Naar de content

Fossiele skeletjes zoeken in steden

De nieuwe wetenschap van de stadsfossielen

Annemieke van Roekel

De Utrechtse hoogleraar in de paleontologie Jelle Reumer breekt een lans voor de vele fossielen in het stadse milieu, die door de meesten van ons niet eens worden opgemerkt. ‘Kijk waar je loopt’ is zijn advies en tevens de titel van zijn nieuwe boek over fossielen in natuursteen in Nederland.

14 maart 2017

Het stikt van de fossielen in Amsterdam, aldus geogids en paleontoloog Jelle Reumer. Op een afwisselend zonnige en regenachtige zondagmiddag in maart leidt hij twee groepen langs fossielen in stoepranden en grachtenpanden in hartje Amsterdam.

Het zijn weliswaar niet veel verschillende diersoorten, maar het zijn er wel véél. En allemaal zijn de fossiele skeletjes afkomstig van zeedieren die rond 350 miljoen jaar geleden naar de zeebodem zonken in tropische wateren. De diertjes verrotten en de skeletjes zijn bewaard gebleven in de donkergrijze versteende kalkmodder van de oeroude oceaan. In de poriën van het gesteente is de rottingslucht van waterstofsulfide – beter bekend als rotte-eieren-lucht – nog steeds te ruiken!

Op zich is het geen nieuws dat we dagelijks onwetend over oeroude fossielen lopen, of in het Utrechtse winkelcentrum Hoog-Catharijne boodschappen doen terwijl de versteende ammonieten ons aanstaren. Er verschenen al meerdere boekjes en artikelen over dit onderwerp. Wat wél nieuw is, is dat een Utrechtse hoogleraar in de geologie zich over de stadfossielen heeft ontfermd en zijn (foto-)verzameling in boekvorm het licht heeft gezien.

Maanvormige doorsnede van een brachiopode met links een koraalstruik. Met een loep is de stervorm in de kleine cirkeltjes soms goed zichtbaar. In Amsterdam vinden we brachiopodes met een speciale vorm: het is de Productus, die een holle en bolle klep heeft die als twee schaaltjes precies in elkaar passen.

Annemieke van Roekel

Ouder dan het dinotijdperk

In het dagelijkse leven is Reumer hoogleraar vertebratenpaleontologie: gespecialiseerd in fossielen van gewervelde dieren die na het dinotijdperk de aarde bevolkten. Met zijn nieuwe publicatie ‘Kijk waar je loopt’ richt hij zich op het veel oudere leven. In de stoepen en gebouwen zijn wezens zichtbaar die al ver vóór het dinotijdperk het loodje legden: tijdens de massale uitstervingsgolf die de aarde rond 250 miljoen jaar geleden trof.

Fossielenwandeling met Jelle Reumer

Annemieke van Roekel

Het zijn vooral slakken, koralen, sponzen, zeelelies (geen planten, maar dieren), inktvisschelpen en tweekleppige schelpen die we in stoepen en gebouwen in de stad tegenkomen. In Amsterdam komt de fossielrijke bouwsteen uit Ierse en Belgische steengroeves. Diezelfde kalkrijke aardlagen liggen onder ons land honderden meters tot wel een paar kilometer diep. De oceaan waarin de zeediertjes leefden, bedekte honderden miljoen jaren geleden heel West-Europa.

Reumer koos ervoor om zijn verhaal te structureren aan de hand van de geologische tijdschaal, te beginnen met het Ordovicium. Bijna een half miljard jaar oud is bijvoorbeeld orthoceras, een inktvis en voorloper van de nautilus. Anders dan de moderne, spiraalvormige nautilus is orthoceras langwerpig. Hij vulde zijn staart met kalk voor de nodige balancering in het zeewater. We zien ze onder meer in de Leidsestraat en in het boek komen we nog andere fraaie varianten van inktvisschelpen tegen, zelfs met een gekrulde staart.

Pijlpuntige staart van de Orthoceras, een soort inktvis, tussen kauwgom en sigarettenpeuken. Het hele beest moet wel tien maal langer dan de zichtbare staartpunt geweest zijn!

