Je leest:

Hoe prehistorische planteneters het landschap veranderden

Hoe prehistorische planteneters het landschap veranderden

Auteur: | 4 november 2015

Grote planteneters zoals mammoeten hadden een grote invloed op het landschap van het Pleistoceen. Na hun uitsterven, vanaf ongeveer vijftigduizend jaar geleden, veranderden open vlaktes in bosrijke gebieden, en nam het aantal bosbranden toe.

Wie ooit een bezoek bracht aan natuurgebied de Oostvaardersplassen of een olifant aan een boom zag peuzelen in Afrika, zal het beamen: de aanwezigheid van grote grazers kan grote schade toebrengen aan planten en bomen. Een bosrijke omgeving verandert met de komst van deze dieren vaak in een meer open landschap.

Olifant snaait wat takken, Zuid-Afrika 2015.
Mirte van Balen, Amersfoort

Dat was in de prehistorie ook al zo, concludeerde een groep ecologen deze week in het tijdschrift PNAS. Na het uitsterven van grote planteneters zoals de mammoet, de reuzenluiaard, en de diprotodon (een buideldier zo groot als een neushoorn) in het Laat Pleistoceen, zo’n vijftigduizend jaar geleden, nam het aantal struiken en bomen in hun voormalig leefgebied toe. Doorgaans worden dit soort veranderingen in plantengroei toegeschreven aan veranderingen in het klimaat, schrijven de onderzoekers. “Maar grote planteneters veranderen hun omgeving actief. Dat heeft grote gevolgen voor andere soorten, en voor de structuur van het hele landschap”, zegt ecoloog Liesbeth Bakker van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) in Wageningen, hoofdauteur van het artikel dat in PNAS verscheen.

Poep

Grote grazers beschadigen de begroeiing door een deel ervan op te peuzelen. Daarnaast vertrappen ze veel plantjes die net opkomen, nog voor deze uitgroeien tot grotere bomen of struiken. Eetbare en kwetsbare planten handhaven zich alleen als ze zich op slecht bereikbare plekken bevinden, of temidden van minder aantrekkelijke begroeiing zoals prikkelbosjes.

Het landschap wordt vooral opener als er verschillende soorten grazers zijn – en weinig roofdieren om deze in toom te houden. Verder zorgen de planteneters voor een goede bemesting van de grond. Hun poep is rijk aan voedingsstoffen, en dat heeft een grote invloed op de bodemvruchtbaarheid.

Een (Brits) Pleistoceen landschap. Met de holenleeuw (Panthera spelaea), een olifantensoort (Palaeoloxodon antiquus), een neushoorn (Stephanorhinus hemitoechus), een steppewisent (Bison priscus), een oeros (Bison primigenius) en een nijlpaard (Hippopotamus amphibius). Alleen het nijlpaard komt vandaag de dag ook nog voor.

Paleo-ecologen onderzochten voor deze studie onder meer of er bepaalde poepschimmels in bodemlagen uit verschillende perioden voorkwamen, en vergeleken dit met de aanwezige stuifmeelkorrels. Hoe minder schimmels (dus poep, dus grote grazers) er in een bodemlaag zaten, hoe meer stuifmeel van houtige gewassen zij zagen. Ook veranderden de plantensoorten die aanwezig waren.

Bosbranden

Indirect zorgen de grazers voor een afname van het aantal bosbranden. In een open landschap grijpt het vuur immers minder snel om zich heen dan in een bosrijk gebied. Dat zag je ook na het prehistorische uitsterven, zeggen de onderzoekers. Er kwam toen meer plantenmateriaal omdat het niet opgegeten werd, en dus meer brandstof, leggen ze uit.

Bert Boekschoten, emeritus hoogleraar paleontologie van de Vrije Universiteit Amsterdam, plaatst echter een kanttekening. “Waar deze studie aan voorbijgaat, is de invloed van de mens”, zegt hij desgevraagd. “Het verdwijnen van de megafauna, veroorzaakt door de mens, ging veelal gepaard met het opzettelijk afbranden van te weinig begraasd, vervilt grasland, en met het platbranden van bosarealen.” De werkelijkheid is veel complexer dan dit stuk doet voorkomen, vindt Boekschoten. Bovendien verschilde de situatie sterk per gebied, voegt hij er aan toe. “Het thema is belangrijk, maar het stuk generaliseert te veel.”

Bron:

Bakker, L., e.a., Combining paleo-data and modern exclosure experiments to assess the impact of megafauna extinctions on woody vegetation, Proceedings of the National Academy of Sciences USA (2015), doi: 10.1073/pnas.1502545112

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 04 november 2015

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink Agenda

NEMO Kennislink vertoont op deze plaats normaal gesproken wetenschappelijke activiteiten uit heel Nederland. Door de maatregelen tegen het nieuwe coronavirus zal daarvan een groot gedeelte worden afgelast. Omdat we geen achterhaalde informatie willen verspreiden, laten we voorlopig geen activiteiten zien.
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.