09 juni 2017

“Bij de huldiging van Feyenoord als landskampioen kreeg ik een NL Alert dat de binnenstad van Rotterdam vol was. Ik werk in diezelfde binnenstad op een rustige plek en was verbaasd over deze melding en tweette erover. Zo kwam ik in contact met Kenny Meesters van de TU Delft, die ook op Twitter zijn verbazing uitsprak over het NL Alert en we raakten in gesprek over informatievoorziening van hulpdiensten bij calamiteiten en rampen.”

Je leest:

‘Ik sta bij een ramp nooit met mijn handen in mijn zakken’

‘Ik sta bij een ramp nooit met mijn handen in mijn zakken’

Interview met Kenny Meesters over informatievoorziening bij rampen

Auteur: | 9 juni 2017

Maak bij grote rampen slim gebruik van wat bewoners van het gebied al weten. Daarvoor pleit Kenny Meesters van de TU Delft. Hij is gespecialiseerd in de informatievoorziening van internationale rampen.

Na het NL Alert verstuurde ik deze tweet, waardoor ik in contact kwam met Kenny Meesters, die de informatievoorziening bij internationale rampen onderzoekt.
Screenshot Twitter

“Kom niet naar Amsterdam. De binnenstad is vol.” Dit NL Alert kreeg een groot deel van Nederland op de dag dat Ajax in de finale van de Europa League stond. Ongeveer een week daarvoor was er een vergelijkbare tekst verstuurd vanuit Rotterdam. Toen met de mededeling dat daar de binnenstad vol was in verband met de huldiging van de kampioen van Nederland. In beide gevallen barstte een discussie los. Was een NL Alert nodig? Critici noemden het een paardenmiddel.

Kenny Meesters van de TU Delft volgde de discussie met meer dan gemiddelde belangstelling. Hoe deel en verzamel je informatie tijdens rampen? Daarop richt Meesters zich. Het NL Alert was dichtbij huis. Normaal gesproken werkt Meesters ver weg. Hij onderzoekt vooral de informatievoorziening door de internationale hulpverlening van grote rampen. Zoals in Nepal, dat in 2015 getroffen werd door een verwoestende aardbeving. NEMO Kennislink interviewt hem over zijn internationale ervaringen, maar blikt eerst nog even terg op het tumult rond het NL Alert.

Op het versturen van het NL Alert kwam veel kritiek. Hoe kijk jij hiernaar?

“Ik kan me goed voorstellen dat je schrikt en denkt ‘wat is dit’? Het NL Alert is gepresenteerd als een vervanging van het luchtalarm. Mensen associëren het daardoor met een alarm en denken dat er iets ernstigs aan de hand is. In dit geval was de melding natuurlijk preventief, om juist te voorkomen dat het mis zou gaan en dat er te veel mensen in het centrum van Rotterdam of Amsterdam zouden komen. Ik kreeg het NL Alert over de huldiging in Rotterdam terwijl ik in Delft aan het werk was. Ik wilde er helemaal niet naartoe en dan is het een minder relevant bericht. De voorbeelden geven direct de beperking aan van een NL Alert. Het is een roeptoeter. Je stuurt zo’n bericht naar een grote groep.”

Begrijp je waarom de veiligheidsdiensten voor dit bericht kozen?

“Ja, want zij willen snel veel mensen bereiken en dat lukt via dit alert. Het is een lastige afweging. Veiligheidsdiensten kunnen het haast niet goed doen. Misschien is het dan wel beter dat ze te veel mensen bereiken in plaats van te weinig. Het liefst bereik je alleen de mensen die het aangaat. Ik vind het vooral interessant omdat het een discussie losmaakt over hoeveel, aan wie en op wat voor manier je deelt met anderen. Je merkt dat de veiligheidsdiensten van nature niet scheutig zijn met het delen van informatie, zeker in bepaalde situaties. Dat is een erfenis van de militaire aanpak die er vroeger bij rampen was: er is een strakke hiërarchie. Maar ik denk dat het goed is om mensen meer informatie te geven. Zodat ze hun eigen afwegingen kunnen maken. In plaats van te commanderen, zijn veiligheidsdiensten dan aan het faciliteren.”

