Naar de content

Geen kritische periode voor leren tweede taal

Een persoon die een EEG ondergaat. Deze persoon draagt een hoofdband met elektroden draden.
Een persoon die een EEG ondergaat. Deze persoon draagt een hoofdband met elektroden draden.
Nienke van Atteveldt

Er is geen kritieke leeftijdsgrens voor het leren van de grammatica van een tweede taal, stellen wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit van Essex. Zij toonden dat aan met een nieuwe methode voor het analyseren van hersenactiviteit.

5 februari 2016

Wanneer je op jonge leeftijd een vreemde taal leert, krijg je deze beter onder de knie dan wanneer je daar op latere leeftijd aan begint. Dit verschil tussen vroege en late taalleerders is al vaak aangetoond. De cruciale vraag is of dit leeftijdseffect toe te schrijven is aan een zogenaamde ‘kritische periode’. Met andere woorden: bestaat er een leeftijdsgrens waarna het haarfijn aanleren van een vreemde taal zo goed als onmogelijk is?

Kritische methode

Naar de kritische periode is al veel onderzoek gedaan. Daarbij wordt gekeken naar de relatie tussen de leeftijd waarop begonnen wordt met het leren van de tweede taal en het uiteindelijke taalniveau. Een duidelijke daling van dit niveau vanaf een bepaalde leeftijd zou pleiten voor een kritische periode.

Tot nu toe wezen veel studies in die richting. Maar de grote vraag is of de analysemethoden die werden gebruikt, wel geschikt waren om dit te meten. De eerste uitkomsten van een studie met nieuwe statistische methoden laten iets heel anders zien.

Nienke Meulman werkte de afgelopen jaren als promovenda mee aan hersenonderzoek onder een grote groep tweede taalleerders. De hersenactiviteit (gemeten met EEG’s) werd geanalyseerd met zogeheten generalized additive modeling. Weliswaar een bestaande methode, maar nog amper toegepast op EEG-data. En nog helemaal niet in het onderzoek naar tweede taalverwerving. Een methode bovendien die nog volop in ontwikkeling is. Meulman werkte daarom nauw samen met computationeel taalkundige Martijn Wieling.

Te veel data

Bij onderzoek naar taal in de hersenen wordt vaak gewerkt met EEG, vertelt Meulman. Het probleem van EEG is echter dat het een enorme hoeveelheid data oplevert: “Elke vijf milliseconden heb je bij wijze van spreken een datapunt, en dat dan per elektrode en per proefpersoon. Ons databestand had wel zestien miljoen datapunten. Om die grote hoeveelheid data te kunnen behappen, berekenen traditionele analysemethoden heel veel gemiddelden. En daarmee verlies je veel informatie.”

“Als traditionele analysemethoden worden gebruikt in onderzoek naar tweede taalverwerving, worden ook gemiddelden berekend voor leeftijd. Dan krijg je bijvoorbeeld een gemiddelde voor de leeftijdsgroepen zeven tot en met zestien jaar. Als je op die manier groepsgemiddelden gaat vergelijken, verlies je weer een heleboel informatie. Dat is altijd een beetje het struikelblok in EEG-analyse.”

Migranten in Duitsland

De proefpersonen in dit onderzoek waren tweedetaalleerders van het Duits. Allen waren Poolse of Russische moedertaalsprekers die minimaal 5 jaar in Hamburg, Berlijn of Mainz woonden. Ze waren allemaal na hun zevende levensjaar naar Duitsland geëmigreerd. Sommigen dus als kind, maar anderen pas veel later.

Was er een specifieke reden voor deze groep moedertaalsprekers? Meulman: “We wilden graag talen die een beetje verder af lagen van het Duits dan bijvoorbeeld het Nederlands. Het Nederlands en het Duits lijken best veel op elkaar. Daardoor raken sommige effecten misschien verbloemd, omdat je veel uit je moedertaal kunt gebruiken als je als Nederlander Duits leert.”

De onderzoekers keken naar grammaticaal geslacht in de lidwoorden: der, die en das. De proefpersonen kregen zinnen te horen waarin verkeerde lidwoorden werden gebruikt, zoals der Haus in plaats van das Haus (onzijdig). “Dat soort fouten zijn voor Poolse en Russische leerders best ingewikkeld, want ze zijn niet gewend dat grammaticaal geslacht uitgedrukt wordt via het lidwoord. En het is wel interessant om dan te kijken wat er in de hersenen gebeurt.”

Milliseconden in het brein

Overigens bleken de Poolse en Russische Duitsers heel goed te weten welk lidwoord juist was. Voor het experiment met de gesproken zinnen, kregen ze een papieren vragenlijst voorgelegd. Daarin moesten ze voor een groot aantal zelfstandig naamwoorden omcirkelen wat het juiste lidwoord was. “Er was weliswaar een klein leeftijdseffect, maar toch scoorden ze allemaal hartstikke goed, zo’n 95 procent van de antwoorden was correct. Ze weten dus wel wat fout is, maar het is vervolgens interessant om te kijken wat er in de hersenen gebeurt als ze zo’n fout horen.”

