Naar de content

Leve de Duitse taal!

Een college over Duitse zinnen ter gelegenheid van de Dag van de Duitse taal

Flickr, peulenbroek via CC BY 2.0

Vandaag is de Dag van de Duitse Taal. Speciaal voor de gelegenheid liet taalredacteur Mathilde Jansen zich in de collegebanken onderdompelen in het Duits. Universitair docent Philipp von Samson-Himmelstjerna gaat tijdens dit college in op de zinsstructuur van het Duits. Hoe verschilt die van het Nederlands?

21 april 2016
Flickr, Mollyali via CC BY 2.0

Vandaag volg ik een college bij de studie Duits in Leiden. Samen met veertien eerstejaarsstudenten zit ik in een klein zaaltje van het Witte Singelcomplex.

Onze docent is Philipp von Samson-Himmelstjerna en hij gaat ons invoeren in de syntaxis, de zinsbouw van het Duits. Voor een deel is die vergelijkbaar met de Nederlandse zinsbouw, maar in sommige opzichten wijkt hij ook af.

Vaste positie in de zin

We beginnen met een brainstorm waarin woorden als Satzglieder (zinsdelen), Satzmodus (zinstype, zoals een mededelende of vragende zin) en Haupt- und Nebensatz (hoofd- en bijzin) in het rond vliegen. In zijn powerpointpresentatie laat de docent vervolgens zien dat de volgorde van de zinsdelen niet willekeurig is. Mensen zijn zich meestal niet bewust van alle regels die ten grondslag liggen aan onze zinsbouw.

Zo hebben de werkwoorden in de zin vaak een vaste positie. En met name in bijzinnen of in werkwoordsclusters is de positie in het Duits strenger vastgelegd dan in het Nederlands. De persoonsvorm in een mededelende hoofdzin in het Duits en in het Nederlands staat altijd op de tweede positie: Ich habe Hunger. In vraagzinnen komt die echter op de eerste positie: Habe Ich Hunger? Dit geldt alleen voor ja/nee-vragen, want bij zinnen met een vraagwoord (Wer hat Hunger?) schuift de persoonsvorm weer een plekje op. In bijzinnen is de persoonsvorm zelfs het laatste zinsdeel: Ich glaube dass Ich Hunger habe.

Ab ins Bett!

In je moedertaal maak je automatisch grammaticaal correcte zinnen; daar hoef je niet bij na te denken. Maar bij het leren van een vreemde taal, een taal die je later leert, is het heel nuttig om de grammaticale regels snel te kennen. Vaak wijken die regels weer net even af van je moedertaal en dan maak je gemakkelijk fouten. In het Engels bijvoorbeeld staat de persoonsvorm ook in bijzinnen op de tweede positie (I believe I am hungry ). En in het Spaans kun je een negatie voorop plaatsen (No tengo hambre: letterlijk vertaald als ‘niet heb ik honger’), wat in het Nederlands en Duits onmogelijk is.

Natuurlijk liggen het Nederlands en het Duits dicht bij elkaar. Dat komt doordat ze tot dezelfde talenfamilie behoren: de Germaanse talen. De verschillen liggen meer in de nuances. Dat betekent dat je als Nederlander extra gespitst moet zijn op die verschillen. Zoals in de gebiedende wijs: Ab ins Bett! ‘Hup, naar bed’ zou je in het Nederlands zeggen of ‘Naar bed!’ Of in de aanvoegende wijs (conjunctief): Es lebe der König! Terwijl je dat onderwerp in het Nederlands weglaat: Leve de Koning!

Die deutsche Sprache

We hebben even een kwartiertje pauze. Daarin fungeert Von Samson als vraagbaak: hij is niet alleen leraar Duits, maar ook moedertaalspreker. Een groepje studenten discussieert over Sprachfertigkeit. Hoewel sommigen denken dat dit hetzelfde is als spreekvaardigheid, kan de docent ze vertellen dat het hier gaat om algemene taalvaardigheid. Immers: taal is in het Duits Sprache. Specifieke spreekvaardigheid moet je vertalen als Sprechfertigkeit.

Von Samson vertelt me dat dit vak deel uitmaakt van de collegereeks ‘Fundament en Verdieping’ die de studenten de eerste twee jaar van hun studie volgen. Daarbij worden de fundamenten van de taalvaardigheid gelegd, zodat studenten in het derde jaar helemaal klaargestoomd zijn voor het zelfstandig schrijven van hun Duitse bachelorscriptie. Behalve zinsstructuur, komen ook naamvallen en woordenschat tijdens deze colleges aan bod, zo zal blijken na de pauze. En pragmatiek (taalgebruik in context), want de docent besteedt ook aandacht aan indirecte formuleringen, zoals Ist dir nicht auch furchtbar kalt? Om te zeggen: ‘Mag het raam dicht?’

Ander woord voor joint?

Na de pauze krijgen we een Duits nieuwsbericht voorgeschoteld, waaruit allerlei stukjes van zinnen zijn weggelaten. De studenten moeten om beurten een zin voorlezen en de weglatingen aanvullen. Dat is best lastig: niet alleen moet het juiste woord gevonden worden, maar ook de naamval moet correct zijn. En het zijn vrij lange zinnen zoals Vor der Fahrt, belud er sein Auto mit diversen Tüten.

Er ontstaat discussie over het woord Tüte, dat de docent vertaalt met ‘tas’ of ‘papieren zak’. Volgens een van de studenten betekent het ook ‘joint’. Dat komt volgens de docent door de vorm van een joint, die lijkt op een puntzakje. Het leidt tot hilariteit onder de studenten. Ze zitten duidelijk aan hun Sprachfertigkeits-taks, maar er zijn ook alweer twee uur verstreken. Het college is zu Ende.

ReactiesReageer