Je leest:

Niet elke oudere is bejaard

Niet elke oudere is bejaard

Meer nuance in studies naar geweld tegen ouderen

Auteur: | 22 april 2013

Iedereen boven de 65 is bejaard, tenminste daar gaan ook onderzoekers soms voor het gemak maar van uit. De Amerikaanse criminoloog Lynn Addington roept, in het artikel dat zij komende maand in het tijdschrift Homicide Studies publiceert, op tot meer nuance in wetenschappelijke studies naar, met name, geweld tegen ouderen.

Net als in Nederland, neemt in de Verenigde Staten de vergrijzing snel toe. De verwachting is dat in 2030 één op de vijf Amerikanen tot de groep 65-plussers behoort. Op hogere leeftijd wordt de kans in aanraking te komen met geweld steeds kleiner, zo geldt in de Verenigde Staten. Evengoed neemt de interesse in studies naar geweld tegen ouderen toe. Het is daarbij van groot belang, zo pleit Addington, om oog te hebben voor diversiteit binnen de enorme groep ouderen.

65 is maar een getal

De meest gangbare scheidslijn tussen ouderen en anderen is de leeftijd van 65 jaar. Dat 65 de leeftijd is waarop de ouderdom intreedt, is waarschijnlijk terug te voeren op de Duitse regeringsleider Otto von Bismarck. Hij kwam in 1884 met een pensioenplan waarin de overheid burgers vanaf 65 jaar financieel zou ondersteunen.

Zelf werd Bismarck 83 jaar oud.

Dit betekende niet dat iedereen opeens tot in lengte van jaren van zijn oude dag kon gaan genieten; de grens van 65 jaar was namelijk ingegeven door het feit dat slechts een enkeling zijn 65ste verjaardag haalde.

Hoewel de levensverwachting sindsdien enorm is gestegen, is de pensioengerechtigde leeftijd op 65 blijven steken. Ook in studies naar geweld tegen ouderen hanteren veel onderzoekers de leeftijdsgrens van 65 jaar, constateert Addington. Maar toegelicht wordt deze leeftijdsgrens niet. Men houdt de categorie van 65 jaar en ouder aan, omdat dat nu eenmaal de gewoonte is.

Fragiele oudjes

Evengoed komen uit onderzoek naar geweld tegen 65-plussers interessante verschillen met andere leeftijdscategorieën naar boven. Zo is de plaats delict in het geval van moord op ouderen veel vaker hun eigen huis, en daarbij zijn juist veel minder vaak vuurwapens in het spel.

Maar door de onderzoekers aangedragen verklaringen voor dergelijke uitkomsten zijn volgens Addington nogal eens veel te generaliserend. Het grotere risico dat ouderen thuis vermoord worden, zou komen doordat ‘bejaarden zelden hun huis verlaten’ en ‘minder mobiel’ zijn. Dat er minder vuurwapens worden gebruikt, is begrijpelijk omdat ‘daders wellicht concluderen dat vuurwapens niet nodig zijn om fragiele, aan huis gekluisterde, bejaarde slachtoffers om te brengen’.

Het kost weleens wat moeite, maar de meeste ouderen komen echt hun huis nog wel uit.

Addington stoort zich eraan dat dergelijke verklaringen 65-plussers als één groep van huisgebonden, broze en geïsoleerde individuen voorstellen. Zo worden algemene vooroordelen over ouderen herhaald, terwijl veel ouderen juist steeds langer vitaal en actief blijven.

Variatie telt

In een, voorzichtige, poging ouderen niet langer als één homogene categorie te beschouwen, voert Addington een nieuw onderzoek uit. Ze deelt de Amerikaanse 65-plussers verder op in drie leeftijdscategorieën: ‘jonge ouderen’ van 65 tot 74, ‘ouderen’ van 75 tot 84, en de ‘oudste ouderen’ vanaf 85 jaar. Deze onderverdeling kopieert ze overigens zelf weer vanuit de United States Census, de algemene Amerikaanse volkstelling.

Bij moord op ‘jonge’ ouderen is vaker een mes het moordwapen.

Inderdaad blijken er onder ouderen onderling verschillen te bestaan in de vorm van geweld waarmee zij geconfronteerd worden. De jongste groep ouderen blijkt vaker vermoord te worden door middel van messteken en naar aanleiding van een ruzie. De oudste groep ouderen loopt daarentegen een groter risico met blote handen om het leven te worden gebracht. Ook zijn de daders van moorden op de oudste ouderen vaker afkomstig uit hun eigen familie.

Dit profiel van moorden op de oudste ouderen lijkt meer op dat van moorden op kinderen dan op dodelijk geweld tegen andere ouderen, zo merkt Addington op. Ook kinderen lopen namelijk een hoger risico om door familieleden omgebracht te worden en het moordwapen is dan eveneens vaker ‘persoonlijk contact’, ofwel het lichaam van de dader zelf. Om geweld tegen ouderen tegen te gaan, suggereert Addington, zijn daarom wellicht lessen te trekken uit bestaande programma’s tegen kindermishandeling.

In ieder geval laat haar onderzoek zien dat het belangrijk is oog te hebben voor variatie binnen een bepaalde categorie. Dat geldt overigens niet alleen voor beeldvorming over ouderen, maar ook voor alle andere categorieën waarnaar we als vanzelfsprekend verwijzen, zoals allochtonen, bankiers, gehandicapten, politici, werklozen, en wat dies meer zij.

Bron:

Lynn Addington Who you calling old? Measuring “Elderly” and what it means for homicide research: Homicide Studies, mei 2013 doi: 10.1177/1088767912461784

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 22 april 2013

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.