De Efteling is een mooi voorbeeld van het delen van informatie, volgens Meesters. Wie in het pretpark is kan via een app zien hoe lang de wachtrij is bij de attracties. “Als je de app gebruikt, deel jij met de Efteling waar je bent. Het pretpark weet daardoor waar het prullenbakken moet legen of waar meer mensen een broodje gaan bestellen. Dat is handige info voor hen. Maar als bezoeker krijg je daar dus ook waardevolle informatie voor terug: hoe lang je in de rij moet staan.” Op dezelfde manier kunnen hulporganisaties informatie verzamelen en weer delen met slachtoffers.

Kun je daar een voorbeeld van geven?

“Ik reis doordeweeks van mijn woonplaats Breda naar de TU Delft. ’s Ochtends kijk ik naar de files en of de treinen rijden. Dat beïnvloedt mijn keuze voor de auto of het spoor. Omdat ik informatie krijg over de drukte op de weg en of de treinen rijden, neem ik een weloverwogen beslissing. Iedereen kan aan deze informatie komen via Google Maps en de NS. Zij geven een algemeen beeld en dat gebruik ik om er informatie uit te halen die voor mij persoonlijk relevant is. Dit zou ook handig zijn bij rampen, zodat je zelf de informatie kan verzamelen die je nodig hebt.”

Is het daarvoor belangrijk dat veiligheidsdiensten meer informatie delen?

“Bij een ramp is dat vaak verstandig. Neem de overstromingen in Zuid-Duitsland in 2013. Mensen wilden wat doen. Er werden Facebook-groepen gestart om zandzakken te gaan leggen. Nu kun je als veiligheidsdienst denken: dat moeten mensen niet doen, omdat ze niet weten waar en hoe ze die zakken moeten leggen of straks gaan er vrijwilligers door hun rug. Maar die mensen doen het toch. Dan is het handiger om als hulpdienst de informatie te delen en actief mee te doen met het ‘gesprek’. Leg uit waar die zakken heen moeten en begeleid de vrijwilligers. Datzelfde geldt voor een zoektocht naar een kind dat vermist is. Mensen willen dan graag wat doen. In plaats van ze in het wilde weg te laten zoeken, zodat ze per ongeluk sporen uitwissen, kan je vrijwilligers beter begeleiden en slim inzetten. Dit soort hulpacties zijn niet nieuw, maar door social media is het zichtbaarder en ook is het eenvoudiger geworden om grote groepen mensen bij elkaar te brengen.”

Meesters stelt dat het bij internationale rampen slim is om gebruik te maken van de kennis en kunde van omwonenden. Hij benadrukt dat mensen in de eerste dagen vaak op elkaar zijn aangewezen. “Iemand met EHBO kan direct helpen. Zijn er mensen dakloos na een grote brand of aardbeving? Dan kunnen anderen ze in huis nemen”, zegt hij.

Bovendien is er vaak belangrijke kennis aanwezig onder de lokale bevolking. Maar het probleem is dat veel hulpverleners daar niet van op de hoogte zijn. Meesters was na de aardbeving van 2015 in Nepal. Hij laat een foto zien van een man met een grote kaart. Daarop staat een plattegrond van de omgeving. “Ze werden gemaakt door een schooldirecteur en leerlingen. Op de kaart staat welke gebouwen waar staan en wie er wonen”, zegt Meesters.

Deze schooldirecteur maakt ieder jaar samen met zijn leerlingen een kaart van de omgeving. Dit is waardevolle informatie voor hulpdiensten.
Kenny Meesters

Na een ramp is dit zeer waardevolle informatie voor hulpverleners. Maar de kaarten staat niet op internet maar bewaart de schooldirecteur in grote lades samen met een handgemaakte spreadsheet vol cijfers over de bevolking. Het eerste wat hulpdiensten vaak doen is een regio in kaart brengen en uitzoeken wie waar woont. “Daar kan deze schooldirecteur dus uitstekend bij helpen. Dit soort informatie tref ik dus gewoon aan onder de bevolking. Maak daar gebruik van.”

