Naar de content

“IJsbeer aan stuurboord!”

Gefascineerd door het poollandschap in heden en verleden

Emma Pike, vrijgegeven in het publieke domein

In de serie Elementaire Deeltjes verscheen onlangs een nieuw deeltje met als thema IJstijden. Volgens auteur Gemma Venhuizen is deze uitgave in het Nederlandse taalgebied geen overbodige luxe, want de meeste boeken over dit onderwerp gaan over de ijstijd op het Amerikaanse continent. Tijd voor een gesprek met de fysisch geograaf, wetenschapsjournalist en ex-redacteur van Kennislink over haar fascinatie voor de koudste perioden die de aarde ooit meemaakte.

10 december 2014

Je schreef eerder een roman die zich afspeelde op Lapland. Wat boeit jou zo aan een ijstijdlandschap?

Ik houd van extreme gebieden. Een sneeuwlandschap geeft me het gevoel me in een sprookjeswereld te begeven. Het is bedekt, lieflijk, vriendelijk. Maar tegelijkertijd gevaarlijk want op een gletsjer kun je zomaar verdwalen.

Een groot deel van dit boek schreef ik op een onderzoeksschip in de Noordelijke IJszee. We hadden geen internet op het schip. Ik zat in de kajuit met een grote stapel boeken naast me, de bronnen voor dit boek. Regelmatig schalde het door de luidspreker: “IJsbeer aan stuurboord”. Dan rende ik naar het dek. In totaal heb ik tijdens die reis wel negentien ijsberen gezien! Door de patrijspoorten had ik voortdurend een uitzicht op dicht opeen gepakte ijsschotsen en bevroren vlaktes.

Hoeveel ijstijden heeft de aarde meegemaakt?

Het moeten er tientallen geweest zijn, waarvan de meeste plaatsvonden tijdens het Pleistoceen, dus de laatste 2,5 miljoen jaar. Een ijstijd is, als je de definitie heel breed houdt, simpelweg een tijd waarin de noord- en zuidpool met ijs zijn bedekt. Daarvoor moet de zoninstraling heel laag zijn. Er zijn veel langer geleden ook ijstijden geweest, maar die werden door de speciale ligging van de continenten veroorzaakt. Hierdoor kreeg je andere oceanische stromingen.

Waar we ons meestal niet bewust van zijn is dat we nu ook in een ijstijd leven, maar dan in een warme periode: een interglaciaal tussen twee glacialen. Maar ook binnen zo’n interglaciaal zijn er periodes waarin het tientallen jaren erg koud kan zijn, zoals tijdens de zogeheten Kleine IJstijd in de Middeleeuwen. Zelfs in een kort tijdsbestek kan het klimaat dus extreem veranderen. En dat maakt het onderwerp, gezien de opwarming die we nu meemaken, heel actueel.

Een schilderij van Hendrick Avercamp van mensen die schaatsen op het ijs in de winter.

Winterlandschap met ijsvermaak, Hendrik Avercamp, circa 1608-1609. In Nederland heerste tijdens de Middeleeuwen een periode van extreme koude, de zogeheten Kleine IJstijd.

Rijksmuseum/Wikimedia Commons via publiek domein

Was Nederland tijdens al die glacialen steeds bedekt door sneeuw en ijs?

Nee, de gletsjers zijn alleen tot aan Midden-Nederland gekomen tijdens de een na laatste ijstijd: het Saalien. Uit die tijd stammen de stuwwallen en zijn de grote rivieren in westelijke richting afgebogen. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, was Nederland een koude poolvlakte, vergelijkbaar met het landschap van Spitsbergen nu, maar dan zonder bergen. De begroeiing was schaars; er groeiden boompjes die niet hoger waren dan een centimeter. Vóór het Saalien was er een ijstijd die we het Elsterien noemen, maar daarvan is maar weinig bekend.

Hoe komt het dat van het Elsterien zo weinig bekend is terwijl het voor geologische begrippen zo kort geleden was?

Je moet je voorstellen dat het landschap uit de tijd van het Elsterien en de daarop volgende warme tijd, het Holsteinien, volledig werd weggevaagd door de barre ijstijd die daarop volgt, het Saalien. Dan bereiken en bedekken grote en kilometers dikke gletsjers heel Noord-Nederland. De sedimenten uit het Elsterien raken vermorzeld door al dat ijs. Hierdoor kunnen we ook niet met zekerheid zeggen wanneer het Elsterien precies begon en was afgelopen. De gegevens waaruit we dit hadden kunnen aflezen, de afzettingen dus, zijn met de schurende gletsjers letterlijk van de aardbodem verdwenen.

Welke landschap in Nederland doet ons nog denken aan de ijstijden, m.a.w. waar moeten we zijn voor een nationale ijstijd-experience?

Ik heb zelf een fietsroute uitgezet in Drenthe die heel divers is, met als begin- en eindpunt Denekamp. De route loopt langs een mooie pingoruïne, zwerfkeien, stuwwallen, droge dalen en dekzanden uit de Laag van Beuningen. De route voert ook langs een desert pavement,een ‘uitblazingsvlakte’ waar door een combinatie van wind en droogte alle kleine deeltjes in de toenmalige poolwoestijn is weggeblazen en alleen de grotere stenen zijn blijven liggen. Een doorsnede van zo’n uitblazingsvlakte is te zien in de Laag van Beuningen, een wereldberoemde plek onder geologen overigens.

Je schrijft dat wetenschappers er pas sinds een eeuw van uitgaan dat er ook in ons land een ijstijd is geweest….

