Naar de content
Faces of Science
Faces of Science

De wraak van het water

Wat de geschiedenis ons leert over de hoop en wanhoop van techno-optimisme

Pixabay CC0

Nu de kritiek op The Ocean Cleanup aanzwelt, ziet historicus Adriaan Duiveman een interessante overeenkomst met een 18e-eeuwse wonderlijke watermachine. We putten hoop uit het idee dat knappe koppen ons uit de penarie helpen. Maar de geschiedenis leert dat technologie zelden een simpel succesverhaal is.

28 januari 2020

Het ambitieuze project The Ocean Cleanup van Boyan Slat ligt onder vuur. Tot kortgeleden werd de jonge uitvinder bejubeld. Met zijn uitvinding – u-vormige ‘armen’ in zee – wil hij plastic uit de oceaan vissen, en daarmee het bedreigde zeeleven redden. Nu slaan de kwallenkenners alarm. Slats uitvinding is niet alleen inefficiënt en duur – zo analyseerde journaliste Tamar Stelling voor De Correspondent – maar ook nog eens desastreus voor één soort beestjes: neuston. En die soort, zo stellen wetenschappers, is mogelijk essentieel in ecosystemen. De schade die Slat aanricht, is wellicht groter dan het voordeel van het opgeruimde plastic.

De aanzwellende kritiek op de jonge uitvinder is pijnlijk, en niet alleen voor zijn idealistische startup. Ook ik putte hoop uit het idee dat we toch iets konden doen. Dat we met slimme koppen en opgestroopte mouwen toch iets van ons ecologische wangedrag konden goedmaken. Maar misschien had ik als historicus beter moeten weten: technologische ontwikkeling biedt nooit een simpel succesverhaal.

De waterwondermachine

In 1733 verscheen een anoniem pamfletje over een wonderlijke watermachine. Ik kan niet precies achterhalen hoe populair de acht pagina’s tekst waren, maar ik vermoed dat ze wijdverspreid waren. De uitvinding kwam namelijk op een heel gunstig moment: 1733 was het hoogtepunt van de paalwormplaag.

Een klein weekdiertje, meegekomen met de VOC-schepen uit Indonesië, vrat zich destijds in het hout van scheepsboegen, kades en – dat was belangrijk – de dijken. In die tijd werden zeedijken versterkt met houten heipalen en bedekt met planken. De paalworm at zich in tunneltjes door deze palen en planken en verzwakte daardoor het hout. Met een grotere kans op overstromingen als gevolg. De paalworm leidde daarom tot grote angst in de kustgebieden. Waren de inwoners nog wel veilig achter hun dijken?

Bodemdaling begon al toen we de eerste dijken bouwden

Unsplash.com CC0

Overheden riepen op tot boetedoening en in bepaalde plaatsten werden speciale, lange kerkdiensten georganiseerd met donderpreken. God had de paalworm gezonden als straf, zo stelden de dominees. Maar mensen vestigden niet alleen hun hoop op God. Ze keken eveneens hoopvol naar de waterstaatsingenieurs.

Het anonieme pamfletje uit 1733 beschrijft een uitvinding van ene meneer Ankerus en zijn zoon. De machine, zo stelde de tekst, kon het werk van vijf pompmolens vervangen. Beter nog: het zou het overtollige water uit een polder over ‘zeedyken heen brengen, al waren dezelve zeedyken zoo hoog als een kerk’. Water wegpompen tot over een kerktoren: ja, dit was een echte waterwondermachine.

Het pamflet besluit met een treurige mededeling. Ankerus en zijn zoon hebben de uitvinding nooit kunnen uitvoeren. De reden: vader Ankerus overleed. Voor die tijd had zijn uitvinding, zo stelt het pamflet, al ‘seer veel menschen in een groot verlangen gebragt, om daar een goede uytkomst van te zien’. Anders verwoord: mensen wilden dolgraag dat Ankerus’ machine werkte. Want als de dijken het amper hielden, konden ze het water in ieder geval nog wegpompen.

Hoe we onszelf naar beneden pompen

Wellicht heeft deze meneer Ankerus ooit echt een idee gehad, maar ik betwijfel of de machine ooit zo succesvol zou zijn als het pamflet claimt. En zelfs als de machine had bestaan, is het de vraag of het de problemen echt oploste. Ja, er zou water uit de polder zijn gepompt, dus op de korte termijn was de uitvinding hartstikke succesvol. Maar op de lange termijn had de uitvinding de situatie mogelijk alleen maar verslechterd. We zitten nu namelijk met exact hetzelfde probleem.

Terwijl de zeespiegel stijgt door klimaatverandering, daalt op dit moment de bodem van Nederland. Doordat we onze polders bemalen en leegpompen, trekken we vocht uit de veengrond, waardoor deze krimpt. Dit heet ‘inklinken’: de natte veengronden dalen omdat ze uitdrogen. Daarnaast zorgt het indijken van land ervoor dat er geen overstromingen meer voorkomen die slib achterlaten. De bodemdaling is al eeuwen aan de gang, maar het probleem wordt door de zeespiegelstijging nog urgenter.