Kenny Meesters organiseerde in Nepal een workshop om te ontdekken aan welke informatie mensen de meeste behoefte hadden gehad na de aardbeving.
Kenny Meesters

Hoe weten hulpverleners welke informatie zij moeten delen met inwoners van een rampgebied?

“Ik heb in Nepal workshops gehouden voor de lokale bevolking. Ik heb ze gevraagd om een tijdlijn te maken en aan te geven wat wanneer werd besloten en welke informatie ze wilden ontvangen. Er kwamen heftige discussies, dat was mooi om te zien. Als eerste willen mensen via de FM-radio horen wat er aan de hand is. Direct daarna willen ze graag aan familie en vrienden laten weten dat ze veilig zijn en horen hoe het met hen gaat. En dan is het handig als ze kunnen aangeven waar ze behoefte aan hebben. Stel er is nog genoeg voedsel, dan hoeven hulpdiensten daar geen haast mee te maken. Of alle huizen zijn ingestort, dan willen ze zo snel mogelijk tenten en dekens. De hulpdiensten moeten niet sturen wat mensen al hebben, maar juist waar behoefte aan is. Dat weet je alleen door met ze in contact te komen.”

Hoe kunnen mensen hun wensen kenbaar maken?

“Vrijwel alle Nepalezen die ik sprak zitten op Facebook. Maar dat gebruiken ze vooral om contacten met vrienden en familie te onderhouden. Wat nu als je de wensen op Facebook of een ander online platform kunt zetten? Dan is dat snel verstuurd en kunnen hulpdiensten daar ook weer informatie delen. We weten dat informatie ontzettend belangrijk is na een ramp. Daarom analyseren we wat op Twitter gebeurt tijdens ernstige gebeurtenissen en maken hulpdiensten gedetailleerde kaarten van rampgebieden. Maar nog veel te vaak worden de uitkomsten van dit onderzoek niet gedeeld met de burgers en wordt te weinig gebruikgemaakt van hun kennis.”

Hoe breng je hulpdiensten en slachtoffers met elkaar in contact? Dat kan bijvoorbeeld via een online platform, zoals Comrades en Cobacore. Dat laatste project is mede ontwikkeld door Meesters. Een ander voorbeeld is Ready2help van het Rode Kruis, waar je kunt aangeven dat je graag wilt helpen als er een ramp is en ook wat je specialiteiten zijn.

Dreigt dat laatste weleens vergeten te worden omdat we nu meer data dan ooit kunnen verzamelen?

“Ja, we moeten niet alleen maar naar innovaties kijken. Natuurlijk is het mooi als we drones kunnen inzetten om voedselpakketten te bezorgen in rampgebieden. Maar als vrachtwagenchauffeurs daardoor werkloos worden is het de vraag of je daar echt hulp mee biedt. Ik ben vaak kritisch op het toepassen van innovaties, maar ik ben er absoluut niet tegen. Ik vind dat het moet aansluiten op een behoefte van de slachtoffers. Anders heeft het geen nut. Data verwerken kunnen we als de beste, maar hoe verzamelen we de juiste gegevens en brengen we de resultaten weer terug bij de lokale bevolking zodat zij ermee aan de slag kunnen? Op dat gebied kunnen we nog veel leren.”

Is het lastig om in rampgebieden onderzoek te doen?

“Ik sta na een ramp niet met mijn handen in de zakken alles te observeren. Ik ga er nooit alleen maar naartoe om onderzoek te doen. Ik ben me er iedere keer dat ik in een rampgebied kom van bewust dat ik een slaapplek en eten nodig heb, dat ook naar de lokale bevolking had kunnen gaan. Daarom werk ik iedere keer hard en help ik actief mee. Ik doe van alles, zoals spreadsheets maken omdat de lokale bevolking dat niet kan, een printer repareren of informatie verzamelen en verspreiden. Ik werk altijd samen met studenten van lokale universiteiten en leer ze onderzoek te doen. Zo draag ik mijn kennis weer over. Dat vind ik heel belangrijk. Ik wil altijd iets toevoegen als ik kom helpen.”

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 09 juni 2017

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.