Naar de content

Afrekening met mythes rond hervonden herinneringen

Linsey Raymaekers

Als we écht willen weten hoe betrouwbaar de hervonden herinneringen van seksueel misbruik zijn, moeten we eerst afrekenen met hardnekkige mythes die de ronde doen over traumaverwerking, zegt promovenda Linsey Raymaekers. “Dit zal grote gevolgen hebben voor de rechtsgang.”

24 april 2013

Vaak lijken slachtoffers van seksueel misbruik deze ervaring uit hun kindertijd te zijn vergeten, maar komt de herinnering tijdens een latere levensfase opeens terug. Hoe betrouwbaar deze hervonden herinneringen zijn, is nog altijd een van de grootste controverses binnen de psychologie en psychiatrie, stelt Linsey Raymaekers, forensisch psychologe en geheugenonderzoeker aan de Universiteit van Maastricht. “Ook in de rechtsgang heerst nog steeds het idee dat in therapie hervonden herinneringen meer valse elementen bevatten dan wanneer deze spontaan zijn hervonden, en dat hervonden herinneringen van een trauma minder betrouwbaar zijn dan wanneer deze altijd zijn onthouden.”

Raymaekers promotieonderzoek toont aan dat dit onderscheid veel te zwartwit is, en deze classificering nodig genuanceerd moet worden. “Je kan de verschillende typen herinneringen pas gaan onderzoeken en op daarmee hun betrouwbaarheid inschatten als je ze op de juiste manier classificeert. “Ik wil voorkomen dat advocaten en rechters denken: ‘Aha! Er is een therapeut aan te pas gekomen: deze herinnering is waarschijnlijk onbetrouwbaar’.”

Oude mythes

De misvattingen zijn volgens de psychologe ingegeven door twee achterhaalde theorieën over traumaverwerking die lijnrecht tegenover elkaar staan: verdringing en de valse-geheugentheorie. “Hoewel er nooit wetenschappelijk bewijs voor verdringing is geweest, beweren aanhangers dat traumatische gebeurtenissen jarenlang niet toegankelijk zijn in het geheugen, als een soort beschermingsmechanisme. Totdat deze persoon mentaal ontwikkeld genoeg is om de herinneringen te verwerken: dan worden deze hervonden.”

Dat de inhoud van deze herinneringen hiervan per definitie waarheidsgetrouw zou zijn, heeft in de jaren ’80 tot veel veroordelingen van verkrachting geleid in de Verenigde Staten.

“Ik was enorm verbaasd te ontdekken dat ook in Nederland leken maar ook psychologie-studenten, advocaten, rechters en zelfs psychotherapeuten tegenwoordig nog steeds in een vorm van verdringing geloven,” vertelt Raymaekers. “De misvatting zit zelfs in de spreektaal, mensen wuiven een probleem namelijk vaak weg met: ‘ach ja, ik heb het verdrongen.’”

De wat sceptischer geheugenonderzoekers hangen de valse-geheugentheorie aan. “Deze stelt dat seksueel misbruik zo traumatisch is dat herinnering hieraan nooit helemaal kan worden vergeten. Hervonden herinneringen zijn volgens hen niets meer dan een product van suggesties vanuit de omgeving – zoals een therapeut of psycholoog – en daarom per definitie vals. “

Zwartwitdenken

Op basis van die twee radicale theorieën is het beeld ontstaan dat spontaan hervonden herinneringen nog waarheidsgetrouwe elementen kunnen bevatten, maar die in therapie zijn teruggehaald suggestieve onzin zijn. “Het grote probleem bij zulk soort uitlatingen is: wat heb je als ‘spontaan’ en wat als ‘therapie’ geclassificeerd?” Onder de eerste categorie schaart men vaak het ‘zelf’ hervinden van een herinnering door een associatie met deze gebeurtenis, bijvoorbeeld het binnenlopen van de kamer waarin het misbruik heeft plaatsgevonden. En de in therapie hervonden herinnering wordt gekenmerkt door een dialoog met een derde, bijvoorbeeld de psychiater of psycholoog.

“Maar door intensieve dialogen met slachtoffers heb ik ontdekt dat dit veel te zwartwit is”, zegt Raymaekers. “Als iemand door een gesprek met een familielid opeens weer terugblikken krijgt, is er wel een derde betrokken maar officieel geen sprake van therapie. En wat als je onder hypnose een herinnering hervindt? Dat is officieel wel therapie, hoewel je de herinnering zonder dialoog hervindt.” Deze onduidelijkheid wordt ondersteund door Raymaekers resultaten: in maar liefst 37 procent van de gevallen werden de vier ingezette geheugenexperts het niet eens over het classificeren van de manier waarop herinneringen van sekueel misbruik werden hervonden.

Hoe ons geheugen ons fopt

Het tweede misvatting is dat hervonden herinneringen van seksueel misbruik minder betrouwbaar zijn dan continue herinneringen, wanneer een slachtoffer het incident altijd is blijven onthouden. “Mijn onderzoek toont aan ook dit onderscheid heel lastig te maken valt. Vaak hebben mensen een een herinnering al eerder overdacht of zelfs gerapporteerd, maar als je ze er dan later naar vraagt, herinneren ze dit niet meer: ze beschouwen de herinnering als zojuist hervonden.” Ons geheugen houdt ons dus vaak voor de gek: we zijn niet in staat om te beoordelen wat we door de jaren heen echt zijn vergeten en hebben onthouden.

Herinterpretatie, geen verdringing

Daarom moedigt Raymaekers aan om achterhaalde ideeën over ons geheugen los te laten, en te vervangen door de genuanceerde geheugentheorie van Richard McNally, hoogleraar Klinische Psychologie aan de Universiteit van Harvard. Deze is gebaseerd op bewezen kennis over het geheugen, en accepteert dat hervonden herinneringen niet óf waar óf vals zijn.

“McNally gelooft bijvoorbeeld in herinterpretatie. Volgens hem is een deel van de slachtoffers te jong geweest om het misbruik als traumatisch op te slaan. Dan weet je nog niet wat seksuele handelingen precies betekenen.” Als het kind door zijn omgeving ook niet meer aan het misbruik wordt herinnerd, kan de herinnering wegzakken. Deze afwezigheid van initiële emotionele lading verklaart waarom zo’n herinnering – net als elke andere – tijdelijk kan worden vergeten. “Dit wordt dus nog steeds verward met verdringing.”

Pas wanneer de herinnering tijdens de volwassenheid weer wordt ‘getriggerd’, kan de herinterpretatie hiervan een gevoel van walging en shock veroorzaken, legt Raymaekers uit. “De emotie die dan ontstaat kan iemand het gevoel geven dat zo’n hervonden herinnering jarenlang is onderdrukt en dat het herstelproces nu eindelijk kan beginnen.”

Hervonden herinneringen zijn dus niet zo simpel te labelen als we eerst dachten, concludeert Raymaekers. “Om de verwerkingsmechanismen van ons geheugen te ontrafelen, moeten we elk slachtoffer van seksueel misbruik – zowel in de wetenschap als in de rechtspraak – dus gestructureerd gaan ondervragen door niet één, maar meerdere geheugenexperts.” Hóe dat precies tot een betere classificering kan leiden, dat wordt de volgende uitdaging!”

Contacteer hier Linsey Raymakers om haar promotieonderzoek (promotor: Harald Merckelbach) in te zien.

ReactiesReageer