Naar de content

Eeuwenoude slachterijen Nederlandse walvisvaarders ontdekt

Noorse eiland Jan Mayen opnieuw onderzocht

Frits Steenhuisen

Archeoloog Louwrens Hacquebord reisde de afgelopen twee weken met een supersnel patrouilleschip van de Koninklijke Marine naar het Noorse eiland Jan Mayen. Hier ontdekte hij nieuwe sporen van Nederlandse walvisvaarders uit de zeventiende eeuw. Zojuist weer in Den Helder aangekomen, spreekt hij met Kennislink over zijn vondsten.

26 augustus 2014

Marthe Koeweiden, student archeologie aan de RUG, doet een noodopgraving van restanten van een van de huizen op Jan Mayen, augustus 2014.

Frits Steenhuisen

Hoe is de reis verlopen?
“Dat ging heel soepel. Het weer viel mee en het patrouilleschip is erg snel. We waren er binnen drie dagen, terwijl walvisvaarders er in de zeventiende eeuw weken over deden. Eenmaal aangekomen ging iedereen snel zijn eigen weg. We hadden maar vijf dagen om onderzoek te kunnen doen en om tijd te sparen, hebben we twee nachten op het eiland geslapen.”

Wat heeft u onderzocht?
“Enkele archeologische sites aan de noord- en zuidkant van het eiland. Ik had al meerdere malen archeologisch onderzoek gedaan in Kvalrossbukta (‘Walrusbaai’), aan de noordkant van het eiland. Maar twee jaar geleden kreeg ik een bericht van de Noren dat er een enorme storm had huisgehouden. Ik wilde graag weten wat er nog over was van de archeologische overblijfselen.”

“Eenmaal hier aangekomen viel dat niet mee. Heel veel archeologische resten waren weggeslagen door de golven. We hebben snel een noodopgraving gedaan en we troffen nieuwe vondsten aan: resten van tabakspijpen en drinkkruiken. Er was wel eerder aardewerk gevonden, maar niet deze kenmerkende overblijfselen van walvisvaarders en zeelui. De materiële cultuur van een zeeliedengemeenschap is nu eenmaal anders dan die van gezinnen in de stad. We verwachtten hier niet alleen walvisbotten en resten van slachterijen, maar ook overblijfselen van de vrijetijdsbesteding van de mannen: drinken en roken. Nu dit daadwerkelijk naar boven is gekomen is het beeld van de zeeliedengemeenschap op Jan Mayen compleet.”

Medaillon van een steengoed baardmankruik waar drank in werd bewaard. Afkomstig uit het Rijnland en gevonden op Jan Mayen, augustus 2014.

Frits Steenhuisen

Heeft u verder nog nieuwe vondsten gedaan?
“Ja, twee archeologische locaties in de zuidelijke baaien. Uit archiefonderzoek, naar onder andere reisjournalen, was al gebleken dat de Nederlandse walvisvaarders ook in het zuiden landstations hadden, maar die waren niet eerder ontdekt. Van de vijf dagen hadden we er nog maar twee dagen over, dus we moesten snel te werk gaan. Groene locaties wijzen op slachtafval van walvisvaarders. Het fosfaat dat hierbij in de grond terecht kwam, vormt namelijk een rijke voedingsbron voor planten. Op twee groene locaties vonden we al snel walvisbotten en eenmaal aan het werk ontdekten we ook structuren van huizen en vonden we resten baksteen. Maar meer konden we helaas niet doen in die korte tijd, dus nader onderzoek is erg welkom.”

Het eiland Jan Mayen, met kegelvulkaan de Beerenberg in het noorden.

wiki commons
Jan Mayen

is een eiland, genoemd naar de Amsterdamse walvisvaarder Jan Jacobsz May van Schellinckhout. Hij zou het vulkanische eiland ontdekt hebben in 1614, hoewel hij dat jaar niet de enige was die melding maakte van dit eiland. Het eiland ligt 600 kilometer ten noorden van IJsland en 500 kilometer ten oosten van Groenland. Het afgelegen eiland is ongeveer 375 km2 groot en 2277m hoog, vanwege de nog actieve vulkaan Beerenberg.