Dat is heel kort geleden, ja, vrij lang nadat de eerste mammoetfossielen werden gevonden. Maar het idee dat Europa en Noord-Amerika bedekt waren door een gigantische ijskap stamt al uit 1837 en kwam van de beroemde geoloog Louis Agassiz. Rond 1850 zullen er ongetwijfeld al meer geologen zijn geweest die in dat idee geloofden maar het duurde nog tot begin 20e eeuw voordat de ‘ijstijdhypothese’ breed werd aangehangen.

Hoe zouden mensen zich tijdens zo’n koude periode staande hebben gehouden?

Ik denk dat ze een sterke groepsbinding hadden omdat ze in groepsverband op grote dieren jaagden. Ik heb zelf als boswachter gewerkt in de duinen. Daar graasden wisenten, dieren die vergelijkbaar zijn met de steppewisent die in de ijstijd op de toendra leefde, en ik stelde me wel eens voor dat ik me in de oertijd bevond. Tussen die kuddes gingen we automatisch heel behoedzaam bewegen en de confrontatie met die imposante dieren vergrootte de saamhorigheid.

Die groepsbinding is noodzakelijk om onder barre omstandigheden te overleven. Als individu ben je niets. Tijdens mijn fysisch geografisch veldwerk in Scandinavië heb ik ervaren dat je wel genoodzaakt bent om een team worden. Je hebt elkaar ook hard nodig voor een positieve kijk en om de moed er in te houden. Mislukte poolexpedities zijn niet voor niets vaak veroorzaakt door wrijving binnen de groep. Ook kunnen mensen als ze alleen zijn vanwege de monotonie van het landschap hun omgeving gaan haten.

De mensen van toen waren denk ik heel mindful bezig. Natuurlijk hadden ze grote problemen, maar ze waren de hele dag fysiek bezig, heel geconcentreerd en gericht op praktische zaken. Heel anders dan de meeste mensen in onze moderne tijd, die soms speciale mindfulnesscursussen volgen om ‘in het moment’ te kunnen leven.

Waar gaat je volgende boek over?
Ik heb me tot nu toe, ook door mijn achtergrond als fysisch geograaf, vooral beziggehouden met landschappen in de ijstijd, maar ik zou me graag meer willen verdiepen in de dieren die Europa tijden de ijstijden bevolkten. Het IJstijdmuseum in Buitenpost is wat dat betreft heel inspirerend en in het Omniversum draaide de film Giants of the Ice Age. Deze maanden is er een grote expositie in Amsterdam met diezelfde titel.

Die belangstelling voor ijstijddieren is bij mij gekomen omdat het net wat makkelijker is om levende natuur tot leven de brengen als dode natuur. Als aardwetenschapper ben je vooral met levenloze natuur bezig. Overigens zijn er ook mooie combinaties van dieren en landschap, zoals een bird mount die ik in Alaska heb gezien. Dat is een klein heuveltje met rijke vegetatie op een intacte pingo dat is ontstaan door de uitwerpselen van vogels die op de pingo hun uitkijkpunt hadden.

Welke ijstijddieren hebben voor jou de grootste aaibaarheidsfactor?

De wolharige mammoet trekt me wel. Bovendien bestaan over dat ijstijddier de meest fantastische verhalen. Toen van dit dier voor het eerst fossielen werden gevonden, in de 19e eeuw, dacht mens dat het om een reusachtige mol ging die diep onder de grond leefde. Ook heb ik een zwak voor de steppewisent omdat ik zijn neefje, de wisent die nu nog leeft, in levende lijve heb gezien. Ook heb ik een band met de holenbeer omdat ik als klein meisje het skelet in Teylers Museum vaak heb gezien. Voor een werkstuk heb ik als elfjarige allerlei soorten beren ‘geïnterviewd’.

In de meeste boeken en films over de ijstijden ligt de nadruk op dieren en wordt er ten onrechte vanuit gegaan dat het alleen een onderwerp is voor kinderen. Bovendien gaat het meestal over het Amerikaanse continent en wordt vergeten dat wij in Nederland ook een ijstijd hebben gehad. Meestal is er geen koppeling tussen de dieren en het landschap. Dat vind ik een gemiste kans.

Ik hoop dat dit boek ook op middelbare scholen gebruikt gaat worden. In de aardrijkskundelessen ligt de nadruk meestal op de sociale geografie en minder op de fysische geografie en het landschap. Zonder de inspiratie van mijn aardrijkskundeleraar, die juist wel in landschapsvormen geïnteresseerd was, was ik ook nooit fysische geografie gaan studeren en was dit boekje nooit geschreven.

Pingo met ijswigpolygonen in Canada. De meertjes tussen de ijswiggen zijn gevuld met water uit de ontdooide permafrostlaag. Ook deze verschijnselen waren in ons land tijdens de ijstijden geen uitzondering. Nu herinneren pingoruïnes en met met zand en klei opgevulde ijswiggen nog aan die tijd.

Emma Pike, vrijgegeven in het publieke domein

IJstijden, door Gemma Venhuizen. Amsterdam University Press 2014, 115 pag., 9 afb. ISBN 9789089647115. Prijs € 9,95

Leestips van Gemma over de ijstijden

  • ‘Fietsen door een poolwoestijn’, G.J. Venhuizen. Grasduinen, juli 2008
  • De vorming van het land, H.J.A. Berendsen, Koninklijke van Gorcum, 2004
  • Geologieboek Nederland, W. de Gans, ANWB, 2006
  • Geosites, een website met geologische bezienswaardigheden
ReactiesReageer