Naar de content

Integratietoets resulteert in uitsluiting

Een bord op een gebouw met de tekst: ceremonie nieuwe Nederlanders. Zaal open om 15:00 uur. De drie rode kruizen van Amsterdam zijn ook te zien. Ook zien we een groep met poppetjes.
Een bord op een gebouw met de tekst: ceremonie nieuwe Nederlanders. Zaal open om 15:00 uur. De drie rode kruizen van Amsterdam zijn ook te zien. Ook zien we een groep met poppetjes.
Kennisland

Immigranten die legaal en al langer in Nederland verblijven en die Nederlander willen worden, moeten een taal- en integratietoets halen. Deze toets zou de integratie moeten bevorderen, maar zorgt eerder voor uitsluiting van grote groepen migranten.

4 maart 2013

In 2002 ontvingen 29.000 immigranten een Nederlands paspoort. Twee jaar later waren dat er nog maar de helft en dat aantal is min of meer stabiel gebleven tot 2010. Volgens juriste Ricky van Oers is deze teruggang een rechtstreeks gevolg van de invoering van de integratietoets op 1 april 2013. Ze promoveerde op 1 maart aan de Radboud Universiteit Nijmegen op haar onderzoek naar de praktijk van de integratietoetsen in Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië. Haar conclusie is dat deze toetsen hun doel voorbij schieten: ze zorgen niet voor een betere integratie, maar resulteren in uitsluiting.

Vermindering naturalisaties

Net als in Nederland hebben ook de invoering van integratietoetsen door Duitsland in 2008 en Groot-Brittannië in 2005 geleid tot minder naturalisaties in deze landen. Van Oers analyseerde de politieke debatten in deze landen om uit te zoeken wat er eigenlijk van de introductie van integratietoetsen verwacht werd.

Politici ontkenden expliciet dat zij met de nieuwe toetsen voor een daling van het aantal uitgereikte paspoorten wilden zorgen. Maar toen deze daling een feit was na de inwerkingtreding van de testen, riep dat geen vragen of roep om herziening van de nieuwe eisen op. Dit wijst er volgens van Oers op dat daling van het aantal naturalisaties toch wel de bedoeling was.

Bekroning integratie

Van Oers legt uit met welk doel de nieuwe eisen wel aanbevolen werden in de politieke debatten: ‘Migranten die hier permanent blijven wonen moeten zo compleet mogelijk geïntegreerd zijn, zo was de gedachte. De toets is indertijd ingesteld met het doel integratie te verbeteren.’

Spandoek van de gemeente Amsterdam voor de campagne inburgeren een ander woord voor meedoen Net als de inburgeringstoets moet deze inburgeringscampagne mensen ertoe aanzetten beter te integreren in de Nederlandse samenleving.

Lifesized

Dat alleen mensen die al volledig geïntegreerd zijn een paspoort kunnen krijgen, is eigenlijk helemaal niet vanzelfsprekend. Naturalisatie kan namelijk ook gezien worden als een basis voor het verdere integratieproces. Migranten die dankzij hun paspoort een sterke rechtspositie hebben, kunnen vervolgens makkelijker verder integreren, was eerder de gedachte.

Maar, zo merkt van Oers op, in Groot-Brittannië, Nederland en Duitsland ontstond de afgelopen decennia de gedachtegang dat de multiculturele samenleving mislukt was. ‘Het gevoel kwam op dat naturalisatie te gemakkelijk werd weggegeven en dat er iets tegenover de toekenning van burgerschap moest staan.’ Naturalisatie werd daarom meer en meer gezien als de bekroning van het integratieproces.

Uitsluiting van uitersten

Van Oers’ onderzoek richtte zich op immigranten die al langer en legaal in het land wonen en die de nationaliteit van het land willen verkrijgen. Naast analyse van statistische gegevens, interviewde ze 213 immigranten en andere belanghebbenden om erachter te komen wat de invoering van de integratietoets voor hen heeft betekend.

