Je leest:

De impact van mediageweld

De impact van mediageweld

Auteur: | 13 februari 2008

Over de impact van mediageweld op kinderen wordt zo verschillend gedacht, dat opvoeders al snel het spoor bijster raken. Onderzoeker Peter Nikken laat zien dat alle visies op dit vraagstuk een kern van waarheid bezitten, maar teveel generaliseren. Of kinderen zich agressiever gaan gedragen door de confontatie met mediageweld hangt af van het soort geweld, het kind, ouders en opvoedingsomstandigheden.

Elke dag tonen de media geweld. Het televisienieuws brengt de vervelende gebeurtenissen: oorlogen, aanslagen, overvallen en ongelukken. Om de televisiekijker te behagen en af te leiden van al dat ernstige geweld, zenden de omroepen series, films en reality shows uit, maar ook daarin neemt geweld paradoxaal genoeg vaak een prominente plaats in. Gespierde helden nemen het op tegen de gevestigde orde, criminele syndicaten of andere bad guys. Dat begint overdag al met tekenfilms op de kinderzenders, en gaat tot in de late uurtjes door met meer realistische zestienplusfilms. Net als in veel computerspelletjes is de moraal van al die gewelddadige mediavertellingen: het goede overwint het kwaad, ook al wordt die overwinning vaak gerealiseerd door eerst te schieten en daarna pas te praten.

Hoewel de meeste mensen met plezier naar mediageweld kijken of het onbevangen op zich in laten werken, gaan er geregeld stemmen op tegen al dat mediageweld. Als er een ernstig geweldsincident heeft plaatsgevonden waar een of meer jeugdige delinquenten bij betrokken waren, dan wordt al snel met de beschuldigende vinger gewezen naar het verkeerde voorbeeld dat de media aan kinderen geven. Bekende voorbeelden zijn de schietpartijen in het Duitse Erfurt en het Amerikaanse Littleton, waar scholieren hun medestudenten en leraren in koelen bloede neerschoten en vervolgens de hand aan zichzelf sloegen. Volgens de krantenberichten en gezagsdragers zouden de jongens hun bloedige aanslagen gemodelleerd hebben naar het voorbeeld van gewelddadige mediahelden.

Net als in veel computerspelletjes is de moraal van al die gewelddadige mediavertellingen: het goede overwint het kwaad, ook al wordt die overwinning vaak gerealiseerd door eerst te schieten en daarna pas te praten.

Wetenschappelijke meningsverschillen

Of de confrontatie met mediageweld kinderen kan schaden is al jarenlang onderwerp van wetenschappelijke studies, met gevarieerde uitkomsten. Volgens sommige – veelal Amerikaanse – wetenschappers hebben politici groot gelijk als zij een verbod op gewelddadige mediaproducties overwegen. Middels indrukwekkende experimenten proberen zij aan te tonen dat jongeren na het spelen van gewelddadige games of het zien van gewelddadige videobeelden een meer gewelddadige houding aannemen of eerder geneigd zijn tot agressief gedrag.

Ook andere, longitudinale studies wijzen op een effect: personen die op jonge leeftijd veel televisie keken en zich sterk identificeerden met de helden van weleer blijken jaren of zelfs decennia later beduidend vaker betrokken te zijn bij gewelddadigheden en hebben veel vaker een strafblad bij de politie. Met hun studies menen deze onderzoekers te hebben aangetoond dat een stimulatie of versterking van het geweld in de samenleving (mede) wordt veroorzaakt door mediageweld.

Tegenover de aanhangers van deze stimulatietheorie staan andere wetenschappers – veelal werkzaam in Europa – die een verbod op gewelddadige mediaproducties klinkklare onzin vinden. Zij menen dat het wetenschappelijk onderzoek tot op heden geen overtuigend bewijs heeft geleverd voor een directe invloed van mediageweld op agressief gedrag. Deze wetenschappers wijzen op de tekortkomingen van stimulatiestudies. Ruw spelgedrag hoort volgens hen bij kinderspel – als verschijnsel van alle tijden en plaatsen. Dat gedrag zou je daarom niet als maat mogen nemen voor agressie.

Ruw gedrag is kinderspel en geen maat voor agressie, vinden sommige wetenschappers. Foto: Crissi

Ook wijzen deze critici erop dat denken aan geweld niet hetzelfde is als daadwerkelijke agressie. Sommige critici beschouwen aanhangers van de stimulatie-theorie als ‘moraalridders die hun eigen onderzoeksgegevens misbruiken’. De ‘geen-effect’-wetenschappers wijzen daarbij graag op hun eigen sociologische studies, die uitwijzen dat er zeer veel jongeren zijn die eindeloos gewelddadige videogames spelen, gewelddadige films en series bekijken, terwijl de overgrote meerderheid van hen ‘normaal’ opgroeit tot eerzame burgers. Als jongeren al opgroeien tot delinquenten, komt dat volgens deze onderzoekers vooral door hun opvoeding, of het gebrek daaraan, en hun omgeving. De media hebben slechts een minieme, verwaarloosbare invloed. Een verbod is daarom niet nodig.