Een persoon die een EEG ondergaat. Deze persoon draagt een hoofdband met elektroden draden.

Bij het meten van een elektro-encefalogram (EEG) worden aan de buitenkant van het hoofd, met behulp van elektroden in een soort badmuts, elektrische signalen vanuit het brein opgevangen. Communicatie tussen hersencellen verloopt namelijk onder andere door middel van elektriciteit: als een hersencel ‘geactiveerd’ wordt, loopt er als het ware een stroompje door de cel. Bron: Kennislink

Nienke van Atteveldt

Zo’n hersenreactie gaat heel snel, vertelt Meulman: “Binnen een seconde kunnen we in de hersenen zien of ze gehoord hebben of het fout was of niet. Alle leerders lieten eigenlijk wel een hersenreactie zien, ze herkenden allemaal dat het fout was, maar hoe hun hersenen reageerden was verschillend voor vroege en late leerders.”

Geleidelijke overgang

“Vroege taalleerders laten de zogenaamde P600 zien: die reactie is heel bekend in EEG-onderzoek. Het is dezelfde reactie die moedertaalsprekers laten zien bij grammaticale fouten. Maar de late taalleerders laten de N400 zien, en dat is eigenlijk een hersenreactie die je normaal ziet bij een woordfout, zoals in de zin ‘Zij at een pizza met tomaat en sok’. Dus bij een woord dat semantisch niet in de zin past, krijg je normaal gesproken bij moedertaalsprekers zo’n N400.”

Het laat zien dat late taalleerders grammaticale fouten op een heel andere manier verwerken dan vroege taalleerders. Maar wat nog belangrijker is: er blijkt geen duidelijke leeftijdsgrens te zijn. Meulman: “Het is dus niet zo dat iedereen met een startleeftijd tot vijftien de ene hersenreactie laat zien, en daarna een andere. De overgang is juist heel geleidelijk. Die geleidelijke overgang ontkracht het idee van een kritische periode.”

Jonge leerders vertonen de P600 (het gele gebied), late leerders de N400 (het blauwe gebied). De P600 is kenmerkend voor moedertaalsprekers.

Meulman e.a. 2016

Methode zonder gemiddelden

“Het mooie van deze techniek is dat alle data erin zit”, vertelt Meulman enthousiast: “Er is niets gemiddeld. Dus het model had de optimale kans om een voorspelling te doen op basis van alle ruwe datapunten die we hadden. Dat is wat we zien in deze grafiek. Jonge leerders laten de P600 zien (geel in de grafiek). Dat effect wordt steeds kleiner, en gaat bij latere taalleerders langzaam over in de N400 (blauw in de grafiek).”

“We hebben de traditionele analysemethode ook toegepast op dezelfde data. Volgens de traditionele analysemethode zouden wij aan de hand van onze data concluderen dat er wél een kritische periode is. Maar als we het met de betere statistische methode doen, dan is daar eigenlijk geen sprake van.”

Minder efficiënt

Geen kritische periode dus. Althans, bij het leren van de grammatica van een tweede taal, nuanceert de taalkundige. Er zijn namelijk ook voorbeelden van kinderen die opgroeiden zonder moedertaal (zogenaamde wolfskinderen), en die het moedertaalniveau op latere leeftijd niet meer bereikten. Meulman: “Als je echt helemaal geen aanbod krijgt van taal, dan geloof ik wel dat het heel ingewikkeld gaat worden.”

Maar als je eenmaal op een normale manier een eerste taal verworven hebt, kun je ook na je puberteit nog heel ver komen in een tweede taal, stelt de promovenda. “Hoewel het met de jaren wel steeds moeilijker wordt. Dat zie je in ons onderzoek ook: de latere leerders weten wel of het die of das Haus is, maar hun hersenen verwerken het op een andere manier. En dat is ook een minder efficiënte manier.”

Optimale omstandigheden

De hersenen van oudere taalleerders kiezen dus voor een andere strategie. Meulman licht toe: “Als je een heel nieuwe grammatica op moedertaalmanier moet verwerken in je hersenen, heb je de optimale omstandigheden nodig. Zo vroeg mogelijk emigreren naar het land, heel veel taalinput krijgen, dagelijks de taal spreken, en de juiste motivatie hebben.”

“We hebben nu veel van die factoren niet meegenomen, want om die allemaal in het model mee te nemen, kost heel veel tijd. Voor de uitkomsten van dit onderzoek heeft de computer twee maanden non-stop moeten rekenen. Maar de methode is nog steeds in ontwikkeling, dus waarschijnlijk is er over een aantal jaren veel meer mogelijk.”

Bron:
ReactiesReageer