Naar de content

Doven communiceren ook met woorden

Een collage van mensen in verschillende gebarentaal poses.
Een collage van mensen in verschillende gebarentaal poses.
Corpus NGT

Wanneer doven onderling gebarentaal gebruiken, voegen ze ook vaak gesproken woorden in. Deze zogenaamde ‘mouthings’ komen veel meer voor dan aanvankelijk werd gedacht. Dat blijkt uit onderzoek van Richard Bank, die een grote hoeveelheid spontane gesprekken uit het Corpus Nederlandse Gebarentaal analyseerde. Hij promoveerde op 30 januari aan de Radboud Universiteit.

30 januari 2015

De meeste doven communiceren in gebarentaal. Maar gebarentaal is meer dan alleen het gebaren met de handen, legt promovendus Richard Bank uit. “Ook lichaamshouding speelt een belangrijke rol. Als je met je schouders draait, kun je praten vanuit een ander perspectief. Je kruipt even in de huid van een ander. Met oogknipperen kun je aangeven dat de zin eindigt of dat je gesprekspartner aan de beurt is. Door je wenkbrauwen omhoog te trekken maak je een zin vragend.”

Voor zijn proefschrift keek Bank vooral naar ‘mouthings’. Dat zijn gesproken woorden, die doven in plaats van of samen met gebaren maken. Voor de dove gesprekspartners is dan alleen de beweging van de mond zichtbaar. Om het woord te begrijpen maken ze gebruik van liplezen.

Het Corpus Nederlandse Gebarentaal is een verzameling videoopnames van verhalen en gesprekken tussen doven. Het is gemaakt door de gebarentaalgroep aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, met subsidie van Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Corpus NGT

Tweetalig

Dat doven in Nederland naast Nederlandse Gebarentaal (NGT) ook gesproken Nederlands gebruiken, en in feite tweetalig zijn, is niet zo gek volgens Bank. Ze groeien immers op met gesproken Nederlands om zich heen. “Ze moeten zich staande kunnen houden in een horende wereld. Gesproken Nederlands is dan ook een van de instructietalen voor doven op school. Ook op dovenscholen.” Daarom kan nagenoeg iedere dove liplezen en gesproken woorden vormen. Dat is anders voor het geschreven Nederlands, dat niet iedere dove even goed beheerst.

Het was al bekend dat doven in de communicatie met horenden gebarentaal combineren met gesproken woorden. Maar dat doven ze ook onderling in grote mate gebruiken, was tot nu toe niet op deze schaal onderzocht. “Eerdere studies waren gebaseerd op doven die in hun eentje voor de camera zaten, of die testjes moesten uitvoeren. Met de komst van het Corpus NGT werd het voor het eerst mogelijk om spontane gesprekken tussen doven te analyseren,” aldus de promovendus.

Alledaagse gesprekken

Voor zijn proefschrift analyseerde Bank een grote verzameling video’s waarin dove mensen met elkaar gebaren. Het zijn alledaagse gesprekken, legt de taalwetenschapper uit: “De doven in deze video’s vertellen elkaar bijvoorbeeld hoe het vroeger was op school, wat de invloed is van het cochleair implantaat op gebarentaal, maar ook wat ze vorige week hebben meegemaakt.”

Bovendien zijn het allemaal gesprekken waarbij geen horende mensen aanwezig zijn. “Je zou zeggen: er is geen enkel reden om mouthings te gebruiken. En toch bestaat 85 procent van de mondbewegingen uit mouthings.” Overigens zijn het vooral losse woorden, vertelt de promovendus. Een hele zin in gesproken Nederlands komt bijna niet voor.

Combinaties

Die mondgebaren worden op twee manieren gebruikt in gebarentaal, vertelt de onderzoeker. Soms zijn het losse woorden die in gebarenzinnen opduiken. “Iemand maakt bijvoorbeeld een zin in gebaren, laat dan even zijn handen zakken om met zijn mond het woord ‘maar’ uit te spreken, en vervolgt zijn zin weer in gebaren.” Dit is vergelijkbaar met het zogeheten code-switching (wisselen tussen talen) van andere tweetaligen. Maar uniek aan tweetalige doven is dat zij gebaren combineren met mouthings.

