Naar de content

Jeugdtrauma kan je later sterker maken

Stress is niet altijd slecht, denkt Rick van der Doelen

the optimist

Depressiviteit en stress hebben met elkaar te maken, maar het is geen simpel verband, vertelt Rick van der Doelen, die 6 mei promoveerde als moleculair levenswetenschapper aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. “Sommige mensen die een jeugdtrauma hebben opgelopen blijken later kwetsbaarder te zijn voor stress en ontwikkelen een depressie. Bij anderen zien we juist dat ze geen depressie ontwikkelen. De vraag is, hoe komt dat nou?”

15 mei 2015

“Ik wilde niet sec kijken naar de hersenen, maar naar iets wat echt een link heeft met psychiatrische ziektes. Iets wat de kliniek richting kan geven voor verder onderzoek.” Promovendus Rick van der Doelen onderzocht daarom de interactie tussen stress en genen die betrokken zijn bij gevoeligheid voor depressie. We spreken elkaar in de kantine van het VieCuri Medisch Centrum in Venlo waar hij sinds 1 september 2014 werkzaam is als klinisch chemicus in opleiding.

Klinisch chemicus in opleiding Rick van der Doelen

Rick van der Doelen

In een notendop onderzocht Van der Doelen hoe het risico om depressief te worden tot stand komt. Dit risico heeft sterk te maken met de gevoeligheid voor stress, wat weer sterk wordt beïnvloed door onze genen. Eén van de genen waarbij dit is aangetoond is het gen dat wordt vertaald naar de serotonine-transporter. Dit is een eiwit waarop ook verschillende antidepressiva werkzaam zijn. Het regelt de distributie van serotonine in de hersenen, een boodschapperstof die een rol speelt bij groot een aantal uiteenlopende functies als geheugen, stemming, slaap en eetlust.

Jeugdtrauma

Van het serotonine-transporter-gen zijn drie verschillende varianten bekend: SS, SL en LL. “Hoe kan het dat één van de genetische varianten van de serotonine-transporter, samen met stress in je jeugd, je gevoeliger kan maken voor een depressie?” vroeg Van der Doelen zich af. De originele hypothese was dat stress vroeg in je leven (bijvoorbeeld door misbruik) ervoor zorgt dat je minder goed om kan gaan met stress als je volwassen bent. “Het is ook vaak zo dat mensen die een jeugdtrauma hebben, later meer kans hebben op een depressie. Maar opvallend genoeg blijkt uit epidemiologische studies dat een groot deel van deze mensen over het algemeen prima functioneren als volwassenen en geen psychiatrische stoornis ontwikkelen. De vraag is, hoe komt dat dan? Dat is iets wat de laatste jaren pas aandacht krijgt in de neurowetenschappen.”

Stress kan de manier waarop je DNA tot expressie komt beïnvloeden.

Shutterstock, Biowetenschappen en maatschappij

Dicht bij elkaar

Sommige genen hebben interactie met je omgeving. Als je bijvoorbeeld een stressvolle gebeurtenis meemaakt, kan dat je genexpressie beïnvloeden. Genexpressie is het proces waarbij informatie in een gen tot uiting komt. Het gen vormt een stukje codetaal die wordt gekopieerd naar RNA, en vervolgens wordt vertaald naar een eiwit. Ieder gen bestaat uit twee stukjes DNA, oftewel twee allelen, die kunnen hetzelfde zijn of iets verschillen. Zo kan je verschillende varianten hebben van een gen. Het Serotonine-Transporter-gen kent twee belangrijke varianten: S (short) of L (long). Je hebt mensen met een SS, SL of LL. Deze zogenoemde genotypen reageren verschillen onder invloed van omgevingsstress en hebben een andere impact op gevoeligheid voor het ontwikkelen van een depressie. Zo geeft het SS-genotype het hoogste risico op een depressie in interactie met stress in je omgeving.