Annemieke van Roekel

Steenkolentijdperk

Na het Ordovicium komen we terecht in het Devoon en Carboon. Tijdens het Carboon wordt er massaal steenkool gevormd in varenmoerassen. Het zeeleven in tropische gebieden was toen rijk aan armpotigen en zeelelies, en het zijn die beesten die in de stadse kalkmodder zijn vereeuwigd. Waarom we ze in Ierse en Belgische steengroeves aantreffen, heeft te maken met de migratie van continenten en de gebergtevorming die daarop volgde. Zo migreerden de fossielrijke aardlagen heel traag vanaf de evenaar naar het noorden. De Ierse fossielen zijn een paar miljoen jaar jonger dan de Belgische, maar als een geoloog zo ‘diep’ in de tijd kijkt, zijn een paar miljoen jaar niet altijd relevant!

De auteur struinde ook in andere steden rond, zoals Middelburg en Rotterdam, maar schrijft eerlijk dat hij als paleontoloog niet helemaal aan zijn trekken komt. Want de door diamantzagen gecreëerde doorsneden in natuursteen zijn weliswaar mooi, maar de diersoorten zijn door de tweedimensionale vorm vaak moeilijk te determineren.

Grensstreek en kust

De stadse fossielen komen dus niet uit onze eigen bodem, maar dat mag de pret niet drukken. In de Hollandse bodem vinden we wel fossielen in de natuur, maar dat is vooral in de grensstreken. Zoals in Limburg – denk aan de mosasaurus, een reuzenreptiel uit de Krijtzee waarvan fossiele skeletten in een mergelgroeve zijn gevonden. Ook in Winterswijk ligt een groeve, waar in bodemlagen van kalksteen pootafdrukken van reptielen worden gevonden. En aan de Zeeuwse kust komen door de branding zandlagen bloot te liggen met fossiele schelpen en het opgespoten Noordzeezand is op de Maasvlakte een populaire vindplaats van ijstijdfossielen.

Dat maakt de stadsfossielen dus best wel bijzonder, want ze zijn voor iedereen gemakkelijk bereikbaar. Ze liggen zomaar op straat of zelfs op ooghoogte in gevels. Je hoeft niet de moeite te doen om naar een groeve af te reizen of je bij een excursie aan te sluiten.

Lengtedoorsnede van een zeeleliestengel. In de stad vinden we nooit hele exemplaren, maar altijd fragmenten van dit dier, dat net als de zeeëgel en zeester tot de stekelhuidigen behoort.

Annemieke van Roekel

Urinoir

Voorspelbaar is de stadswandeling zeker niet. Onderweg vindt Reumer een groot en duidelijk fossiel bij een trapje aan de Keizersgracht, dat hij nog niet eerder had gezien. Het blijkt een mooi exemplaar te zijn van een Rostroconch, van wel zo’n tien centimeter groot. Aanvankelijk werd gedacht dat deze verschijning een kelk van een zeelelie was, maar nee, het blijkt het restant van een groot weekdier te zijn. Ook de Rostroconchia verdwijnen tijdens de beroemde Perm-extinctie van de aardbodem.

De schelp van een Rostroconchia, een weekdier dat al een kwart miljard jaar is uitgestorven

Annemieke van Roekel

Voor Reumer is dit boek nog maar een begin. Hij roept lezers op zelf te gaan zoeken en foto’s van mooie vondsten naar hem te sturen. Dat moet niet alleen leiden tot een nog grotere fotoverzameling, wellicht meer publicaties over stadspaleontologie. Maar vooral ook tot meer bewustzijn van die oeroude wezens, die ons een inkijkje bieden in de aardgeschiedenis. De locaties kunnen heel verrassend zijn, want behalve op straat en in gebouwen kunnen zelfs aanrechtbladen vol zitten met zeelelies en andere beestjes. En wat dacht je van de kalkstenen wandbekleding in een urinoir in een Gronings restaurant?

Jelle Reumer, Kijk waar je loopt, Historische Uitgeverij, 136 p., €18,50.

ReactiesReageer