“Dan heb je een gebaar met een algemene betekenis, die je verder kunt specificeren met een Nederlands mondgebaar. Het gebaar voor ‘ruimte’ maak je met een vlakke hand, de vingers gespreid. Met de handpalm naar beneden maak je een cirkelbeweging in de ruimte voor je. Vervolgens kun je die ruimte nader specificeren met een gesproken woord, zoals ‘klas’, ‘kantoor’ of ‘voetbalveld’.”

Gebarenstroom

In gebarentaal is het ook mogelijk om meerdere gebaren te combineren met een enkele mouthing. “Neem de zin: Ik ga naar school. Dan kun je tijdens het gebaren van ‘gaan’ en ‘school’ een mouthing ‘school’ maken. Dit voorbeeld laat zien dat het hand- en mondgebaar niet altijd precies tegelijkertijd worden gemaakt. En soms loopt de woordenstroom achter op de gebarenstroom. Dan komt de mouthing bijvoorbeeld steeds na het gebaar waar het bij hoort.”

Een van de vragen in het onderzoek was waarom mouthings zich soms spreiden over twee gebaren. Is dat omdat gebaren zo kort zijn, terwijl er in gesproken taal een hoop lettergrepen moeten worden uitgesproken? Daar zit wel een kern van waarheid in volgens Bank. In gebarentaal is het mogelijk om meer tegelijkertijd te doen. Je hebt een locatie, een handvorm en een beweging die je kunt combineren.

Maar toch is gebarentaal niet in alle opzichten sneller. Voor gesproken taal hoef je alleen wat kleine spieren in je tong of wangen te bewegen. In gebarentaal zijn de articulatoren veel groter, namelijk armen en handen. “Per saldo gaan gebarentaal en gesproken taal even snel,” is daarom de conclusie van Bank.

Onderwijssituatie

Uit het onderzoek komt ook naar voren dat mondgebaren niet door alle doven even vaak gebruikt worden. “Er zijn veel individuele verschillen, ook in de manier van articuleren. Sommigen sperren de mond wijd open, anderen murmelen maar wat. Maar gek genoeg hebben we geen verschillen kunnen vinden tussen doven van verschillende leeftijden of tussen mannen en vrouwen. Ook zijn er geen regionale verschillen: Groningers gebruiken mouthings net zo vaak als Amsterdammers.”

“Eigenlijk hadden we verwacht dat oudere doven meer mouthings gebruiken. De onderwijssituatie is namelijk behoorlijk veranderd de afgelopen decennia. Tot aan 1980 was dovenonderwijs vooral gericht op spraak herkennen en het leren spreken van doven. Pas sinds begin jaren 90 wordt op dovenscholen gebarentaal naast gesproken Nederlands als instructietaal gebruikt.” Maar daar ligt meteen ook een beperking in het corpus. Want daarin zijn nog iets te weinig jonge mensen opgenomen.

Cochleair implantaat

Bank hoopt dat het corpus de komende jaren op dit punt verbeterd kan worden. Ook voor de jongste generatie doven is het niet vanzelfsprekend om gebarentaal te leren. Dat heeft alles te maken met de komst van het cochleair implantaat. “Verreweg de meeste dove kinderen worden in een horend gezin geboren. Die mensen hebben totaal geen weet van dovencultuur en gebarentaal. Ze gaan een medisch traject in: het kind krijgt een cochleair implantaat en daarmee wordt het als een horend kind beschouwd. Wat niet altijd zo is, want op het moment dat zo’n ding stuk gaat of de batterij leeg is dan is het gewoon een doof kind. Een combinatie van gesproken Nederlands én gebarentaal helpt dove kinderen om toch een volledig taalaanbod te krijgen.”

ReactiesReageer