Naar de content

Hoe verwerken kinderen zinnen?

Zinnen zijn niet altijd op dezelfde manier opgebouwd. Sommige zinnen zijn lastiger te interpreteren dan andere, vooral voor kinderen. Loes Koring vergeleek de manier waarop kinderen zinnen verwerken met de manier waarop volwassenen dit doen. Ze promoveerde deze maand aan de Universiteit Utrecht.

25 april 2013

Kinderen leren hun moedertaal vaak razendsnel. Maar tegelijkertijd verloopt de taalverwerving van kinderen in verschillende fases. Net zoals kinderen nog niet de woordenschat hebben van een volwassene, kunnen ze ook nog niet alle zinsstructuren meteen doorzien. Want niet alle zinnen zijn van het type Man bijt hond.

Man bijt hond

Veel Nederlandse zinnen zijn opgebouwd volgens het principe Man bijt hond. Grammaticaal gezien betekent dit dat het onderwerp gevolgd wordt door een persoonsvorm, en die weer door een lijdend voorwerp. Op betekenisniveau is het de man die actief een handeling uitvoert, in dit geval bijten. In de taalkunde spreekt men van agens (van het Latijnse agere dat ‘handelen’ betekent). De hond ondergaat de handeling: hij wordt gebeten. Deze noemen taalkundigen ook wel de patiëns (van Latijns patientia, dat ‘lijden’ betekent).

Maar er zijn ook allerlei zinnen die anders zijn opgebouwd. Neem bijvoorbeeld de zin Tommy danst. Het werkwoord dansen draagt geen lijdend voorwerp bij zich. Tommy is de agens; een patiëns ontbreekt. Maar dan de zin Tommy valt. Net als dansen heeft vallen alleen maar een onderwerp bij zich. Maar er is ook nog iets anders aan de hand.

In deze zin is Tommy onderwerp, maar tegelijkertijd heeft hij eigenschappen die normaal gesproken bij een lijdend voorwerp horen. Hij draagt de rol van patiens: hij ondergaat de handeling. Hij valt namelijk niet uit zichzelf, het overkomt hem. Zowel op grammaticaal als op betekenisniveau moeten onze hersenen dus een ommezwaai maken.

Van horen zeggen

Bij zinnen als Maxima schijnt zwanger te zijn is er iets soortgelijks aan de hand. In deze laatste zin is Maxima het grammaticale onderwerp van schijnen, maar als je kijkt naar de betekenis is het niet zo dat Maxima schijnt zoals in De zon schijnt. Ook hier moeten je hersenen een extra vertaalslag maken, namelijk naar de zin: Het schijnt dat Maxima zwanger is. Maar dat is niet het enige, schijnen voegt ook nog een extra laagje betekenis toe. En dat is dat de bewering die gedaan wordt, van horen zeggen is, en dus niet perse waar hoeft te zijn. Het is tweedehands informatie: de spreker heeft het zelf niet waargenomen. Daarom vergt de zin een extra denkstapje.

Uit het promotieonderzoek van Koring blijkt dat volwassenen iets meer tijd nodig hebben om dit soort zinnen te verwerken. De onderzoekster was ook nieuwsgierig in hoeverre de grammatica en de betekenis van schijnen vertraging opleveren in de taalverwerving. Daarom deed ze een aantal experimenten met kinderen. Om te onderzoeken in hoeverre kinderen om kunnen gaan met tweedehands informatie, liet ze de kinderen tussen de 6 en 9 jaar een begripstaak uitvoeren.

De kinderen kregen een filmpje te zien, waarin ook een buitenstaander optrad (Minnie Mouse), die af en toe commentaar gaf op het verhaal. De resultaten lieten zien dat kinderen vanaf zes jaar prima in staat zijn om verschillende bronnen van informatie te onderscheiden, zoals informatie van ‘horen zeggen’. Toch hadden ze moeite met het begrip schijnen. Koring: “Blijkbaar begrijpen ze wel het onderliggende concept, maar kunnen ze dat nog niet koppelen aan het woord.”

Oogbewegingen

Wat gebeurt er nou bij het verwerken van de zinnetjes Tommy danst en Tommy valt? Uit een experiment met oogbewegingsregistratie bleek dat kinderen vanaf vijf jaar al een onderscheid maken tussen zinnen waarin het onderwerp als agens optreedt, en zinnen waarin het onderwerp patiëns is, en dus eigenlijk een lijdend voorwerp is. Toch laten hun oogbewegingen een ander patroon zien dan volwassenen. Hun hersenen verwerken deze zinnen nog niet op ‘volwassen’ niveau.

Bij elkaar laten deze experimenten zien dat zowel grammaticale als betekenisaspecten invloed hebben op taalverwerving. Kinderen vanaf 5 jaar hebben al door dat zinnetjes die er aan de oppervlakte hetzelfde uitzien, toch grammaticaal van elkaar kunnen verschillen. Maar de koppelwerkwoorden (zoals schijnen) blijven langer lastig, omdat het koppelen van het juiste begrip aan het woord nog op zich laat wachten.