Je leest:

Zout, nat en gevaarlijk

Zout, nat en gevaarlijk

Auteur: | 17 juli 2003

Uitblinken op een surfplank is voor Amerikanen het toppunt van being cool. Oorspronkelijk was surfen een religieuze plechtigheid voor Hawaïaanse edelen. Na in 1907 in Californië te zijn geïntroduceerd door de Hawaïaan George Freeth (een bronzen borstbeeld herdenkt hem op het Redondo State Beach aan de zuidkant van Los Angeles), werd het dankzij de Olympische zwemmer Duke Kahanamoku in de jaren twintig een populair tijdverdrijf. In 1961 brachten de Beach Boys hun lied Surfin’ USA uit en ging de sport verder de wereld over.

De grootste uitdaging bij het surfen is het overwinnen van de tube. Daarbij surf je onder de top van een golf en probeer je zo’n grote snelheid te krijgen dat je de dalende golf net voor blijft. Ga je te hard, dan raak je uit de golf en ga je te langzaam, dan val je van je plank. Terwijl de golf het strand nadert, neemt hij in kracht af. Het is dan de kunst om uit de golf te schieten en op de plank te blijven.

Surfen gaat het best aan stranden met een zogenaamde surfgolf, waar de golven parallel aan het strand breken. Klassieke stranden daarvoor zijn niet alleen te vinden op Hawaii of in de VS. Overal waar de wind de deiningsgolven voldoende heeft kunnen aanwakkeren en de zeebodem genoeg helt, vind je fraaie brandingsgolven.

Brandingsgolven ontstaan door de terugkaatsing van golven aan het strand. Dat veroorzaakt een tegenstroom, die botst tegen de vanuit zee aankomende deiningsgolven. Als gevolg daarvan overstort de nieuwe, aanrollende golf als een wit-schuimend watergordijn.

Foto: Oregon State University/College of Oceanic and Atmospheric Sciences

Parallele golven

Wie aan het strand staat en naar volle zee kijkt, ziet dat de golfkammen daar nog alle richtingen hebben. Toch zijn de golven dichtbij evenwijdig aan het strand gericht. Hetzelfde doet zich voor aan een meer. De golven die daar door de wind worden voortgedreven, komen ook evenwijdig aan de oever aan. Het golffront kromt zich, totdat het precies de vorm van de strandlijn aanneemt. Hoe krijgen golven hun ‘voorgevoel’ van de vorm van een kust?

Golven brengen het water in beweging tot op een diepte van enkele meters. In diep water verloopt die beweging ongestoord. Maar zodra de golven in ondiep water komen, gaat de bodem een rol spelen. Hoe ondieper de bodem wordt, des te sterker ondervindt de golfbeweging wrijving van de bodem en des te sterker remt hij af.

Als een golf schuin op de kust afkomt, planten de verst verwijderde delen zich in het diepste water voort. Zij gaan dus het snelst. Ze halen de langzamer gaande delen in, maar worden ook zelf vertraagd als ze in ondieper water komen. Uiteindelijk zijn alle delen in even diep water even ver uit de kust en rolt de golf loodrecht op het strand af.

Snelle golven halen de langzamer gaande delen in, maar worden ook zelf vertraagd als ze in ondieper water komen. Uiteindelijk zijn alle delen van de golf in even diep water even ver uit de kust en rolt de golf loodrecht op het strand af. bron: Carl KoppeschaarKlik op de afbeelding voor een grotere versie.

Doordat de snelheid van de aankomende golven groter is dan die van de terugstromende, spoelen schelpen en andere voorwerpen op de kust aan. Een schelp die eenmaal op het strand is afgezet, wordt niet meer door het zwakke, terugsijpelende stroompje meegenomen. Hoe zwaarder de aangespoelde voorwerpen, hoe moeilijker ze meegaan met het terugstromende water. Vandaar dat grote voorwerpen op het keerpunt van het water, de vloedlijn, blijven liggen.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 17 juli 2003

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.