Naar de content

Nederlands had grote invloed op Frans in vroege middeleeuwen

Publiek domein

Dat het Nederlands veel woorden uit het Frans heeft geleend is algemeen bekend. Maar dat in de vroege middeleeuwen het omgekeerde gold, is een heel nieuw perspectief. “Een groot deel van de Oudfranse woordenschat kwam uit het Oudnederlands”, aldus taalwetenschapper Peter Alexander Kerkhof. Hij promoveert deze week aan de Universiteit Leiden.

8 oktober 2018

Welke taal spraken de bewoners van het huidige Frankrijk, het vroegere Gallië, in de Merovingische periode (481-751)? In hoeverre was het Frans al losgezongen van zijn voorvader, het Latijn? En hoe intensief was het contact met buurtalen? Over deze vragen hebben in het verleden met name historici en archeologen zich gebogen, maar een eenduidig antwoord kwam er niet.

Volgens Peter Alexander Kerkhof kan de vergelijkende taalwetenschap nieuw licht werpen op deze vroege periode in de geschiedenis. Want waar historici zich vaak beperken tot tastbare bronnen, kunnen vergelijkende taalwetenschappers aan de hand van reconstructies misschien nog wel een stapje verder terug in de tijd. De bevindingen in zijn proefschrift sluiten bovendien nauw aan bij tastbare archeologische vondsten en historische feiten.

De vergelijkende taalwetenschap houdt zich bezig met de vroegste fases van de taal. Door talen uit dezelfde taalfamilie te vergelijken, reconstrueert men de voorouders van deze talen. Zo doet men aan de hand van moderne talen als het Frans, Spaans en Italiaans uitspraken over het oer-Romaans waar deze talen uit voortgekomen zijn. Door Germaanse talen als het Nederlands, Duits, Engels, Fries en Scandinavisch te vergelijken, weet men meer over het oer-Germaans.

Duizend leenwoorden

Dat het Oudfrans, ook wel Gallo-Romaans genoemd, een heel Germaans karakter had, was in de vroege twintigste eeuw al aangetoond door Duitse taalwetenschappers. “Het Gallo-Romaans was een variant van het Latijn en had bijna duizend leenwoorden uit het Oudnederlands”, zegt Kerkhof. “Hoewel er ook wel woorden uit het Gotisch of Bourgondisch in zijn geslopen, was de Oudnederlandse oftewel Oudfrankische invloed zonder twijfel de belangrijkste.”

Het Merovingische Rijk (481-751) besloeg delen van het huidige Nederland, België, Frankrijk en Duitsland. Het gebied bestond uit het noordoostelijke Austrasië en het zuidwestelijke Neustria. De Merovische periode ging vooraf aan de Karolingische periode.

Peter Alexander Kerkhof

Voor een deel kon die Germaanse invloed verklaard worden vanuit de grote volksverhuizingen uit de Merovingische periode: het waren de ‘barbaren’ uit het huidige Nederland en België, beter bekend als de Franken, die de Romeinen weggejaagd hadden. Maar bewijs dat de Franken destijds in groten getale naar Noord-Frankrijk kwamen, is er niet. Kerkhof plaatst de invloed van het Frankisch dan ook in een jongere periode in de geschiedenis, namelijk ten tijde van Pepijn van Herstal (635-714), de laatste der Pippiniden.

Latijn als tweede taal

“Ik noem het de Pippinidische theorie: onder aanvoering van Pepijn van Herstal namen de Pippiniden de macht over in Merovingisch Frankrijk. Omdat zij afkomstig waren uit België, vervingen zij alle Fransen die belangrijke posten bekleedden – denk aan abdijen, graven- en hertogposten – door Belgische ambtenaren. In mijn proefschrift gebruik ik de Engelse term elite replacement. Het vernederlandste Latijn dat zij spraken, kreeg daardoor prestige in heel Frankrijk. Het werd de nieuwe standaard.”

Bewijs voor zijn theorie vindt Kerkhof in zijn reconstructies van de taal die men gesproken moet hebben in Merovingisch Frankrijk. Die bevatte niet alleen een hoop Germaanse leenwoorden, maar ook Germaanse klanken en een deels Germaanse zinsbouw. “Een dermate sterke invloed van het Germaans kun je eigenlijk alleen maar verklaren door tweede taalleerders. Want sprekers van een tweede taal nemen onbewust bepaalde klanken en zinsstructuren mee uit hun eerste taal. Dus die hoge ambtenaren moeten een vernederlandste vorm van Latijn hebben gesproken.”