Bodemdaling begon al toen we de eerste dijken bouwden, en hoewel het in eerste instantie slim leek, zorgde het er ook voor dat we alleen maar meer dijken, dammen, sluizen en molens moesten bouwen. Als je eenmaal begint, kun je niet meer stoppen: je moet blijven pompen en beschermen om je dalende land droog te houden. En als je eenmaal een dijk hebt gebouwd, gaan er mensen achter die dijk wonen. Dit kan uiteindelijk leiden tot meer schade en slachtoffers wanneer deze dijk onvermijdelijk eens doorbreekt. Dit wordt het levee effect – het ‘dijkeffect’ – genoemd. Het is een paradox: je risico’s worden juist groter wanneer je ze probeert te verkleinen. En nu lopen we onszelf naar beneden te pompen.

Laten we niet blind vertrouwen op waterwondermachines, want voor je het weet neemt het water wraak.

Pixabay CC0

De wraak van onbedoelde gevolgen

Zowel de bodemdaling als het levee effect zijn zogenaamde onbedoelde gevolgen. De laatmiddeleeuwse boeren die samen een dijk bouwden wilden niet dat hun land zonk of dat er meer slachtoffers vielen bij de volgende overstroming. Maar dat gebeurde wel. Mensen kunnen zelden voorspellen wat de gevolgen van hun handelingen zijn op lange termijn, laat staan dat hele samenlevingen dat kunnen. En daarom worden we bij elke uitvinding en technologische ontwikkeling geconfronteerd met gevolgen die we niet verwachtten, en vaak ook helemaal niet willen.

Slat wordt nu ook met deze onbedoelde gevolgen geconfronteerd. Zijn ambitieuze en idealistische plan blijkt nu juist mogelijk schadelijk te zijn voor datgene dat hij wilde redden: het zeeleven. Onbedoelde gevolgen zijn er altijd, en we moeten ons dat blijven beseffen. In zijn boek Why things bite back noemt technologiehistoricus Edward Tenner dit het ‘wraakeffect’. We moeten altijd incalculeren dat het probleem ons op een andere manier ‘terug kan pakken’ wanneer we er een technologische oplossing voor hebben verzonnen.

Blind techno-optimisme

In een essay voor Elsevier Weekblad stelde voormalig minister van Defensie Hans Hillen dat Nederlanders klimaatverandering als een uitdaging moeten zien. De oplossing zit in innovatie. En laat Nederland daar nou juist goed in zijn, zo stelde hij trots vast. Die klimaatcrisis, joh, die fixen we wel effe. Mede-historicus Fons Meijer en ik schreven een opiniestuk terug. We bekritiseerden hierin niet alleen Hillens weergave van de Nederlandse waterstaatsgeschiedenis – ‘zo platgeslagen als ons vlakke land’ – maar vonden ook zijn blinde techno-optimisme ronduit gevaarlijk.

In De Volkskrant hield laatst één van de meest interessante denkers van de Lage Landen, filosoof Maarten Boudry, een betoog voor geoengineering. Boudry’s betoog is een stuk genuanceerder dan de ronkende retorica van Hillen, maar de filosoof gelooft ook heilig in technologisch ingrijpen. Het is zelfs onze verplichting om te handelen, zo stelt Boudry. Niet alleen om onszelf te redden, maar ook om andere soorten te beschermen. Een ‘planetaire sproeibeurt’ met zwaveldeeltjes of krijtpoeder zou de aarde kunnen afkoelen, en dat hebben we nu nodig. Het is een laatste redmiddel, maar wellicht wel de enige effectieve.

Misschien heeft Boudry gelijk, hoe zuur dat ook is. Maar de ‘nare neveneffecten’ die hij ziet bij het uitstellen of uitblijven van het technologisch ingrijpen, zijn er waarschijnlijk ook als we wel handelen. De geschiedenis leert ons dat het heel moeilijk is om van te voren te bepalen is welke gevolgen erger zullen zijn: die van het niet-handelen, of die van het wel-handelen. Zeker als het systeem waar je in gaat ingrijpen – het klimaat – zo eindeloos complex is. Het is alsof je op Domino Day het eerste steentje omtikt terwijl je alleen de eerste tien stenen kan zien, en de 4.500.000 daarna verstopt zitten achter een dik theatergordijn.

Laten we daarom aan onze dammen, gemalen en polders denken voordat we aannemen dat techniek ons uit de klimaatcrisis gaat redden. Ik ben blij dat ik achter een dijk woon in Nijmegen. Heel blij zelfs. Ik ben dankbaar voor de knappe koppen en opgestroopte mouwen die er voor hebben gezorgd dat ik in mijn leven nog geen overstroming heb meegemaakt. Maar ik weet ook dat die dijk misschien niet een eeuwige oplossing is. Laten we niet blind vertrouwen op waterwondermachines, want voor je het weet neemt het water wraak.

ReactiesReageer