Naar de content

En toen was er internet

Internetwerkzaamheden, hier door miniatuurpoppetjes bij een internetkabel uitgebeeld.
Internetwerkzaamheden, hier door miniatuurpoppetjes bij een internetkabel uitgebeeld.
Freepik

Nederland was 35 jaar geleden het eerste Europese land dat een open verbinding met het internet kreeg. Daar is heel wat gesteggel en zelfs gesmokkel aan voorafgegaan. “Het ging er vrij anarchistisch aan toe in die tijd.”

26 mei 2023
Afspelen icoon
Podcast
Podcast

Internet in ontwikkeling

0:00
38:40

“This is to let you know we have changed the status of this network to connected.” Piet Beertema, systeembeheerder bij het Centrum Wiskunde & Informatica (CWI) in de Amsterdamse Watergraafsmeer, kreeg op 17 november 1988 een e-mail van de Amerikaanse National Science Foundation met deze nogal droge mededeling. Het betekende feitelijk dat er officieel toestemming was om de eerste open internetverbinding buiten Amerika in gebruik te nemen. Collega Steven Pemberton, die op dat moment bezig was met het ontwikkelen van een programmeertaal en veel behoefte had om te communiceren met collega’s in Amerika, keek er reikhalzend naar uit. Pemberton vertelt hoe dat ging op die novemberdag. “Beertema liep mijn kamer binnen en zei: het internet doet het. Ik zei: oh, leuk! En ik ging het meteen uitproberen door even in te loggen op een computer in New York.”

Pemberton werd daarmee de eerste Europese internetgebruiker. Hij speelde ook een belangrijke rol in het World Wide Web-consortium, een groep van computerspecialisten die technische afspraken maakt om het Wereldwijde Web (de verzameling van websites die gebruikmaakt van het internet) optimaal te laten functioneren. De komst van het internet maakte Pembertons werk in één klap een stuk makkelijker. “Ik moest vaak grote bestanden versturen via e-mail. Die moest ik dan opsplitsen, coderen en in meerdere delen versturen. De ontvanger moest die stukken dan weer samenvoegen en decoderen. Maar vanaf dat moment kon ik gewoon een link sturen naar een serverlocatie, waar de ontvanger het bestand kon downloaden.”

Kamervullende computers

Officieel ‘ontstaat’ het internet in Nederland dus op deze zeventiende november, want dat was de eerste keer dat er een open verbinding was (en dus niet een gesloten netwerk, zoals dat in de defensiewereld al langer bestond). Ook was het de eerste keer dat de verbinding tot stand kwam met behulp van het internetprotocol, oftewel TCP/IP (daarover verderop meer). Voor die tijd waren er wel al andere manieren om digitaal informatie uit te wisselen, zoals nieuwsgroepen en servers waarmee je bestanden met anderen kon delen. Zelfs e-mail bestond al. Nederland speelde een leidende rol in de ontwikkeling van het internet in Europa, en dan met name enkele internetpioniers, zoals Piet Beertema, Teus Hagen, Erik Huizer en Steven Pemberton (al zijn er nog meer, zie kader ‘Nederlandse internetpioniers’).

Teus Hagen was er vanaf het eerste uur bij. Hij begon in 1980 als student bij het Mathematisch Centrum (de voorloper van het CWI), in de tijd dat computers nog grote, kamervullende mainframea waren. Hij kwam daar in aanraking met een nieuw besturingssysteem genaamd Unix, dat door onderzoekers van de beroemde Bell Labs van AT&T was ontwikkeld. Eén specifiek onderdeel vond Hagen met name interessant: een communicatieprotocol genaamd UUCP (Unix-to-Unix Copy), een functie die het mogelijk maakt om data te versturen tussen Unix-computers. “Dat protocol is eigenlijk het fundament geweest voor het ontstaan van het internet in Europa”, aldus Hagen.