Het Klassieke Latijn werd volgens Kerkhof in de vijfde eeuw na Christus al niet meer gesproken. “Misschien nog in de kerk, maar daarbuiten vrijwel niet.” De nakomelingen van het Latijn, waren zodanig uit elkaar gegroeid dat ze onderling al niet meer verstaanbaar waren. Tegelijkertijd doet het schriftbeeld nog ontzettend zijn best om Latijn te zijn. Maar dat zegt niets over hoe men sprak, benadrukt Kerkhof. “Ze schreven een taal die ontzettend archaïsch was. Maar ze spraken het uit met klanken die in de volkstaal voorkwamen. Bewijs daarvoor vind je terug in rare spellingen, woorden die alleen maar op elkaar rijmen als je de lokale uitspraak erbij denkt. Op deze manier kunnen we dus aan de hand van geschreven Latijnse taal toch iets te weten komen over de Romaanse spreektaal.”

Spoorzoeken in de taal

De taalwetenschapper hoopt met zijn proefschrift de dialoog te openen tussen taalwetenschappers, historici en archeologen. Ook al zijn er methodologische verschillen. “Historici baseren zich veelal op tastbare bewijzen. Maar mijn theorie kan ik niet direct bewijzen aan de hand van geschreven bronnen. Er staat nergens zwart op wit dat het Latijn dat men schreef niet gesproken werd. In de schaarse geschriften uit die tijd sprak men überhaupt niet beschouwend over taal.”

Maar in de taal kun je genoeg sporen terugvinden. Ook in de namen. Veel Germaanse namen zijn ook het Frans binnengekomen. “In Chanson de Roland, het eerste grote epische werk in het Oudfrans, heeft iedereen van adel een Germaanse naam. Dat is ook logisch, want de Franken waren de heersende klasse in de vroege middeleeuwen. Dus iedereen gaf zijn kinderen Frankische namen.”

De Salische wet (Latijn: Lex Salica) stamt uit de zesde eeuw en was een van de eerste wetboeken sinds de Romeinen, uit de tijd van de Merovingische koning Clovis (466-511). In deze Latijnse wetstekst staan rechtstermen soms ook weergegeven in het Oudnederlands. Ook vinden we hier het oudste Nederlandse zinnetje. Het gaat om de rechtsformule die werd uitgesproken bij het vrijverklaren van een laat ‘Maltho: thia afrio, leto’ (ik zeg: ik laat je vrij, halfvrije). In een middeleeuws Iers handschrift stuitte Kerkhof onlangs op een woordje dat na de Salische tekst het oudste Nederlands is dat tot nu toe is gevonden: blindaugo, wat ‘blindogig’ betekent.

Tijdens zijn bronnenonderzoek kwam Kerkhof ook nog enkele Oudnederlandse woorden op het spoor, waarvan hij de herkomst (etymologie) wist bloot te leggen. “Die etymologieën lagen klaar om ontdekt te worden”, zegt hij met een glinstering in zijn ogen. “Een heel leuke is het woord ‘straf’ in de Salische wet, dat ik heb kunnen verbinden met de oud Keltische vorm ‘strabos’, wat ‘belediging’ betekent. In het Middelnederlands heeft ‘straf’ ook nog die betekenis.”

Of neem het woord ‘polder’, een Gallo-Romeins woord met de betekenis ‘poeder, stof, zand’, afkomstig uit het Oudnederlands waar het van oorsprong een ‘zandige schorre of slik’ is. En ‘flauw’ dat wij ontleend hebben aan het Frans, maar dat oorspronkelijk uit het Nederlands komt. Frans ‘flou’ betekent zoiets als ‘wazing, onduidelijk’, en komt van het Nederlandse ‘lauw’. En zo kan Kerkhof nog wel even doorgaan. “In Wallonië zeggen ze voor ‘flauwvallen’ nog ‘tomber flou’. Zo cool!”

Bron
  • Peter Alexander Kerkhof, Language, Law and Loanwords in Early Medieval Gaul. Language Contact and Studies in Gallo-Romance phonology. Proefschrift Universiteit Leiden. Promotie op 9 oktober 2018.
ReactiesReageer