Naar de content

Kindertaalonderzoek nog in de kinderschoenen

Jelske Dijkstra voor NEMO Kennislink

Op 27 maart hield taalwetenschapper Claartje Levelt haar oratie aan de Universiteit Leiden. Daar doet ze al ruim 15 jaar onderzoek naar kindertaal. Ook is ze de oprichter van het babylab in Leiden. Als fonoloog onderzoekt ze de manier waarop kinderen de klankstructuur van hun moedertaal onder de knie krijgen. “Het plaatje is nog lang niet compleet”, aldus Levelt.

24 april 2015

Claartje Levelt is hoogleraar Eerste Taalverwerving aan de Universiteit Leiden.

Mathilde Jansen

“Dit onderzoek gaat nooit snel, omdat baby’s nou eenmaal niet de makkelijkste proefpersonen zijn,” zegt Claartje Levelt. Met een lach wel te verstaan, want dat maakt haar werk juist ook zo uitdagend. “Voordat je goede gegevens hebt, ben je een hele tijd verder.” We zitten op haar werkkamer in de letterenfaculteit aan de Witte Singel in Leiden. Haar oratie, met de passende titel Taal in de kinderschoenen, is al achter de rug. De gedrukte tekst ligt zelfs al voor onze neus.

In haar oratie laat de hoogleraar zien dat er verschillende perspectieven bestaan op kindertaal. Levelt ziet het als haar missie om al die verschillende invalshoeken bij elkaar te brengen: “Nu doen mensen heel vaak óf onderzoek naar taalwaarneming, of naar taalproductie. Beide typen onderzoek hebben ook verschillende benaderingen. Dat komt doordat taalwaarnemingsonderzoek voornamelijk wordt uitgevoerd door psychologen, en taalproductie-onderzoek vooral door taalwetenschappers. En die twee hebben heel verschillende onderzoeksvragen. Een taalwetenschapper is bijvoorbeeld geïnteresseerd in de opbouw van een grammatica, en een psycholoog niet.”

Baby’s en zangvogels

Levelt werkt al langer samen met psychologen – het babylab dat zij opzette werd de taalkundige poot van een babylab voor cognitieve ontwikkeling dat al bestond bij de faculteit sociale wetenschappen – en sinds kort ook met biologen. “We kijken in hoeverre zangvogels van dezelfde leermechanismen gebruik kunnen maken als kinderen. Kinderen zijn goed in het leren van grammaticale regels én in het leren van klemtoonregels; zebravinken zijn niet goed in het leren van grammaticale regels, maar blijken klemtoonregels wél te kunnen leren.”

Hoe doe je dat eigenlijk, taalonderzoek bij zulke jonge proefpersoontjes? De kinderen die in het babylab komen zijn tussen de 7 maanden en 2,5 jaar oud. Bij het taalwaarnemingsonderzoek zitten ze bij een ouder op schoot in een geluidsvrije cabine. Levelt: “Ze krijgen taal aangeboden waarbij ze soms heel kleine klankverschillen moeten kunnen horen, dus ze mogen niet afgeleid worden door omgevingsgeluiden. De ouders hebben een koptelefoon op met muziek, want die mogen de kinderen niet onbewust beïnvloeden. Bij visuele stimuli krijgen ze ook nog een soort zonnebril op.”

“Bij de productie-experimenten moet je heel creatief zijn. Vaak zijn kinderen eerst een beetje verlegen. Dan gaan ze opeens fluisteren en hoor je niks meer op je bandje. Dus je moet proberen om ze enthousiast te krijgen. Je laat ze bijvoorbeeld in een spelsituatie woorden zeggen die je wilt horen. Als ze eenmaal lekker bezig zijn in zo’n spel, beginnen ze volop te praten.”

EEG

In het babylab in Leiden gebruiken taalwetenschappers veel indirecte meetmethodes. Zo wordt bij het taalwaarnemingsonderzoek het gezicht van de baby’s vastgelegd met een videocamera. De oogbewegingen van de proefpersoontjes worden gemeten om vast te stellen hoelang ze hun aandacht ergens op richten, of de duur dat ze hun hoofd draaien naar een geluid dat van links of rechts komt. Ook met EEG wordt steeds vaker gewerkt in Leiden, want de experimentele taalkunde is in opmars. Levelt: “Soms kun je aan de hand van EEG-onderzoek taalkennis waarnemen die je met behulp van gedragsexperimenten nog niet kon ontdekken. Dan zie je een reactie in de hersenen, maar die wordt nog niet omgezet in gedrag.”

Mama, baba of papa

De hoogleraar combineert verschillende methoden om een antwoord te vinden op die ene vraag: ‘Hoe komt het taalsysteem van de grond bij baby’s?’ Levelt: “Ik wil precies weten welke factoren op welk moment in de ontwikkeling de woordvormen die we in kindertaal horen beïnvloeden. Wat is de invloed van een zich ontwikkelende grammatica, wat is de invloed van de waarneming van taal, en wat is de invloed van een spraakproductiemechanisme dat nog niet perfect werkt? In de eerste twee levensjaren zijn kinderen aan het goochelen met alle taalinformatie die ze binnenkrijgen. Ze moeten ook nog alle woorden leren, en de klanken daarvan in detail in hun woordgeheugen opslaan. Dat gaat niet altijd goed.”

“Ook motorische factoren spelen een rol. Het is niet voor niets dat alle kinderen over de hele wereld beginnen met het woordje mama, baba of papa. Daarbij doe je simpelweg je mond open en dicht. De aa, ie en oe zijn de eerste klinkers die baby’s produceren. Bij de medeklinkers zijn de p en de t makkelijk, maar de k wordt later aangeleerd: dan hoor je bijvoorbeeld eerst tita in plaats van kikker.”

Het woord angst wordt in houten blokken gespeld.

Kinderen over de hele wereld beginnen met een grammatica die alleen medeklinker-klinker-lettergrepen toestaat.

Pixabay, Wokandapix via CC0

Medeklinker-klinker

De meest interessante bevindingen komt Levelt tegen wanneer ze waarnemings- en productieonderzoek combineert. “Tussen waarneming en productie is een heel sterke relatie. Als kinderen het woord boot leren, lijkt het erop dat ze die eindklank t nog niet zo precies opslaan.”

“Dat zie je overal ter wereld: dat kinderen beginnen met een simpele grammatica die alleen medeklinker-klinker-lettergrepen toestaat. In die fase zeggen ze boo voor boot en poe voor poes. Die grammatica beïnvloedt ook hun waarneming, zo blijkt uit mijn onderzoek. Ze vinden het niet erg om in plaats van poes poe te horen, maar wel om in plaats van koe koes te horen.” Op dat spoor gaat de onderzoeker de komende jaren dus nog even door: “Al die verschillende puzzelstukjes wil ik samen zien te voegen!”

ReactiesReageer