus een goede verzekering van mogelijke steun op latere leeftijd.

Opmerkelijk is echter dat in grote gezinnen (meer dan vier kinderen) ook het verlies aan contact meer voorkomt. In kleine gezinnen (0-4 kinderen) heeft slechts twee tot drie procent het contact met één kind verloren (geen contact in de afgelopen 12 maanden), in grote gezinnen is dat 11 tot 18 procent. Hoewel dit logisch is als de verlieskans per kind voor alle kinderen gelijk is, is het desalniettemin een belangrijk gegeven: in grote gezinnen is er enerzijds meer zekerheid, anderzijds is er ook vaker een probleem (geweest).

Hoger en lager opgeleiden

Het opleidingsniveau is één van de meest belangrijke onderscheidingskenmerken in de Nederlandse samenleving. Spraken we vroeger over sociale klassen, tegenwoordig is het opleidingsniveau van veel groter belang voor levenskansen en leefstijlen. Zoals tabel 5 en 6 laten zien, vinden we dat ook op het terrein van de familie terug.

Tabel 5. Jaarlijks aantal face-to-face contacten tussen ouders en kinderen naar opleidingsniveau van ouders Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Tabel 6. Jaarlijks aantal face-to-face contacten tussen ouders en kinderen naar opleidingsniveau van kinderen Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Ouders met een Lbo- of Mavoniveau hebben jaarlijks 78 contacten gemiddeld per kind, universitair opgeleide ouders slechts 38. Van lager opgeleide ouders ziet 81 procent ten minste één kind wekelijks, van universitair opgeleide ouders slechts 32 procent. Het verband blijft bestaan als we rekening houden met de gemiddeld kleinere gezinsgrootte van hoger opgeleiden. Het verband is zelfs nog wat sterker als we naar opleidingsverschillen tussen de kinderen kijken.

De verschillen zitten vooral in het feit dat laag opgeleide personen veel vaker wekelijks en dagelijks en hoger opgeleiden vaker maandelijks contact met de kinderen hebben. Het is dus niet zo dat hoog opgeleiden vaker heel weinig contact hebben of het contact hebben verloren met hun kinderen. Sterker, het lijkt erop dat de laagst opgeleide kinderen (met alleen lagere school) vaker het contact met de ouders hebben verloren dan hoger opgeleide kinderen. Bij de laagst opgeleiden is het dus enerzijds vaker dagelijks en wekelijks, anderzijds ook vaker helemaal niet meer.

Hoger opgeleiden wonen vaker ver weg van hun ouders of kinderen. Is dit de reden waarom er minder contact is? We kunnen deze vraag beantwoorden door te berekenen hoeveel contact er zou zijn als alle opleidingsgroepen even ver van hun familie zouden wonen. In de figuur is te zien dat ook dan de hoger opgeleiden minder vaak contact hebben dan de lager opgeleiden. Echter, de verschillen zijn een stuk kleiner als we de geografische afstand gelijk houden.

Contacten ouder-kind naar opleiding Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Met andere woorden, een deel van het verschil is toe te schrijven aan het feit dat hoger opgeleiden verder van hun ouders en kinderen wonen, en een deel van het verschil is toe te schrijven aan het feit dat hoger opgeleiden bij gelijke geografische afstand minder vaak hun ouders en kinderen zien. Dikwijls wordt dat laatste geweten aan de minder traditionele normen en waarden van hoger opgeleiden: zij zouden zich minder verplicht voelen om contact te hebben met familie en dat meer vanuit een eigen keuze doen.

Etniciteit

De etnische herkomst van de respondenten maakt een groot verschil voor familierelaties (tabel 7). We zien dat volwassen kinderen van Turkse of Marokkaanse afkomst veel frequenter contact hebben met hun ouders dan volwassen autochtone kinderen. Van de Turks/Marokkaanse kinderen ziet ruim eenderde hun moeder dagelijks, bij autochtone kinderen is dat slechts zes procent. Het totaal aantal contacten is bij Turks-Marokkaanse kinderen 2,5 keer zo groot. We dienen hierbij te bedenken dat er veel kinderen zijn wier ouders in het buitenland wonen; zij hebben vanzelfsprekend weinig contact en zijn in de tabel niet meegerekend.

Tabel 7. Frequentie van face-to-face contact volwassen kinderen en hun ouders in de laatste 12 maanden naar land van herkomst Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Aan de andere kant woont een relatief groot deel van de Turks/Marokkaanse kinderen, ruim tien procent, samen met de ouders in huis. Zij hebben vanzelfsprekend dagelijks contact met de ouders en zijn in de tabel ook niet meegerekend. Kinderen van Surinaamse of Antilliaanse afkomst hebben eveneens meer contact met hun ouders dan allochtone kinderen, maar het ver- schil is beduidend kleiner dan bij Turkse en Marokkaanse kinderen. Wel valt op dat het verschil tussen contacten met vaders en moeders veel groter is bij kinderen van Surinaams-Antilliaanse afkomst. De achterstand van vaders op moeders is bij kinderen van Surinaams-Antilliaanse afkomst 60 procent en bij autochtone kinderen 86 procent.