Daarnaast zijn er onderzoekers die menen dat mediageweld er juist voor zorgt dat kinderen en jongeren minder snel gewelddadig gedrag gaan vertonen. Het zien van gewelddadige films of het spelen van agressieve games zou er volgens deze wetenschappers voor zorgen dat zij hun energie kwijt raken en daardoor minder behoefte hebben om zelf nog rottigheid uit te halen. Ook deze wetenschappers pleiten dus niet voor een verbod op gewelddadige media.

Mediageweld wel riskant

Met zoveel verschillende opvattingen over de invloed van mediageweld op kinderen, raken ouders, leerkrachten, jeugdhulpverleners, politici en journalisten al gauw de draad kwijt. Zij willen een simpel antwoord op de vraag of mediageweld nu wel of geen schadelijke invloed op kinderen heeft. Betekent dit nu dat de wetenschap ons niet verder kan helpen bij het vraagstuk van mediageweld en kinderen? Niet echt. Vertegenwoordigers van alledrie stromingen hebben namelijk zowel gelijk als ongelijk. Elk onderzoek verklaart slechts een stukje van de werkelijkheid. Dat bepaalde kinderen door een bepaald type mediageweld meer gewelddadig gedrag gaan vertonen, sluit niet uit dat (andere) kinderen mediageweld onder andere omstandigheden gewoon van zich af laten glijden of zelfs een afkeer van geweld ontwikkelen.

Of een kind na het zien van mediageweld agressief gedrag gaat vertonen, zou heel goed aan de omstandigheden kunnen liggen.

De critici van laboratoriumexperimenten hebben gelijk dat de gevonden gedragseffecten van het kijken naar gewelddadige films in laboratoriumsituaties niet gelijkgesteld mogen worden met de gedragseffecten van het kijken naar gewelddadige films in hun eigen slaapkamer. En bij vragenlijstonderzoek kunnen onderzoekers inderdaad onmogelijk alle factoren die een rol spelen navragen.

Maar de studies tonen wel aan dat er onder gestandaardiseerde omstandigheden wel degelijk effecten mogelijk zijn. Hoewel de meeste kinderen gewelddadige media wel aankunnen en zich er niet door laten leiden, moeten we desalnietemin aannemen dat sommige kinderen wel vatbaar zijn voor de negatieve gedragseffecten. Het ene kind is immers het andere niet.

Wanneer we de vele studies naar kinderen en mediageweld van de afgelopen jaren naast elkaar leggen, zijn er wel degelijk conclusies te trekken. De belangrijkste gevolgtrekking is dat er wel degelijk risico’s verbonden zijn aan de confrontatie met mediageweld. Er zijn veel studies die aangeven dat de regelmatige confrontatie met (fictief) mediageweld het risico op agressief gedrag en een lakse houding tegenover agressie bij kinderen vergroot. Studies die geen effect aantonen zijn in de minderheid. Uiteindelijk is circa vijf procent van al het gewelddadige gedrag bij kinderen toe te schrijven aan eerdere confrontaties met mediageweld.

Uiteindelijk is circa vijf procent van al het gewelddadige gedrag bij kinderen toe te schrijven aan eerdere confrontaties met mediageweld.

Kwetsbare groepen

De risico’s van deze confrontaties zijn groter bij bepaalde groepen: jongens, kinderen die al neigen naar gewelddadigheid, kinderen die opgroeien in situaties waar de opvoeding moeizaam verloopt, kinderen die zich sterk inleven in hun mediahelden en kinderen die meer moeite hebben om zich in de gedachten en gevoelens van andere mensen te verplaatsen. In de regel gaat het hierbij om kinderen die helemaal opgaan in het mediageweld en er onvoldoende afstand van kunnen nemen.

Dat jongens meer risico lopen komt waarschijnlijk doordat zij altijd al een grotere voorliefde hadden voor actie en sensatie dan meisjes, en dat ruw of gewelddadig gedrag bij hen ook meer wordt getolereerd. Bij kinderen die van zichzelf al gewelddadig zijn vindt het mediageweld ook eerder een vruchtbare bodem. Het geziene sluit dan meer aan bij het eigen gedrag, gevoelens en houding dan bij kinderen die van zichzelf minder tot agressie neigen.

De mate waarin kinderen zich kunnen inleven in de gevoelens van anderen is ook bepalend voor de invloed van mediageweld. Kinderen met een gebrekkig inlevingsvermogen zijn minder geremd en gaan sneller over de schreef bij het nadoen van een gewelddadige game of programma dan kinderen die wel rekening houden met anderen. Veelal hangt dat inlevingsvermogen samen met de wijze waarop ouders hun kinderen opvoeden en de omgang met leeftijdgenoten. Geduld hebben, rekening houden met anderen en bepaalde regels volgen zijn vaardigheden die kinderen door opvoeding en contact met anderen moeten leren. Als dat tijdens de opvoeding onvoldoende gebeurt, hebben kinderen meer moeite om het mediageweld te kunnen plaatsen en laten zij zich sneller door de voorbeelden leiden.