Het eiland werd in 1615 in gebruik genomen door Nederlandse walvisvaarders. In de zomer werkten hier ongeveer 200 tot 250 man. De gevangen walvissen werden op verschillende locaties, de landstations, aan wal gesleept en ter plekke aan stukken gesneden en verwerkt tot onder andere walvistraan. Traan was een zeer gewild basisproduct in de Gouden Eeuw en werd gebruikt als ingrediënt voor kaarsen, zeep, lampolie en smeermiddelen. De walvissen begonnen door deze intensieve jacht de baai te mijden en zwommen richting Spitsbergen. Na 1640 verlieten de walvisvaarders Jan Mayen, de walvissen achterna.

Walvisvaartstation op Jan Mayen met op de achtergrond de vulkaan van de Beerenberg. (Cornelis de Man, 1639)

Marine maakt onderzoek in onherbergzaam gebied mogelijk

Hacquebord was niet de enige wetenschapper die meereisde met de Zr. Ms. Zeeland. Eenmaal aangekomen zette de bemanning van de Zeeland onderzoekers uit allerlei disciplines aan land met behulp van speciale rubberbootjes. Hierdoor konden de wetenschappers niet eerder bestudeerde locaties bereiken en onderzoeken. Voor Hacquebord betekende dit archeologisch onderzoek op de zuidkant van het eiland. Verder telden biologen vogels en verzamelden wetenschappers van Naturalis mossen om de veranderingen in de lokale flora en fauna te onderzoeken.

Het in kaart brengen van de nederzettingsrestanten in de Walrusbaai met behulp van een GPS-systeem op Jan Mayen, augustus 2014.

Frits Steenhuisen

Het was de eerste keer dat de Koninklijke Marine op deze manier samenwerkte met de wetenschap maar hopelijk niet de laatste keer. Hacquebord: “De reis is een unieke gelegenheid geweest waarin iedereen zijn gegevens kon verzamelen en de marine kon oefenen met het afzetten van mensen aan ruige kusten met rubberboten. Een echte win-win situatie. Volgens mij is het iedereen bevallen en zeker voor herhaling vatbaar.”

Gedenksteen overwinteraars gerestaureerd

In de noordbaai van Jan Mayen stond een ‘fort’ (een platform waar twee kanonnen opstonden) om het eiland te beschermen tegen vijanden. Zo waren de walvisvaarders al meerdere malen aangevallen door de Basken, op rooftocht naar walvistraan. In de winter 1633-1634 moesten zeven mannen achterblijven om het eiland te beschermen. Bij naderende schepen zouden ze de vlaggen hijsen en de kanonnen afschieten zodat het leek alsof het ‘fort’ goed bemand was. Die hele winter was er echter geen Bask te zien. De laatste notitie in het dagboek van de overwinteraars stamt uit april 1634. Een maand later kwam de nieuwe zomercrew en zij troffen de mannen dood aan.

In 1930 is hier een gedenksteen voor geplaatst met de tekst: “Outgert Jacobsz van Grootebroek en zijne zes Hollandsche makkers zijn in april 1634 hier bezweken bij eene poging tot overwintering.” Tijdens deze archeologische expeditie is de steen gerestaureerd (de letters waren door erosie niet meer leesbaar) en meer landinwaarts geplaatst: bij de graven van de overwinteraars. De graven liggen onder een heuvel waarop de Noren na 1945 een houten kruis hebben geplaatst met de tekst: “Hier vielen dappere Hollandse mannen.” De gedenksteen is in het bijzijn van de marinepersoneel opnieuw onthuld.

Gedenksteen Jan Mayen. Gemaakt in 1910 maar pas na omzwervingen in 1930 geplaatst. In 2014 gerestaureerd (letters weer zichtbaar gemaakt) en verplaatst van het strand naar de graven van de overwinteraars.

Professor Louwrens Hacquebord is hoogleraar Arctische en Antarctische studiën en archeoloog aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). De expeditie van augustus 2014 was de vijfde keer voor Hacquebord. De eerste keer dat hij archeologisch onderzoek deed op Jan Mayen was in 1983. Meer informatie over de expeditie is te vinden op de website van de RUG.

Walrusbaai tijdens archeologisch onderzoek van Hacquebord in augustus 2014

ReactiesReageer