Religie en denominatie

Religie is een oudere scheidslijn in de Nederlandse samenleving die echter ook nu nog in belangrijke mate allerlei keuzes in de levensloop beïnvloedt, zoals kinderen krijgen, ongehuwd samenwonen en scheiden. Op basis van de NKPS-gegevens is nagegaan of er ook invloed is van religie op familierelaties, of kerkelijk georiënteerde mensen sterker verbonden zijn met hun familie en of er verschillen zijn afhankelijk van welk geloof men heeft.

Tabel 8. Face-to-face contacten tussen ouders en kinderen naar religie en denominatie ouders en kinderen Klik op de afbeelding voor een grotere versie

De gegevens in tabel 8 laten zien dat kerkelijke mensen het meest frequent contact hebben met de kinderen terwijl niet-kerkelijke ouders en kinderen, zoals we zouden verwachten, het minst frequent contact hebben. De enige uitzondering hierop zijn de gereformeerden. In deze groep is er evenveel contact tussen ouders en kinderen als bij de niet-kerkelijke mensen. Omdat gereformeerden over het algemeen meer behoudende keuzes maken rond gezin en levensloop, was verwacht dat zij ook sterker op de familie georiënteerd zouden zijn, maar dat is blijkbaar niet het geval.

Veel contact, goed contact?

De meeste kinderen (81 procent) en ouders (90 procent) vinden dat ze ‘goed’ of ‘zeer goed’ contact hebben. Het is echter de vraag of weinig contact betekent dat het contact niet goed is. Er wordt wel gezegd dat contact vaak zo verplichtend is dat het hebben van veel contact niet betekent dat men de relatie ook positief waardeert: mensen zien hun familie uit een gevoel van verplichting. Hiertegenover staat het idee dat mensen tegenwoordig juist veel meer vrij zijn om te kiezen hoe vaak en met wie ze omgaan, ook als het familie betreft. Met andere woorden, als de relatie niet als tevredenstellend wordt ervaren, heeft men minder contact.

<BR CLEAR-ALL">Tabel 9. Relatie tussen face-to-face contacten ouders en kinderen en door kinderen gepercipieerde kwaliteit relatie Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Er is een positieve relatie tussen contactfrequentie en kwaliteit, zo is te zien in tabel 9, maar deze relatie is niet heel sterk: bij kinderen die hun ouders enkele keren per jaar zien, beoordeelt 39 procent het contact als ‘niet goed’ of slechts ‘redelijk’. Bij kinderen die hun ouders maandelijks zien heeft 18 procent een ongunstig oordeel en bij wekelijks contact is dat nog maar negen procent. Aan de andere kant zien we ook wel dat er vrij veel kinderen zijn die ondanks een goed contact hun ouders weinig zien.

Tot slot valt op dat bij kinderen die hun ouders in het afgelopen jaar nooit hebben gezien, de relatie relatief vaak goed is. Dit zijn waarschijnlijk kinderen die hun ouders niet hebben kunnen zien, bijvoorbeeld door een verblijf in het buitenland.

Foto: Wim de Jonge

Scheidslijnen

Bij families zien we scheidslijnen terug die we ook in de samenleving zien. Religie en opleidingsniveau blijken ook binnen families keuzes te beïnvloeden, maar niet altijd in de verwachte richting. Zo vormen de gereformeerden een uitzondering op de regel dat kerkelijke mensen relatief sterk op de familie zijn gericht. Hoewel er onder lager opgeleiden over het algemeen meer contacten zijn tussen familieleden, geldt dit voor de laagst opgeleiden niet. Onder kinderen met uitsluitend lagere school komt het relatief vaak voor dat het contact met de ouders is verbroken.

Verder blijkt de huwelijksgeschiedenis van ouders en kinderen sterk bepalend te zijn voor hun onderlinge contacten. Vooral ouderlijke scheidingen hebben nadelige gevolgen. Scheidingen in de generatie van de kinderen leiden echter niet tot verminderd contact.

In het voorafgaande is uitsluitend aandacht besteed aan contacten tussen ouders en hun biologische kinderen. Contacten met schoonouders en stieffamilieleden zijn een thema voor vervolgonderzoek.

Dit artikel is een publicatie van Demos.
© Demos, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 15 december 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.