Kinderen met een gebrekkig inlevingsvermogen zijn minder geremd en gaan sneller over de schreef bij het nadoen van een gewelddadige game of programma.

Tenslotte is de impact van mediageweld afhankelijk van het type mediageweld. Zo zijn de risico’s groter bij de confrontatie met mediaproducties waarin het geweld door een aantrekkelijke held of heldin wordt uitgeoefend, bij geweld dat wordt beloond en als ‘goed’ wordt voorgesteld, geweld waarvan de vervelende gevolgen niet zichtbaar zijn en geweld dat als ‘echt’ en relevant overkomt.

Verklaringsmodel

Op basis van alle verschillende onderzoeksresultaten hebben wetenschappers nu een model ontwikkeld dat aangeeft hoe een kind soms wel en soms niet beïnvloed wordt door de media: het General Agression Model. Daarin wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van het kind en van de omgeving. Kort gezegd komt het erop neer dat bij elke confrontatie met mediageweld een kind emotioneel en cognitief reageert, en die reactie mentaal opslaat.

Gedragingen of houdingen die daar dan op gebaseerd zijn, zoals vervelend pestgedrag, vandalisme of angstreacties, lokken vervolgens weer reacties uit van de omgeving. Ouders kunnen bijvoorbeeld zorgzaam zijn voor hun angstige kind of agressief gedrag afkeuren, maar ze kunnen het mediageweld ook op z’n beloop laten en zelfs aangeven dat zij het mediageweld goedkeuren. Leeftijdsgenoten kunnen vandalisme verder opjutten of een kind juist afhouden van vervelend gedrag. Zulke reacties vanuit de omgeving worden door het kind mentaal opgeslagen en meegenomen bij een volgende confrontatie met mediageweld.

Ouders kunnen agressief gedrag (onbewust) aanmoedigen als ze – in plaats van zorgzaam zijn als een kind bang is – niet reageren op mediageweld of het zelfs goedkeuren.

Elke nieuwe confrontatie met mediageweld leidt dus tot een reactie bij het kind en een bekrachtiging of afzwakking door de omgeving. Het General Aggression Model verklaart zo niet alleen korte termijneffecten na een eenmalige confrontatie met mediageweld, maar geeft ook aan hoe de veelvuldige confrontatie over een aantal jaren met verschillende bekrachtigingen of ontmoedigingen uiteindelijk kan leiden tot een versterkte agressieve persoonlijkheid.

Meekijken en grenzen stellen

De oproep van politici en kritische opvoeders om voorzichtig te zijn met betrekking tot het confronteren van kinderen met mediageweld lijkt dus wel degelijk terecht. Dat betekent niet dat kinderen helemaal geen films of games met geweld zouden moeten zien of spelen, maar dat ouders dat met beleid moeten toestaan. Meekijken en het verbieden van ongewenste media kunnen effectief zijn bij het leren omgaan met mediageweld. Daarnaast is het essentieel dat ouders commentaar leveren op mediageweld en hun kinderen stimuleren om daar kritisch over na te denken.

Studies naar de opvoedingsstrategieën van ouders wijzen erop dat het duiden van goed en slecht en het leren doorzien van de onechtheid van films helpen bij het terugdringen van agressief gedrag. Lespakketten kunnen blijkens onderzoek eveneens effectief zijn om kinderen met andere ogen naar mediageweld te laten kijken. Het zou goed zijn als de overheid, de jeugdsector, het onderwijs en de wetenschap de handen ineenslaan om voor de toekomst effectieve, op elkaar aansluitende lespakketten voor het onderwijs te ontwikkelen.

Deze partijen zouden ook moeten nagaan hoe ouders via opvoedingsondersteuning meer systematisch aandacht kunnen schenken aan gewenste en ongeschikte mediaproducties voor kinderen. Vooral in gezinnen waar ouders moeite hebben met de opvoeding zou meer aandacht voor een effectieve media-opvoeding geen kwaad kunnen, omdat juist hun kinderen de meeste risico’s lopen.

Peter Nikken is als deskundige op het gebied van jeugd en media werkzaam bij het Nederlands Jeugdinstituut. Zijn wetenschappelijke interesse gaat uit naar de Kijkwijzer en de rol van mediaopvoeding bij het omgaan met internet, games en televisie. Hij schreef ook het boek ‘Mediageweld en kinderen’, uitgegeven bij SWP.

Dit artikel is een publicatie van Pedagogiek in Praktijk (PiP).
© Pedagogiek in Praktijk (PiP), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 februari 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.