Voor sommige immigranten blijkt het simpelweg niet haalbaar te zijn om voor de test te slagen. Het gaat hier bijvoorbeeld om getraumatiseerde vluchtelingen, analfabeten, laag opgeleiden en ouderen. Deze migranten zullen dan ook nooit dezelfde rechten kunnen krijgen als Nederlanders. Dat betekent in de praktijk dat ze niet alleen niet kunnen stemmen, ze zullen ook meer moeite hebben met het kopen van een huis, het lenen van geld voor een eigen bedrijf, of het krijgen van een baan. Bovendien is met een tijdelijke verblijfsvergunning het risico van uitzetten groter.

Maar ook voor een groep migranten die juist gemakkelijk voor de toets kan slagen, werkt de integratietoets eerder averechts. Immigranten die al goed geïntegreerd zijn, bijvoorbeeld na al lange tijd in het ‘gastland’ te wonen en werken of er zelfs te zijn geboren, voelen zich niet serieus genomen en op kosten gejaagd door de verplichte toets. ‘In plaats van integratie te bevorderen creëert de verplichting om integratie te bewijzen in een test bij deze immigranten het gevoel dat ze er, ondanks hun lange verblijf en de bijdragen die zij door middel van werk of andere relevante activiteiten hebben geleverd, niet bijhoren,’ licht van Oers toe.

Wat toetst de toets?

Maar helpt de integratietoets de middenmoot dan wel verder? Migranten die nog niet goed geïntegreerd zijn, maar met enige moeite wel voor de toets slagen, kunnen in de aangeboden taal- en integratiecursussen hun kennis vergroten en netwerk uitbreiden. Toch dragen de integratietoetsen volgens van Oers ook voor deze groep niet per se bij aan een verbeterde integratie.

De inhoud van de integratietoetsen laat namelijk te wensen over. De kwestie waaraan integratie moet worden afgemeten en welke kennis dus daadwerkelijk in de toets aan bod zou moeten komen, was in het Nederlandse parlement maar zelden onderwerp van discussie. Het is nogal lastig om integratie te toetsen, zolang onduidelijk is wat iemand precies moet weten om goed geïntegreerd te zijn.

In de Tweede Kamer werd alleen betoogd dat nieuwe Nederlanders in staat zouden moeten zijn om ook gebruik te maken van de rechten die het burgerschap met zich meebrengt. Maar de Nederlandse integratietoets is niet gericht op kennis van zulke democratische rechten, plichten en vrijheden. Hieraan zijn namelijk slechts 10 procent van de vragen gewijd.

Liberale paradox

Het merendeel van de vragen uit de toets gaat over algemene kennis van Nederland en over ‘omgaan met culturele verschillen.’ Het gaat bijvoorbeeld om vragen als: ‘Wat kunt u het beste doen wanneer u twee mannen ziet zoenen in een café?’, of: ‘Hoe kunt u het beste reageren op vrouwen die naar uw mening ongepast gekleed gaan’.

Van Oers vindt dergelijke vragen over omgangsvormen discutabel, omdat er geen eenduidig goed of fout antwoord op kan worden geformuleerd, terwijl er wel maar één antwoord goed gerekend wordt.

Daarnaast pogen dergelijke vragen te toetsen of toekomstige Nederlanders wel liberaal genoeg zijn. Volgens Van Oers schendt de Nederlandse toets daarmee paradoxaal genoeg een liberale kernwaarde: de vrijheid om te doen en laten wat je zelf wil, zolang je daarbij maar geen wettelijk bepaalde grenzen overschrijdt.

Ricky van Oers studeerde rechten aan de Radboud Universiteit en de Université Paris Descartes. Sinds 2004 werkt ze als onderzoeker bij het Centrum voor Migratierecht van de Radboud Universiteit. Ze promoveerde op 1 maart 2013 aan deze universiteit op haar onderzoek getiteld Deserving Citizenship: Citizenship tests in Germany, the Netherlands and the United Kingdom.