Modems smokkelen

Hagen ontdekte dat ook andere Europese onderzoeksinstituten, onder meer in Edinburgh, Canterbury, Kopenhagen en Parijs, aan het experimenteren waren met UUCP. Ze besloten geregeld bij elkaar te komen om ideeën uit te wisselen en problemen op te lossen, en zo ontstond de European Unix User Group. Hagen werd de voorzitter en hij stelde voor om Amsterdam tot het centrale Europese knooppunt van Unix-gebruikers te maken. Dat betekende dat alle data die de Unix-gebruikers verstuurden (in het eerste jaar waren er dertig gebruikers, maar een jaar later al driehonderd) via Amsterdam liep. Dat ging nog gewoon via een telefoonlijn van de PTT, de voorloper van KPN. Onderzoekers moesten eerst met elkaar bellen om elkaar te laten weten dat er een bestand aankwam, en verzonden het vervolgens via modems die waren aangesloten op de telefoonlijn.

Maar eenvoudig was dat niet, en de verbinding was met 300 baud (dertig karakters per seconde) zeer traag. Maar bovenal waren de PTT en zijn buitenlandse evenknieën op dat moment alleenheersers op het telefoonnet en duldden zij geen geëxperimenteer. Het was bijvoorbeeld in sommige landen verboden om een modem aan te schaffen. Daar trokken Hagen en collega’s zich echter weinig van aan, want zij smokkelden regelmatig modems vanuit de VS, waar de verkoop wel was toegestaan, naar Europa. Hagen werd eens op Schiphol tegengehouden met illegale waar. “De douanebeambte zei: wat een grote doos, wat zit daar in? Ik kon niet zeggen dat er een modem in zat. Dus zei ik dat het een versterker was, wat op zich geen leugen is. Toen ik de doos aan de bovenkant opende, was er een kras te zien. Hij zei: oh, hij is tweedehands, neem maar mee. Dit illustreert wel dat er toen vrij anarchistisch aan toe ging om die computerverbindingen te maken.”

De computerzaal van het CWI, met rechts in het midden een MCVAX-computer. Hiermee werd de eerste internetverbinding met de VS gemaakt.

CWI

Domeinnamen

Ook bij het Mathematisch Centrum is Hagen eens door de mazen van het net geglipt. Zo bleef de telefoonlijn tussen Amsterdam en Amerika ooit een heel weekend openstaan vanwege een softwarefout, wat waarschijnlijk tot een peperdure telefoonrekening heeft geleid. Hagen moest dat op een maandagochtend opbiechten bij de directeur en vreesde voor zijn ontslag, maar dat viel mee. “Hoewel de leiding niet precies begreep waar we mee bezig waren, hadden ze toch vertrouwen in ons en hebben ze ons regelmatig de hand boven het hoofd gehouden.”

De Unix-gebruikersgroep zou je dus kunnen zien als een premature versie van het internet in Europa, met het CWI als eerste internetprovider. Maar met behulp van UUCP was alleen communicatie tussen Unix-computers onderling mogelijk. Bovendien had elke UUCP-computer een unieke naam nodig, en die mocht uit slechts zeven letters en/of tekens bestaan. Toen het aantal gebruikers naar de 25.000 steeg, liep het systeem tegen zijn grenzen aan. Domeinnamen, die per land werden geregistreerd, bleken een beter alternatief. Piet Beertema deed van 1986 tot 1996 het beheer van alle domeinnamen in Nederland. Hij registreerde .nl als een van de eerste landendomeinen, en cwi.nl als eerste Nederlandse domeinnaam. Al snel had Beertema zijn handen vol aan de domeinregistratie, en daarom werd hiervoor een aparte stichting opgericht: de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN).

Teus Hagen (links) aan het werk bij het CWI in de jaren tachtig.