“Wat ook nog interessant is om te vertellen is dat de SS-variant bij twintig procent, de SL-variant bij vijftig procent en de LL-variant bij dertig procent van de mensen voorkomt. Je kunt dus niet spreken over de ‘normale’ en de ‘afwijkende’ variant, omdat de percentages te dicht bij elkaar liggen. Eigenlijk zijn ze zowel de S- als het L-variant geconserveerd in de evolutie, dus moeten ze ook allebei, denken we, een doel hebben. Wat nou het voordeel is om een S-variant te hebben, terwijl het ook wordt geassocieerd met een verhoogd risico op depressies – en een aantal andere psychiatrische stoornissen – is nog niet helemaal duidelijk. Maar, het lijkt erop dat mensen met de S-variant gevoeliger zijn voor zowel positieve als negatieve omgevingsfactoren”, zegt Van der Doelen.

Ontsnappen

Bij het onderzoek gebruikte van der Doelen ratten met de drie genotypes die ook bij mensen voorkomen (SS, SL en LL). Deze ratten werden in twee groepen verdeeld. Eén groep werd blootgesteld aan ‘maternale separatie’ en de andere groep niet. Dit betekent dat de ratten al dan niet een paar uur, gedurende een paar dagen werden gescheiden van hun moeder als pup. Zo werd stress in het vroege leven van mensen nagebootst.

Na twee maanden werden, de inmiddels volwassen ratten, opnieuw aan stress blootgesteld. Ditmaal werd er gedurende twee dagen, twintig minuten stress opgewekt door elektrische shocks in een speciale box waarbij ze niet konden ontsnappen. Af ten toe werden er pauzes ingelast waarbij ze de mogelijkheid hadden te ontsnappen via een deurtje. De derde dag was de omgeving veranderd. Ze konden nu ook ontsnappen via het deurtje tijdens de stress-opwekkende prikkels. Een deel van de ratten bleef op de derde dag gewoon zitten, terwijl ze weg konden gaan; een deel van de ratten ontsnapte zo snel mogelijk.

“Wat we zagen is dat ratten die maternale separatie hadden ondergaan, en daardoor een ‘jeugdtrauma’ hadden opgelopen, eerder ontsnapten dan de ratten die veilig bij hun moeder waren opgegroeid, ongeacht het genotype (SS, SL of LL). Dit duidt er op dat blootstelling aan stress niet enkel nadelige gevolgen heeft, maar dat het ook kan helpen om later met stress om te kunnen gaan”, aldus van der Doelen.

Stress in jeugd: positief of negatief?

Van der Doelen benadrukt dat dit resultaat door meer studies wordt ondersteund, maar dat het tegenovergestelde ook wordt gevonden. “Sommige studies die exact dezelfde methode hebben gevolgd vonden dat ratten die maternale separatie ondergingen het juist slechter doen, in een andere context. De vraag is nu, wat is het verband tussen die vroege stress en die late stress. Wat zorgt er nou voor dat ze er de ene keer wel goed mee om kunnen gaan, en de andere keer niet. Is dit afhankelijk van de omgeving? Zijn er andere factoren?

Van der Doelen vertelt dat het nog niet duidelijk is waarom de ratten die maternale separatie hebben ondergaan, beter kunnen omgaan met stress, in de context van zijn onderzoek. Dit positieve effect is wel al vaker aangetoond in andere studies. Waarom voorheen alleen het negatieve effect vooral naar buiten is gekomen is niet duidelijk. “Mogelijk is er toch een bepaalde bias in de literatuur geweest. Met andere woorden, het is misschien tot voor kort moeilijk geweest om studies met positieve effecten te publiceren, of het was zo dat de onderzoekers er zelf toch een negatieve interpretatie van maakten”, overpeinst Van der Doelen.

“Onze resultaten hebben ons flink aan het denken gezet. Ze moeten nog gereviseerd worden, en er moet meer onderzoek naar worden gedaan, maar ik denk dat de hypothese die hieruit voortkomt zeker wel ‘waar’ zou kunnen zijn; dat je als volwassene positieve gevolgen kan ondervinden van stress in je vroege jeugd.”

ReactiesReageer