Je leest:

Helpt Nederlands-Friese bagage bij het leren van Engels?

Helpt Nederlands-Friese bagage bij het leren van Engels?

Auteur: | 18 mei 2018

Kinderen die van jongs af aan opgroeien met Nederlands en Fries, hebben niet per se voordeel van hun tweetaligheid bij het leren van het Engels. Dat blijkt uit onderzoek van Mirjam Günther-van der Meij. In andere studies was tweetaligheid wél bevorderend voor het leren van een derde taal. Toch waren in deze Friese studie andere factoren belangrijker, zoals blootstelling aan het Engels.

Frisians
In een eerder artikel op NEMO Kennislink lees je meer over de historische verwantschap tussen het Engels en het Fries.

Bûter, brea en griene tsiis. Deze typisch Friese woorden laten een sterke verwantschap zien met het Engelse butter, bread and green cheese. Om die reden hoor je Friezen weleens zeggen dat ze Engels een makkelijke taal vinden. Een historische verwantschap tussen deze talen is er zeker, maar levert dat ook voordeel op voor de taalverwerver? Promovendus Mirjam Günther-van der Meij onderzocht het bij 77 Friese brugklassers, die allemaal een tweetalig Nederlands-Friese achtergrond hadden.

De onderzoeker maakte een onderscheid tussen twee groepen: de vroeg-tweetaligen waren van jongs af aan opgevoed met Nederlands en Fries, de laat-tweetaligen leerden het Fries pas vanaf een jaar of zeven. Ze verwachtte een voordeel te vinden bij die eerste groep. Niet alleen omdat het Engels en het Fries verwant zijn, maar ook omdat vroeg-tweetaligen in veel andere studies sneller een nieuwe taal oppikken dan eentaligen. Toch scoorde juist deze groep kinderen slechter op het Engels.

Kaai en key

Zelfs bij zogenaamde cognaten werkte het Fries niet in hun voordeel. Cognaten zijn woorden die op elkaar lijken, zoals de eerder genoemde bûter, brea en griene tsiis. Maar ook kaai en key en troch en through zijn sprekende voorbeelden. De promovendus, die haar onderzoek uitvoerde aan de Fryske Akademy, legt uit waarom er zoveel van die gelijkenissen zijn tussen het Fries en het Engels, en dan vooral in de klanken: “Binnen de West-Germaanse talen hebben het Nederlands en het Duits andere klankverschuivingen ondergaan dan de talen die aan de kust lagen, het Engels en het Fries. Vergelijk sleutel en Schlüssel en key en kaai.”

Juist voor die cognaten werden in andere studies voordelen gevonden voor tweetaligen. Maar bij de Friese scholieren werkte hun tweetaligheid niet in hun voordeel: wanneer ze op een computerscherm eerst een Fries woord kregen te zien en dan het Engelse woord, hadden ze meer moeite het Engelse woord te herkennen dan wanneer ze eerst een Nederlands woord te zien kregen. Ook op Friese woorden die vooraf gegaan werden door een Nederlands of Engels woord reageerden ze traag. Volgens de onderzoeker heeft dat deels te maken met de schoolomgeving waar de experimenten werden afgenomen. “Anders dan op de basisschool krijgen kinderen in de brugklas nog maar één uurtje Fries, en verder is de instructietaal op de middelbare school volledig Nederlands.”

Maar de belangrijkste reden is misschien wel dat de tweetalige leerlingen in haar onderzoek het Friese schrift niet goed beheersen. Voor hen is het Fries vooral een mondelinge taal. “Deze kinderen kwamen allemaal van reguliere scholen, waar het aanbod van het Fries vrij beperkt is. Er is vooral aandacht voor mondelinge taalvaardigheid, maar aan schriftelijke taalvaardigheid komt men amper toe. Dat kan verklaren waarom de kinderen in het experiment geremd werden als ze eerst een Fries woord te zien kregen. Waarschijnlijk hadden ze moeite met het lezen.”

Stad versus platteland

Een verrassende uitkomst was ook dat niet de vroeg-tweetaligen, maar juist de laat-tweetaligen eigenlijk beter waren in het Engels. Maar dat bleek niets te maken te hebben met de mate van tweetaligheid. Uit de achtergrondvragenlijst die de leerlingen moesten invullen, kwamen heel andere factoren bovendrijven. Zoals de blootstelling aan het Engels: die lag voor deze kinderen veel hoger dan voor de vroeg-tweetaligen. Thuis waren bijvoorbeeld meer Engelstalige boeken aanwezig en werden meer Engelse films gekeken.

Volgens Günther-van der Meij speelt hier vooral een verschil tussen stad en platteland: “De laat-tweetaligen kwamen voornamelijk uit de stad, de vroeg-tweetaligen van het platteland. Op het platteland krijgen kinderen vaker het Fries van huis uit mee. En in de stad is er ook op school minder aandacht voor het schoolvak Fries. Sommige steden hebben zelfs een vrijstelling.” Met het Engels komen deze kinderen juist vaker in aanraking, aldus de onderzoeker: “Zo waren er veel jongens uit de stad die aangaven dat ze veel gamen en daarbij chatten in het Engels.”

Snellere taalleerders

Doordat ze het Engels vaker gebruikten, hadden de laat-tweetaligen bovendien meer zelfvertrouwen in het Engels. De vroeg-tweetaligen waren bescheidener, maar stonden niet negatief tegenover het Engels. Daarin verschillen ze met sprekers uit bijvoorbeeld Baskenland, weet de promovendus. “In het algemeen zijn minderheidssprekers wat negatiever ten opzichte van andere talen, omdat ze die als bedreiging ervaren. Maar de kinderen uit mijn onderzoek vonden Engels belangrijk en leuk.”

Dat verklaart misschien ook waarom de vroeg-tweetaligen hun achterstand in het Engels snel weer inhaalden. Hoewel ze op het eerste meetmoment nog op een relatief laag niveau zaten, waren de verschillen tussen beide groepen aan het eind van het schooljaar veel kleiner. Dat betekent dat de vroeg-tweetaligen snellere taalleerders zijn dan de laat-tweetaligen.

Platteland
In deze studie spraken de kinderen van het platteland vaker Fries dan de kinderen afkomstig uit de stad. Die laatsten kwamen juist vaker in aanraking met het Engels.

Tweetalig voordeel?

De vroeg-tweetaligen haalden hun achterstand dus flink in, maar scoorden op het laatste meetmoment nog steeds iets lager dan de andere groep. Günther-van der Meij denkt dat dit verschil zou verdwijnen als de blootstelling aan het Engels tussen beide groepen gelijk zou zijn. “Mijn advies is vooral om deze kinderen meer Engels aan te bieden. Ook in het onderwijs. De Engelse les bijvoorbeeld is nog steeds in het Nederlands, waarom niet in het Engels?”

Het is dus niet hun tweetaligheid die hen in de weg zit. Bovendien wil ze een voordeel nog niet uitsluiten: “Gedurende het onderzoek bleken mijn testpersonen niet volledig tweetalig: ze konden niet goed lezen en schrijven in het Fries. Voor vervolgonderzoek zou het interessant zijn om kinderen te testen die van een twee- of drietalige school komen, want die beheersen het schriftelijk Fries beter.”

Bron:

Mirjam Günther-van der Meij: The impact of degree of bilingualism on L3 development: English language development in early and later bilinguals in the Frisian context. Proefschrift verdedigd aan de Rijksuniversiteit Groningen op 14 mei 2018.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 mei 2018

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.