CWI

Protocoloorlog

Intussen werd er ook gewerkt aan een ander, veel breder toepasbaar protocol: het internetprotocol. Dit maakte communicatie tussen alle verschillende computermerken en besturingssystemen mogelijk, dus niet alleen tussen Unix-gebruikers. Daarin speelde Erik Huizer een grote rol, onder meer als lid van de Internet Engineering Task Force (IETF), een groep van deskundigen die technische afspraken over het internet maakt, bijvoorbeeld over protocollen voor internet en e-mail. Als we het hebben over het internet, dan hebben we het dus eigenlijk over het netwerk van computers dat via het internetprotocol met elkaar in verbinding staat. Dit netwerk maakt gebruik van een stapel (stack) van protocollen, die verschillen in hiërarchie en die samen het internet mogelijk maken. Die verzameling wordt meestal aangeduid als TCP/IP. Een gamechanger, volgens Huizer. “TCP/IP heeft het mogelijk gemaakt dat computers van verschillende merken met elkaar konden communiceren.” Een protocol zou je kunnen zien als een kookboek, legt Huizer uit. “Daarin schrijf je welk ingrediënt je nodig hebt, in welke volgorde en in welke mate.”

Het had echter niet veel gescheeld of niet TCP/IP, maar OSI (Open Systems Interconnection) zou het leidende protocol zijn geweest. Dat wilden Europese overheden en telecombedrijven namelijk, maar de internetpioniers zagen er geen heil in. De strijd werd, vergelijkbaar met de browseroorlog, ook wel de protocoloorlog genoemd. Hagen: “OSI vonden we te ingewikkeld en te theoretisch. TCP/IP is een vrij simpel protocol, dat je snel in de vingers hebt.” Doordat de computerwetenschappers, maar ook de eerste internetproviders gewoon met TCP/IP aan de slag gingen, moesten de telecommaatschappijen uiteindelijk wel zwichten en ook het TCP/IP-protocol omarmen.

Ondanks dat het protocol al snel aan een grondige herziening toe was – zo bleek bijvoorbeeld het aantal internetadressen in de vierde versie, IPv4, volstrekt onvoldoende – is het nog altijd springlevend. Sterker nog, het ligt aan de basis van alle websites en apps die we gebruiken. Huizer: “Een app is meestal niks anders dan een heel gespecialiseerde browser die met maar één server communiceert. Onderliggend gebruikt die nog altijd hetzelfde protocol en dat voldoet nog prima.”

Nederlandse internetpioniers
Een behoorlijk rijtje Nederlanders heeft een doorslaggevende rol gespeeld in de begindagen van het internet, dus nog vóór de komst van het wereldwijde web. Dit zijn ze:
  • Jaap Akkerhuis: medeoprichter NLnet (Nederlands eerste internetprovider) en Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN)
  • Piet Beertema: systeembeheerder CWI, beheerder .nl-domeinen, medeoprichter SIDN
  • Rob Blokzijl: medeoprichter Réseaux IP Européens (RIPE), organisatie die zorgde voor de invoer van het internetprotocol in Europa, Midden-Oosten en Centraal-Azië
  • Teus Hagen: hoofd computerlab CWI, oprichter en voorzitter van Nederlandse en Europese Unix-gebruikersgroep, en van EUnet (eerste Europese internetprovider)
  • Erik Huizer: lid van de Internet Engineering Task Force (IETF), technisch directeur van SURFnet, CEO van Géant (pan-Europees datanetwerk voor onderzoek en onderwijs)
  • Daniel Karrenberg: medeoprichter EUnet en RIPE
  • Ted Lindgreen: directeur NLnet, medeoprichter SIDN
  • Kees Neggers: directeur en oprichter SURFnet, betrokken bij onder meer RIPE en Amsterdam Internet Exchange (AMS-IX)
  • Andy Tanenbaum: hoogleraar Computerwetenschappen aan de Vrije Universiteit Amsterdam, die het belang van computernetwerken al vroeg inzag en daar financiering voor regelde

Lees meer over de in 25 jaar internet in Nederland. Fascinerende herinneringen van de Nederlandse pioniers die Amsterdam tot het centrum van het Europese internet maakten

Lees ook het interview met Erik Huizer: